Deel 1: RONDO

 

 

 

 Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 1

1.   Hoe Peter  Mils ontmoet 1

2.   Naplet 9

3.   De voorbereiding voor de reis naar Naplet 20

4.    Naplet En Natasha. 33

5.    De Ontsnapping. 39

6.    De Reis door de Bergen. 49

7.    De B-rivier 62

8.    Bethesda, de kleermaker en een boot 75

 

DEEL 2: Naplet, Hostu

 

Dit is de inhoudsopgave van het boek Naplet, deel 1 Rondo, dat ik in een eerste versie wil presenteren. Er zitten nog verschillende fouten en onregelmatigheden in. Eenieder, die geïnteresseerd is, kan dit lezen en mij van kommentaar omtrent veranderingen kan voorzien, die aangebracht zouden kunnen worden.  Ik wacht dat in spanning af.

 

Klaas Keizer

 

 

 

1.     Hoe Peter  Mils ontmoet

 

            Zoals op vele avonden zat ik naar de televisie te kijken. Ik ben er een beetje verslaafd aan en beschouw het daarom maar als een hobby. Ik zat wel te kijken, maar eigenlijk zag ik niets. De beelden vergleden over het scherm in een bonte stoet van kleuren, maar er zat geen tekening in. Alles was een beetje wazig.

            Laat ik me even voorstellen; Mijn naam is Peter Jansen en ik ben boekhouder van beroep. Dat lijkt saai, maar ik hou wel van een beetje saai, vandaar ook het televisie kijken.

Ik ben een kei in mijn vak en vanaf mijn veertigste, dus al ongeveer 5 jaar werk ik als freelancer. Ik wordt als freelancer ingehuurd door één of ander, min of meer groot bedrijf om hun hele boekhouding eens door te lichten, kijken of er onregelmatigheden in voorkomen en zo ja die, indien mogelijk, recht te spijkeren. Ik doe deze opdrachten op basis van een tijdscontract, welke één maand tot één jaar kan duren. Ik heb opdrachtgevers over de hele wereld, maar meestal toch in Europa. Daar wordt het meest gesjoemeld. Als je mij vraagt hoe dat met mijn gezin geregeld is, dan moet ik zeggen, dat ik vrijgezel ben en waarschijnlijk ook blijf. Een getrouwd persoon kan zo´n saai leven op verschillende verblijfplaatsen waarschijnlijk niet opbrengen. Dit is echter wel wat mij bekoord. Ergens enkele maanden zijn en dan verder of even terug naar een beginpunt, rustpunt of iets dergelijks

            Boekhouden is geen exact beroep, zoals iedereen wil geloven; boekhouden is op een creatieve manier tot een sluitend geheel komen. Al de getalletjes hoeven niet met de waarheid overeen te komen als de grote lijnen maar kloppen. Dat is ook het eerste, wat ik wil weten, voordat ik een opdracht aanneem. De opdrachtgever moet mij zo duidelijk mogelijk vertellen, wat zijn idee is omtrent de boekhouding  en ook de inhoud van de boekhouding. En natuurlijk hoe hij denkt het dan aan de belasting te verkopen.  Als hij/zij de ideeën naar mij kan overbrengen, neem ik de opdracht aan. Anders weiger ik de opdracht, zonder kosten daarvoor in rekening te brengen. Zo heb ik de laatste 5 jaar 15 opdrachten uitgevoerd, maar ook 22 geweigerd. Er zit natuurlijk nog iets anders achter.  Ik ben natuurlijk niet alleen een saai persoon voor de buitenwereld, maar ik maak me liever ook niet te moe. En ik heb er een aardig handje van om vooraf in te schatten hoeveel werk het is en of het gemakkelijk is in te passen op een zodanige wijze, dat klant en belasting tevreden zijn. Ik doe boekhouden op een globale wijze. Bedrijven hebben genoeg rekenaars in dienst. Die zorgen er wel voor dat plus- en min kloppen. De bedrijven hebben altijd gedacht en denken nog, dat ik de rekenaar ben; neen! Je moet alleen de juiste mensen op een goede manier aan het werk zetten. En daarom betalen ze je. En het heeft mij geen windeieren gelegd. In de laatste 5 jaar heeft mijn éénmans bedrijfje toch mooi 1 miljoen Euro gebracht. En nu kan ik die opdrachten uitzoeken, waarvoor ik voor 95% (dus niet helemaal) zeker ben, dat iedereen tevreden is.

            Liever lui dan moe is niet mijn enig principe alhoewel wel het belangrijkste. Ik vind ook, dat je andere mensen geen leed mag aandoen. Dat betekent niet, dat je andere mensen moet helpen. Je helpt andere mensen alleen als je daarmee ook jezelf helpt. Het lijkt egoïstisch maar is het niet. Beredeneer maar op een logische wijze, hoe het met de mensen uitpakt, als die zichzelf helpt, zonder dat het ten koste gaat van de medemens. Ik weet zeker, dat het dan  een stuk beter gaat met deze aarde en met de mensheid dan zoals het nu gaat.

            En dat is wat ik U, geachte lezer, in dit boek naar voren wil brengen. U dacht misschien, dat dit boek over mij gaat. Dat is misschien een beetje zo, maar dit boek gaat over anderen, buitenaardse mensen, zelfs buitenheelal mensen. En dat komt omdat ik op deze avond naar de televisie zat te kijken en niks zag. Ik keek naar buiten vanuit mijn appartementje, een klein gezellig optrekje, half gemeubileerd, half mijn eigen spullen. Op elke plaats, waar ik werk, huur ik zo´n appartementje met enkele standaard spullen en verdeel mijn eigen spullen zoals luie stoel, boeken, bureau, computer, televisie en wat keukengerei daarin; Ik rij namelijk rond in een bus, die ook half als verhuis wagen dient. Computer is nodig voor mijn werk, programma´s, opslag, ideeën, maar ook voor mijn hobby’s, bridge en schaken. Daar ik geen vaste verblijfplaats heb, bridge en schaak ik met de computer via correspondentie schaak, internet e.d.. Geeft je een verzetje. Dat van de vaste verblijfplaats is niet helemaal waar. Ik veroorloof mij de luxe van een villaatje in het Zuiden van Europa, waar ik 2 à 3 maanden per jaar verblijf, als rustpunt van de ene naar de andere opdracht. Dat is ook mijn post en internet adres. Van daaruit kan ik opdrachten sorteren en starten. ´T is een mooi plekje, wat ik 3 jaar geleden heb gekocht naar mijn zevende succesvolle opdracht.

            Ik keek naar buiten en zag de maan half wazig door mijn raam van mijn appartementje in Leuven, een studenten stad in België schijnen. De opdracht, die ik nu had, was voor een relatief groot bedrijf en duurde reeds 2 maanden, en zo gezien zou die nog wel 4 maanden duren, inclusief enkele retraite periodes. Ik ga even naar het café, zoals die in België zovele zijn en gezellig hoor. Bovendien is Belgisch bier het beste bier, wat er op de aarde bestaat, zelfs het gewone bier. Maes is bijvoorbeeld veel lekkerder dan Heiniken of zelfs Grolsch. Of het door de cafeetjes komt weet ik niet.

De lage landen zijn wel een beetje mijn landen. Ik ben geboren in Engeland in Leeds, een fabrieksstad, en heb daar 10 jaar gewoond. Toen zijn mijn ouders overleden door een verkeersongeluk en heb een jaar in een weeshuis gezeten. De meeste kinderen vonden dat erg, ik niet, ik vermaakte me wel met boeken en schaken. Ik had toen al niet veel nodig. Deze jongen had het geluk geadopteerd te worden door een Nederlands echtpaar, kinderloos. Hoe dat gebeurd is, weet ik nog steeds niet, maar dat interesseert me ook niet, niet de geloven hè!. Het waren aardige mensen, maar de relatie bleef afstandelijk. Mijn nieuwe vader was onderwijzer in een provincie stadje in het Noordoosten van Nederland en hij wou me een goede, degelijke opleiding geven. Nederlands ging tamelijk snel, maar ik was toch beter in de meer exacte vakken. Dus Atheneumb en daarna gespecialiseerd in boekhouding en alles wat erbij hoort. Ik heb alle diploma´s, maar de studies waren gemakkelijk en U kent mijn principe. Ik kreeg een baantje bij een bedrijf, deed het goed, maar viel niet op, zodat bevorderingen langzaam gingen. Ik ben relatief eerlijk t.o.v. mijn collega´s en meerdere of mindere in rang zijn me gelijk. Ik vindt, dat je vooral je minderen tevreden moet stellen met het eenvoudige principe, dat zij meestal het (vuile) werk doen. Meerderen kunnen alleen maar zorgen voor opdrachten en bevordering. En daar heb je niet zoveel aan. Wel altijd vriendelijk blijven natuurlijk. Met een beetje ondergrondse roddel over je meerderen kun je je gram wel kwijt. En natuurlijk zorgen, dat je onmisbaar blijft. Vertel nooit je meerderen alles wat je weet of kent. Een opdracht hoeft niet tot in de puntjes uitgevoerd te worden. Als dat wel het geval is, verlangen ze steeds meer. Toen al werd mij duidelijk, dat boekhouden een algemeen principe is om mensen te laten denken, dat ze het goed gedaan hebben, en dat boekhouden geen exacte wetenschap is.

  Ondanks mijn weinig opvallen, moet er toch iets aan mij zijn opgevallen. Na 14 jaar werken moest ik bij mijn hoogste baas komen en die zij ¨Peter, je bent altijd een goed en trouw medewerker geweest; Ik zou je iets willen vragen.¨En ik spitste mijn oren want als hoge bazen iets vragen, moet het iets bijzonders zijn of is het veel werk. Peter, een toeleveringsbedrijfje heeft moeite met hun boekhouding en zij vroegen ons of een goede, betrouwbare boekhouder van ons eens naar hun boeken zou willen kijken. En toen hebben we aan jouw gedacht.¨ Daar had ik wel oren naar. Ondanks mijn saaiheid is 14 jaar boekhouden bij eenzelfde bedrijf wel erg saai. Dus daarmee was mijn eerste zelfstandige opdracht rond.

  Ik heb met de directeur van bedrijfje gepraat. De directeur was ook boekhouder, maar de boekhouding was een puinhoop. De ideeën van de man waren echter gezond en ik zeg, jongen, daar maken we beide wel wat van. Zo gezegd, zo gedaan en binnen 2 weken hadden we de zaak rond tot tevredenheid van directeur, belastinginspecteur, ook een kennis, en eigen bedrijf. Er kwam een beetje gesjoemel aan te pas, want sommige cijfers waren verloren gegaan, maar dat was nog niet zo erg als bij Van der Valk. Die directeur is overigens nog steeds een vriend van mij, die me af en toe in mijn zuidelijk villaatje komt opzoeken.

            Ik had een nieuw talent ontdekt, repareren van boekhoudingen en toen er nog 2/3 bedrijfjes bij mij aanklopten was het snel met de trouw voor mijn oude bedrijf gedaan en ben ik zelfstandig gaan werken.

 

            En nu hier in België. Trapje af, straat op naar mijn stamcafé. Ik bleef een beetje doormijmeren, zodat ik pas na enkele honderden meters merkte, dat ik de totaal verkeerde kant opliep. De omgeving kwam me onbekend voor, wat somberder dan anders, de huisjes meer vervallen, soms zelfs scheefgezakt, soms zelfs iets hebbend van griezeligheid, onder het diffuse maanlicht. Ik probeerde met een boog mijn oude route terug te vinden en belandde daarbij in een smal straatje, waar ik nog nooit geweest was. Op ongeveer 25 meter was er een flauw verlicht uithangbord met ¨Corsendonck¨bier en dat bord bleek bevestigd te zijn boven de deur van een klein cafeetje; nou ja, een nieuwe ontdekking van een lokaal cafeetje is altijd aardig en ik besloot naar binnen te gaan.

  De deur kraakte en tingelde naar binnen open, zoals dat bij dat soort cafeetjes hoort. Binnen, gezellig warm, zaten 4, 5 mensen en een wat oudere man met een grijze baard achter de bar. Die man moet aardig wat beleefd hebben, want zelfs op deze afstand zag ik de groeven in zijn gezicht. De meeste aandacht van mij ging echter uit naar de persoon, op de hoek van de bar, die een groot, bijzonder Belgisch biertje zat te drinken. De persoon zelf was niet echt groot, zo een 15-20 centimeter kleiner dan mijn lengte van één meter tachtig, en ik kon niet herkennen of het een man of een vrouw was.

            Nou ben ik niet zo´n expert wat vrouwen betreft. Ik heb er nooit mee weten om te gaan. Vrouwen zijn nodig voor de voortplanting, voor de seks en je schijnt er verliefd op te kunnen worden. Wat dat laatste precies is, is mij nooit duidelijk geworden en niemand heeft mij het ooit precies kunnen vertellen. Toch schijn ik het ook tweemaal te hebben gehad. Ik vond het interessant, maar naar een tijdje begon het toch maar te vervelen. Ik vond het lichamelijk contact wel aangenaam, maar seks, neuken en dat soort dingen vond ik maar een gedoe. Mijn hele leven lang vanaf mijn puberteit had ik mijn seksuele behoeften via zelfbevrediging verkregen. Dat was makkelijk, kon op de juiste tijd gebeuren en het zaad kon makkelijk worden afgevoerd. Of dat in overeenstemming is met de menselijke ethiek, heb ik mij nooit afgevraagd. Natuurlijk helpt het niet bij de voortplanting, maar reeds vanaf mijn twintigste geloof ik niet meet in de voortplanting van de mens. De mensen zijn over het algemeen aardig, de mensheid niet. De mensheid is wreed, heeft nog nooit van naastenliefde gehoord en is alleen op macht uit. Sommige mensen worden vanuit die mensgroep gegrepen om dat voor de mensheid uit te voeren. Ik heb niet de behoefte gegrepen te worden. Ik zorg er zelf wel voor om een aangenaam leven te leiden.

            Maar deze man/vrouw persoon had iets anders. Als een magneet werd ik er op aangetrokken en ging naast hem/haar zitten. Ik bestelde een Corsendonck en staarde voor mij uit. Ik durfde bijna niet naar links te kijken.

            Mils  is de naam hoorde ik in standaard Vlaams van de omgeving. Het was een aangename neutrale stem, die niet van links kwam, maar midden in mijn hoofd klonk.

            Ik keek verschrikt om. Een stem midden in mijn hoofd. De stem had echter aangenaam geklonken en langzaam kwam ik de schrik te boven en vond mijn stem terug. Mijn naam is Peter, hoorde ik mijzelf zeggen. En weer die stem in mijn hoofd, nu met iets meer Saksisch accent, een accent wat nog steeds een beetje in mijn spreken zweeft. Gezellig cafeetje hè en een lekker biertje, Corsendonck Agnus. Dat eerste wist ik nog niet, dat tweede kon ik beamen, want het was een biertje, dat ook in mijn

smaak viel. Ik had besloten, dat hij/zij een hij was omdat de kleding die kant op ging. Ik bestelde ook een Corsendonck en tuurde een beetje voor mij uit. Ik maak relatief moeilijk contact, omdat ik niet weet waar te beginnen en dan moeilijk uit mijn woorden kom. Maar het intrigeerde mij, dat die stem in mijn hoofd klonk en niet via mijn oren. Ik vergis me toch niet? Waar over te beginnen. Standaard is natuurlijk vrouwen, voetbal, weer of zoiets. Vrouwen leek me niet geschikt, want ik wist niet zeker of hij een man of een vrouw was. Voetbal, daar wist ik met mijn televisie gedrag veel van, maar de laatste paar weken was in die richting niet veel bijzonders gebeurd. Het weer, wat is daar nauw over te vertellen en van het weer moet je genieten en niet over praten is meestal mijn devies. En over boekhouden komen meestal ook geen bijzondere gesprekken. Dit overdenken kostte ongeveer één flesje bier en ik zag dat mijn buurman ook droog stond. U nog een Corsendonck vroeg ik hem, ook niet zo´n spreker volgens mij. Een nieuw glas is niet nodig zei ik de man achter de bar, U wel? Neen, ook niet nodig en dus kwamen er twee flesjes. Nadat we het bier in een glas geschonken hadden, proosten we met elkaar. Ik zei saude (Portugees voor gezondheid) en ik hoorde tot mijn verbazing ook saude ik mijn hoofd. Ik zag zijn mond wel een beetje op en neer gaan, maar of daar een woord saude uitkwam, weet ik niet.

Na een tijdje zwijgen zei hij/zij opeens, “Mijn naam is Mils en ik ben niet van hier”. Ik ook niet en zo begon een gesprek en een avontuur, wat de rest van mijn leven zeer sterk beïnvloed zo niet bepaald heeft.  Na mijn eerste verbazing over het feit, dat hij hetzelfde Nederlandse accent had als ik en dat de stem van hem meer in mijn hoofd klonk dan uit zijn mond, sprak ik hem hierop aan.  Dat is moeilijk uit te leggen zei Mils misschien voor iemand van dit land, deze planeet niet te begrijpen. Ik ben namelijk een persoon, die telepathisch contact heeft met anderen. Ik viel bijna van mijn krukje. Ik had nog nooit gehoord van  personen, die telepathisch met andere personen communiceren. Volgens mij bestaat dat ook niet. Ik ben niet van hier zei Mils nogmaals, ik ben van heel ver weg, van een andere planeet. Die man moet gek zijn dacht ik maar die woorden in mijn hoofd intrigeerden mij. Zoals de lezer al weet, ben ik heel nuchter van  mijzelf en een beetje logisch aangelegd. Daarom vroeg ik: “En waar moet die planeet dan wel zijn”. Ik heb nog nooit van een door mensen bewoonde planeet gehoord anders dan de aarde. Oh, deze planeet is helemaal niet zo ver weg. De planeet bevindt zich in een parallelle wereld en heet Naplet. Na al de verklaringen, die Mils me tot nu toe gegeven had, schrok ik nergens meer van Integendeel, ik werd steeds nieuwsgieriger. ‘Parallelle werelden’ zei ik, daar heb ik wel vaker over gelezen. Ik heb een aardige collectie Science Fiction (SF) boeken en daar komt het begrip parallelle wereld nog al eens voor. “Het is niet zo als in de meeste SF boeken wordt beschreven” zei Mils. Het heelal zit nogal vreemd in elkaar. Niet alleen wat de uitgestrektheid betreft, maar ook de constructie. Je kunt het heelal vergelijken met een papieren voetbal. Neem een krant, b.v. een dubbele pagina en frommel die op willekeurige wijze in elkaar. Als je op het oppervlakte van de krant leeft, heb je een tweedimensionale situatie. Echter door het verfrommelen is de situatie ook driedimensionaal, alleen is het zeer moeilijk om van de bovenzijde van de krant naar de onderzijde te komen. En als de krant pagina oneindig groot is, en wat is oneindig?, is dat onmogelijk. Nu is de krant niet perfect. Er zijn kleine, bijna onzichtbare gaatjes in de krant. Door deze gaatje kan toch materie van de ene zijde naar de andere zijde stromen. Er is echter alleen maar éénrichtingsverkeer. Als materie transport van gene naar onze zijde verplaatst wordt, noemen we dat een pulsar. Omgekeerd is dat een zwart gat. Deze gaatjes zijn van verschillende grootte, van enkele cm’s tot enkele duizenden kilometers. Als we dus zo’n gat vinden, kunnen we in zeer korte tijd van de ene naar de andere kant van de krant bewegen, maar niet door hetzelfde gat terug. Dan is er een “negatief”gat nodig. Er bestaan oneindig veel van deze gaten. De astronomen hebben al een aantal groten ontdekt. Maar die zijn niet geschikt voor transport van mensen. Daar “stormt”het teveel.  Neen, we hebben gaten van meter(s) dimensie nodig.

De aarde zit op het oppervlak van zo’n krant en Naplet zit precies aan de andere kant. Het zou dus mogelijk moeten zijn om in een oogwenk naar Naplet te reizen. Als er van die metersgrote gaten aanwezig zijn. Aardmensen weten niet van de structuur van het heelal, maar wij van Naplet wel. Wij hebben 10 van zulke gaten gevonden, die geschikt zijn voor transport, 4 richting aarde en 6 richting Naplet. Ze zijn tussen 2 en 5 meter diameter. Ongetwijfeld zijn er meer, maar die zijn ‘nog’ niet ontdekt. Waarschijnlijk zijn de meeste kleiner dan één meter in diameter en dus sowieso niet geschikt voor transport van mensen. Door de gaten en materie transport naar beide kanten, zijn er veel overeenkomsten tussen aarde en Naplet. Eén is de samenstelling van de atmosfeer, alhoewel wij op Naplet een 2x zo hoge zuurstof concentratie hebben bij een atmosferische druk, die ongeveer 80% van die van de aarde is. Aardmensen zullen het bij ons dus aangenaam vinden, ondanks een wat groter koolzuur gehalte, wat meer edelgassen en ook b.v. wat zwaveldioxide (een zuur gas). Maar we hebben nog geen aardmensen gehad! Trouwens het beeld van de krant is nog wat ingewikkelder. Het gaat niet om één kranten pagina maar om zeer vele pagina’s (De Telegraaf op zaterdag), die in elkaar gefrommeld zitten. Misschien zijn er wel oneindig. Op die manier zijn er zeer vele parallelle werelden, waar de fysische wetten wel kunnen verschillen. Bij ons komt de cilinder vorm voor hemellichamen zeer veel voor, terwijl dat in het aardse heelal nauwelijks het geval is. Peter, je mag dan een boekhouder zijn , maar boekhouden is amper hetzelfde als fysica. Ik kon niet bevroeden hoe hij wist van dat boekhouden.

            De uitleg omtrent parallelle werelden sprak me wel aan. Dat zoiets zou kunnen bestaan kon ik haast niet begrijpen maar toch, mijn hart begon sneller te kloppen. Mijn leven was tot nu toe saai maar wel aangenaam geweest en ik voelde nu dat daar wel eens een eind aan zou kunnen komen. Ik voelde, dat ik die plannet, Naplet, wel eens wilde bezoeken. Ik was niet gebonden aan de aarde. Ik had heg nog steg en Aardmensen zo voor mij meestal geen aangenaam gezelschap.

            “Wat kom je hier doen”vroeg ik Mils. Mils vertelde dat hij door de belangrijke personen op Naplet uitgezonden was om een mens te zoeken, die met hem naar Naplet zou gaan. De reden van de missie verteld hij er niet bij. Nu was ik helemaal buiten mezelf. Hij zocht iemand en misschien was ik die iemand wel. Waarom ben je juist in België. Daarvoor gaf hij een aantal redenen op. Het “gat’ wat hij gebruikte als doorgang naar de aarde was in de Eifel gelokaliseerd, in de Hautes Fagnes, in de buurt van Botrange, een eenzaam gebied. Het was de eerste keer, dat hik naar de Aarde reisde en ik moest natuurlijk een netwerk opgebouwd worden. Als vreemde ben je niemand, ken je niets en weet je niet hoe het reilt en zeilt op de aarde. Er moest een vertrouwenspersoon komen, die een groot aantal dingen voor je regelde. De taal was geen probleem, zoals je reeds gemerkt hebt, maar wonen, verblijven, een paspoort, geboortebewijs, kleding en al dat soort dingen, die nodig zijn om op de aarde in een beschaafd land te leven moesten geregeld worden. Daar kwam ik al snel achter. Het heeft een aantal dagen geduurd voordat ik zo’n persoon gevonden en overtuigd had om mij te helpen. Het hielp ook, dat mijn uiterlijke verschijning zo veel op die van de Aardmensen leek. Op Naplet heb je namelijk twee soorten mensen, de grote , bijna blanke en de kleine, bijna zwarte mensen en ik hoor tot de eerste soort zoals je ziet. Inwendig zien we er wel een beetje anders uit en mensen uit Naplet zijn grotendeels vegetariër. De persoon kon ik overtuigen door hem enkele geschenken te geven. Op Naplet komen nauwelijks zware metalen voor, maar gekristalliseerde koolstof (diamant) is een vrij natuurlijk product. En gelukkig had ik daar toevallig een paar ons van meegenomen. De vertrouwenspersoon, een advocaat, die ik in een kroegje ontmoette, heb ik ook een deel van het verhaal verteld als nu tegen jouw, Peter. Hij vond het maar ongeloofwaardig, maar de diamanten vond hij aantrekkelijk. Wij zijn overeengekomen, dat hij voor mij een aantal zaken zou leveren in ruil voor 3-4 diamanten, een woonplaats, en identiteit met de nodige papieren en geld. Het duurde een paar maanden, vooral het regelen van een identiteit en ondertussen leefde ik in België.  Ik kan me goed aanpassen en alle levensbehoeften, voedsel, drinken en zo zijn voor mij makkelijk verkrijgbaar. Ik ben van het Belgische bier gaan houden en ken al een paar honderd soorten. Na 4 maanden bestond ik, had een geboortebewijs, een Belgisch paspoort en genoeg geld om door het land te reizen. Een rijbewijs heb ik natuurlijk niet, maar het openbaar vervoer in België kan ermee door en dus ben ik op zoek gegaan na een persoon, die met me terugwil, die mijn missie tot een goed einde kan brengen.

            Ik was nog steeds verbaasd, maar mijn eerdere kriebels werden duidelijker. Ik was die persoon. Wat had ik hier op de aarde nog te zoeken. Mijn leven was wel aangegaan maar saai. Echte relaties waren voor mij niet weggelegd, daar was ik te lui en niet geschikt. De drijfveer om iets te doen is natuurlijk geld maar ook nieuwsgierigheid. Ik ben nieuwsgierig op alle gebied ook dus wat betreft getalletjes. Maar als ik het eenmaal zo’n beetje weet, dan neemt de belangstelling weer al en krijgt de luiheid weer de overhand. En nu biedt een vreemdeling mij een mogelijkheid om altijd nieuwsgierig te zijn, om steeds iets nieuws te doen. Mils, zei ik, misschien ben ik wel de persoon, die je zoekt voor je queeste. Ik ben niet heel sterk, ik ben niet heel slim, maar ik ben wel nieuwsgierig en ik kan van deze aardbodem verdwijnen zonder dat iemand daar iets van merkt. Ik moet nog wel mijn laatste opdracht afmaken, want die levert behoorlijk geld op, zodat ik mijn huisje in het Zuiden van Europa gedurende een langere periode kan onderhouden, waarschijnlijk wel een jaar of 5, zonder dat ik daar aanwezig ben. Mils keek me aan, uiterlijk blij en de stem klonk weer in mijn hoofd. Peter, dat is hartstikke mooi. Jij lijkt me wel een geschikte peer om zo’n reis te ondernemen. En wat de duur van de reis betreft: Je moet toch wel op een jaar of twee rekenen. Het gat naar onze planeet ligt ook niet in België maar in Portugal en leidt naar een zeer woeste plek op Naplet. Van daaruit is het nog wel een half jaar reizen naar de plek waar we moeten wezen, naar de plek, waar de Naplet mensen mij opdracht hebben gegeven om iemand te zoeken vanuit de Aarde.

Wat zullen we afspreken? Je moet iets over Naplet, de inwoners en andere zaken weten alvorens je met me mee gaat. En we moeten ook het één en ander aan spullen meenemen voor de tocht, misschien wel een 20-25 kilogram materiaal per persoon.  Zal ik de volgende woensdag een keer bij je langs komen om eens iets over Naplet te vertellen. Nu had ik een leuk appartementje gehuurd in  Leuven, niet ver van mijn opdrachtgever verwijderd. Bovendien was het Mei en de terrassen in Leuven zijn dan zeer aantrekkelijk. Lekker bier en de lunches en diners zijn ook niet te versmaden. Dus maakten we een afspraak voor  volgende week Woensdag op een leuk terras aan de Grote Markt in Leuven, naast het Stadhuis en tegenover de kerk.

Na nog enige biertjes met Mils gedronken te hebben, belde ik een taxi en na een kwartiertje ging ik lichtelijk beschonken naar mijn appartement. Thuis gekomen begon is pas te beseffen, wat ik allemaal gehoord had. Een parallelle wereld, een reis naar een parallelle wereld? Ach het zou wel niet zo’n vaart lopen en met die gedachten soesde ik langzaam in en droomde van vreemde mensen op vreemde planeten, van donkere gaten, waar je met een rotvaart doorheen zoefde en toen niets meer.

 

2.                Naplet

Het in orde maken van de boekhouding van het bedrijf in Leuven verliep betrekkelijk vlot. Er waren goede mensen aanwezig en Belgen luisteren veel beter dan bijvoorbeeld Nederlanders. Die zijn namelijk veel te eigenwijs en te koppig om zaken op de orde te laten komen, vooral de Hollanders. Bovendien werkt de Belgische fiscus ook veel beter mee. In naam zijn ze behoorlijk bureaucratisch, maar er is ook een hoop te regelen. Niet dat ze echt corrupt zijn zoals in de Zuidelijke landen van Europa. Daar verdienen ambtenaren relatief weinig en kunnen ze hier en daar wel een paar steekpenningen gebruiken. Neen, in België zijn ze meegaand als je hen ervan weet overtuigen, dat alles eerlijk verloopt. En dat was in dit geval mogelijk.

Het was Woensdag, een Mei dag met mooi weer en ik verheugde me er al op om Mils weer te ontmoeten. Mijn nieuwsgierigheid was verder toegenomen en ik kon niet wachten hem te ontmoeten. Na het werk naar mijn appartement, even onder de douche en wat relaxte kleren aan, casual zoals de Engelsen zo mooi kunnen zeggen. Een blauwe spijkerbroek, een rood/bruin geblokt overhemd, met daaronder een rood T-shirt, sportsokken en een paar bruine sportschoenen. Dan tegen zevenen de Grote Markt op in Leuven. Het is één van de mooiste pleinen, die er in de wereld bestaan, vooral het stadhuis met al zijn beelden is een plaatje, maar ook de kerk mag er zijn. De zon scheen nog volop, bij een graadje of 20/22 en er waren alleen maar een paar schapenwolkjes aan de lucht te zien. Het was dus mogelijk buiten op een terrasje te zitten om te gaan eten.  Het was weer om met een Kriekje (een kersenbier) te beginnen en te wachten tot Mils zou komen. Na een kwartiertje zag ik hem naderen. Hij was onopvallend gekleed met spijkerbroek, een blauw overhemd met daarover een beige trui met V-hals. Zijn schoenen waren bruin van een klassiek model. Zoals ik hem nu zag, had jij een licht Chineesachtig uiterlijk en een geschatte leeftijd van rond de veertig jaar en zijn lengte was iets minder , dan geldt voor de gemiddelde Europeaan maar voor de rest dus een niet zeer opvallende verschijning. “Hallo Peter, hoe gaat het ermee”, waren zijn eersten woorden en ik antwoordde standaard, dus zei , dat het uitstekend ging. Engelsen vragen ook altijd zoiets, maar als je antwoord, dat het niet zo goed gaat, horen ze het niet. Het antwoord is voor hen niet belangrijk. Het gaat alleen om de vraag als introductie.

  Mils bestelde ook een Kriek en na een kwartiertje bestelden we een maaltijd, beiden een lekkere, grote kogelbiefstuk met patatje en diverse groenten. “Ik ben eigenlijk vegetariër” zei Mils maar niet uit principe. Op Naplet komen namelijk geen zoogdieren voor, wel vele soorten vogels, maar geen zoogdieren. De mens is eigenlijk het enige zoogdier, dat voorkomt en wel in enige variaties, maar daar komen we later wel op terug. Ik werd natuurlijk weer nieuwsgierig en vroeg hem hoe Naplet er uitzag. Hij pakte een A4- velletje uit zijn achterzak van de spijkerbroek, vouwde het open en begon te schetsen. Na een paar minuten toonde hij de schets en ik viel bijna om van verbazing. Ik zag een cilindervormig ding, waar bij hij de naam Naplet had geschreven en nog een paar andere details.  Hoe kan dat nou, hoe kan een planeet cilindervormig zijn? De natuurlijke vorm van een planeet is toch een bol ? Tsja, zei Mils, op de aarde en het aardse heelal gelden bepaalde wetten, maar die natuurwetten zijn niet algemeen genoeg. Ook in het aardse heelal komen cilindervormige hemel lichamen voor, maar die zijn door de geleerden nog niet ontdekt. Bij ons zijn er geleerden, die de natuurwetten wat uitgebreider beschreven hebben en de kans op een cilindervorm voor een hemellichaam schijnt ongeveer 1 op 100 te zijn in de Naplet heelal. Hier is die kans een factor miljoen kleiner, maar toch, ze komen voor.

Ik ga je nu een verhaal over Naplet vertellen na aanleiding van de schets en je moet er niet teveel tussendoor praten. Na afloop kan je allerlei vragen stellen. En dit is het ongelooflijke, maar ware verhaal, wat Mils mij vertelde. Hij gebruikte een wat  Aardse benadering om het niet al te ingewikkeld te maken.

Naplet is een cilindrische planeet, zoals Mils al opmerkte.. De Naplettaners geloven, dat Naplet geschapen is door een God en dat hij  de normale fysische wetten, geldend in het Aardse heelal heeft aangepast om een cilindervorm mogelijk te maken. Natuurlijk geloven ze dat niet in die vorm, want bijna niemand weet, dat er parallelle werelden als de aarde zijn. Die kennis is slechts voorbehouden aan een klein groepje mensen, die tot de elite behoren. Naplet kan in deze vorm eigenlijk niet bestaan, maar ja, wat moeten wij eenvoudige mensen daar aan doen. Goden zijn te machtig om zoiets niet toe te laten. Onze geleerden hebben dan ook Gods wetten bestudeert en daar een beschrijving voor gevonden, die aan alle kinderen vanaf 15 jaar geopenbaard wordt.

Laten we eens naar Naplet kijken vanuit het standpunt van een vogel, die vliegt op 20 km hoogte, dus tweemaal zo hoog als een normaal vliegtuig vliegt. Die vogel ziet eigenlijk maar een half Naplet, want Naplet is geen perfecte cilinder. Naplet heeft een verdikking in het middenrif. Kop en staart van de cilinder zijn 5000 km in diameter, maar in het midden is de cilinder een procent dikker dus 5050 km. Dat lijkt niet veel, maar de uitwerking is zeer groot.

Het is als het ware of er in het middenrif van de cilinder een berg van 25 km hoogte is neergelegd. In de bijgaande figuur is een schets van Naplet gegeven en Mils toonde me

nogmaals de schets, die me zo overdonderd had. Het blijkt, zei Mils verder, dat Naplet 25000 km lang is en dus een diameter heeft van 5000 km. Dat betekent, dat het oppervlak van Naplet maar ongeveer 80% van die van de aarde is.

            De kelner kwam aangelopen, met twee borden heerlijk uitziende biefstukken en bracht daarna nog een aantal schalen en schaaltjes met aardappels en groenten en een paar sausen. We bestelden twee grote dubbele trappist bieren. De Noord-Belgische bieren zijn volgens mij altijd nog de beste, alhoewel in de rest van België ook goeie bieren gemaakt worden. Die Belgische monniken  hebben het brouwen van bier tot een ambachtelijke kunst verheven. Tijdens het eten, schudde ik af en toe mijn kop in de verbazing over een cilindrische planeet in een parallelle wereld. Ik at snel om het vervolg van het verhaal van Mils te horen, maar dat had geen zin. Ik had nog nooit iemand gezien, die zo smikkelde en smulde van een stukje koeienvlees. Mils mocht dan een gedwongen vegetariër zijn, hij was in hart en ziel een vleeseter. Ik schepte voor de 2de keer aardappels en groenten op, maar daar had Mils weinig belangstelling voor. Het ging om het vlees en langzaam en met verrukking op het gezicht  werkte hij de biefstuk naar binnen, samen met het bier. Toen hij de biefstuk verorberd had, liet hij een grote boer en straalde een soort gelukzaligheid uit. Eigenlijk zou ik hier op aarde moeten blijven, maar ja, de opdracht, daar ben ik aan gebonden en daar hebben ze me op getraind om die te volvoeren. Maar na een paar aanloopmoeilijkheden ben ik van de Aarde gaan houden, vooral België met zijn goede eten en drinken. En met mijn diamanten kan ik het hier nog wel een paar jaar zorgenvrij volhouden.

            Ik drong er bij Mils op aan om verder te gaan met zijn verhaal over Naplet en dus nu het vervolgverhaal. Mils vertelde het verdere verhaal in een vorm alsof hij een college gaf aan studenten van een Universiteit of hij het als het ware uit zijn hoofd geleerd had.

 

 

 

 

 

 

 

 

Als de vogel met wat grotere ogen naar Naplet kijkt, dan ziet ze alleen maar land, land, land, met een hoge rand aan de ene kant, die we maar Zuiden noemen en niks aan de andere kant. Het land houd ineens op. Maar toch er is ook water, 50 km brede stromen, die van Zuid naar Noord lopen. De stromen of rivieren zijn niet overal even breed, neen, ze nemen in breedte toe van Zuid naar Noord. Er zijn er wel 15 te zien. Met daartussen parallelle bergjes met een hoogte van 2 tot 5 km, een soort ribbels op het oppervlak. De vogel is slim en denkt meteen: er zullen ook wel 15 van die rivieren aan de andere kant van de cilinder zijn, dus totaal 30 stromen van de bergen naar het niets. Die stromen hebben weer vele zijstroompjes, en weer zijstroompjes enzovoort. En hier en daar is een isoleerde hoeveelheid water, die we maar meren/meertjes zullen noemen. Nergens is er een heel groot water oppervlak, wat Aardlingen een zee noemen. Neen, erg is weinig water oppervlak, naar schatting zo’n 10% van het totaal oppervlak. Naplet heeft niet veel water. Wat de vogel niet ziet is de andere kant van het middenrif. We kunnen de lezer toevertrouwen, dat de Zuidkant van Naplet een zelfde structuur heeft. Alleen bevatten de rivieren minder water, zijn ze smaller en is het water oppervlak amper 5% van het totale oppervlak en de rivieren worden ook niet veel breder naar het Zuiden.

Hoe komt dat, zult U zich afvragen. Nu, dat komt door de zon. Naplet draait om een zon van het Zonnestelsel type. De hoek waarbij, die Naplet met de invallende zonnestralen maakt is 45 graden, d.w.z. de hoek tussen cilinder as en opvallende zonnestralen is 45 graden en die hoek blijft altijd hetzelfde, jaar in, jaar uit. En hoewel eenmaal rond de zon 50 aardjaren duurt, is dat totaal niet van belang. Naplet kent geen seizoenen en dus ook geen jaren. Elke dag is hetzelfde betreffende de zonnestand. Elke dag? Wat is een dag? Op aarde wordt een dag gecreëerd door draaiing van de aardbol om een as, die Noord- en Zuidpool met elkaar verbindt. Naplet draait ook om een as, en wel de cilinder as. Daarom blijft de hoek tussen zon en land oppervlak ook altijd hetzelfde. De omwentelingssnelheid is echter langzaam , ongeveer 100 van onze uren. Naplet heeft dus dagen van een dikke vier Aarddagen en verder niets. Dat is niet helemaal waar en dat is ook het belangrijke van Naplet. Het verschil tussen cilinder en bol is dat een cilinder 2 platte vlakken meer heeft. Boven, in het Noorden en onder, in het Zuiden. Op het bovenvlak, komt dus nooit de zon en is het altijd donker, behalve nabij de rand met het cilinder oppervlak. Je kunt je wel voorstellen, dat het op het Noord vlak brrr is. Het Zuid vlak heeft precies het tegenovergestelde, daar is het altijd puff!! De randen van vlak met cilinder zijn bijzondere gebieden, afwijkend dag/nacht ritme, maar ook de zwaartekracht leeft daar zijn eigen leven. Daar komt nog bij dat Naplet een bijzondere chemische samenstelling heeft. Het cilinder oppervlak bevat geen zware elementen. Calcium is het zwaarste element, dus daar is geen ijzer, geen koper, geen nikkel, geen lood. Die elementen komen echter wel in grote concentratie voor in Naplet, maar alleen gelokaliseerd rond de kern van de cilinder, 1500 km onder het cilinder oppervlak Dat is diep, maar niet bij het Noord- en Zuid vlak. Daar zijn de metalen aan het oppervlak te vinden. Om ze te ontginnen verbrand je echter in het Zuiden en bevries je in het Noorden. Temperaturen zijn van de orde  van + 150 graden Celsius in het Zuiden tot –150 graden in het Noorden. Het bedrijven van mijnbouw is dan een hele klus.

Naplet bestaat dus het 4 gebieden, het Noordelijk cilinder oppervlak, genaamd Rondo en het Rondovlak en het Zuidelijk cilinder oppervlak, genaamd Hostu met het Hostu vlak. We gaan eens kijken wat er zoal op Naplet aan leven rondloopt.

 

De kelner kwam weer langs en ik had na dit eerste stuk van het verhaal wel behoefte aan iets sterks. Het toetje werd overgeslagen en er werd koffie, espresso en een dubbele cognac besteld. Die kon ik wel gebruiken en ook Mils hield van koffie en cognac. Het werd al wel iets donker en wij besloten aan de bar van het restaurant te gaan zitten en Mils ging door met zijn verhaal.

Flora en Fauna, mens en dier, het is allemaal aanwezig op Naplet. De god van Naplet was waarschijnlijk een broer, leerling of leraar van onze God, want de verschillen zijn niet groot. Laten we eerst eens naar het intelligente gedeelte kijken of wat daar voor door gaat. Er zijn mensen, die op Aardse lijken, weliswaar gemiddeld een beetje kleiner (zeg 30 cm) maar toch. De kleur van de mensen varieert van lichtbruin tot donkerbruin gerekend van Noord naar Zuid. Daarnaast is er een soort behaarde mens, die sterk op een gorilla lijkt, maar die toch een zekere intelligentie en vooral technisch inzicht heeft. Deze gorilla mens is iets kleiner dan de standaard mens maar gespierder en de creativiteit is wat geringer. Ze zijn vooral goed in het na-apen, maar dan tot in de perfectie. Verder zijn er geen zoogdieren op Naplet aanwezig. Van deze menssoorten zijn er zo’n 4 miljard aanwezig, voor 80% wonend in Hondo en voor 80% in steden gelokaliseerd aan de zijrivieren. De rest van de mensen zijn eigenlijk een soort boeren, homogeen verdeeld over het land, vooral in de dalen. De standaard mens wordt gemiddeld 6000 dagen oud, de gorilla mens bereikt ongeveer de helft van die leeftijd. Later zou blijken, dat Mils met deze gegevens niet helemaal de waarheid sprak, maar dat wist ik toen nog niet. De levensenergie van beide rassen  is ongeveer hetzelfde, maar de gorilla type mensen leven veel intensiever. Ze doen meer dan ze denken en doen dat ook liever en met meer talent. Ze leven in woongemeenschappen van wel 100 personen, waarbij man, vrouw, kinderen en ouders alles tezamen doen. De vrouwen zijn vruchtbaar, maar dragen tamelijk lang, 50  dagen, in verhouding met hun levensduur. Ze zijn ook tamelijk kort vruchtbaar, zodat per vrouw maximaal 3 tot 4 kinderen geboren kunnen worden. Dat is dus bijna altijd ook het geval. Als ze vruchtbaar zijn, dragen ze ook en wie de vader is, is niet zo belangrijk. De standaard mens woont alleen of misschien samen met zijn vrouw en is strikt monogaam. Die denkt erover na,  of er kinderen moeten komen. De vrouw draagt even lang als bij de gorilla mens, maar is niet altijd “drachtig”. Dat hun aantal in pas blijft met de gorilla mens komt door de 2x zo hoge levensverwachting. De kinderen worden niet bij de ouders opgevoed. Op een leeftijd van 300 dagen gaan ze naar de opvoedcentra. Met 2000 dagen beginnen de seksuele prikkels te komen en worden partners gezocht en begint de levensperiode opnieuw. Over het algemeen wonen de standaard mensen aan de rand van de steden, in kleine huisjes met een tuintje. De gorilla mensen wonen in het centrum in een soort flats, één flat per woongemeenschap. Levensvoorzieningen zijn te vinden tussen de 2 soorten mensen in, in een soort cirkel rond de kern. Daar zijn ook vele ontmoetingspunten gelokaliseerd zoals restaurants, bars en sportvelden en is er altijd een permanente markt voor allerlei type goederen. In dezelfde cirkel is ook de administratie van de stad, zijn er de kerken en de kloosters en zelfs kazernes voor de soldaten, vooral gestuurd vanuit de kerk. De kerk in zijn algemeenheid is de belangrijkste organisatie op Naplet, specifiek op Rondo. Van Hostu weten we heel weinig door de hoge bergen tussen de twee gedeelten van Naplet.  Een gemiddelde stad heeft een populatie van zo’n 200,000 mensen, dus zijn er ongeveer 16,000 steden. Er zijn ongeveer 1000 zijrivieren, dus per rivier ongeveer 16 steden op een afstand van zo’n 30-40 km van elkaar. In Rondo iets dichter bij elkaar, in  Hostu wat verder. Er is een frequent verkeer tussen de steden langs een zijrivier. Dat gaat per watertaxi of per trein, die door grote loopvogels getrokken wordt. Loodrecht op de rivier zijn een aantal wegen. 1 of 2 per stad, waar transport van landbouw/veeteelt producten plaatsvindt. Dat transport gebeurt met een soort treinen over een vast spoor. Van individueel transport is alleen sprake over korte afstand dus in de steden zelf. Deze steden beslaan meestal een oppervlak van 100-200 vierkante kilometer, dus ongeveer 1000-2000 mensen per vierkante kilometer, wat minder dan we op de aarde gewend zijn. De gorilla mensen gebruiken gemiddeld veel minder oppervlak dan de standaard mensen en hebben er ook veel minder behoefte aan. Het zijn veel meer gezelligheidsmensen en binnen hun gebied zijn vele kleine restaurants en cafés. Als een gemiddelde stad een diameter heeft van 12 km, dan wonen de gorilla mensen in een straal van 2.5 km vanaf het middelpunt , meestal maar niet noodzakelijk aan de rivier georiënteerd, dan is er een service gebied van 1 km breed en in de buiten gebied wonen dan de standaard mensen. Service is dan nooit ver weg, minder dan twee-en-een-halve kilometer. Eén zo’n stroomgebied van een rivier kan men vergelijken met een land op de aarde, dus er zijn zo’n 1000 landen. De gebieden langs de hoofdrivier zijn niet strak georganiseerd en zijn in principe niemandsland of land van iedereen. Datzelfde geldt voor de berggebieden parallel aan de hoofdrivieren en waar de meeste zijrivieren ontspringen. Daar zijn de bossen en de woeste gebieden gelegen, echter ook in de gebieden meer dan 100 km van de zijrivier af.  Het is dus moeilijk te reizen van het ene land naar het andere, de bergen over te steken of de rivier over te steken, die gemiddeld wel 50 kilometer breed is. Neen de landen zijn tamelijk geïsoleerd en de makkelijkste reis van een land na het ander is via een boot over de zijrivier, richting hoofdrivier en dan over de hoofdrivier tot de volgende zijrivier enzovoort. Luchtverkeer is onbekend in Naplet.

Een aspect is nogal afwijkend Naplet als men een bolvormige met een cilindervormige planeet bekijkt. Dat is de horizon. Loodrecht op de cilindrische hoofdas is de horizon zeer kort, 2 tot 3 maal zo kort als op de aarde, in de andere richting is er echter geen kromming en dus ook geen horizon. Daarom is het varen over de rivieren ook zo verschillend. De hoofd rivieren parallel aan de cilinder as hebben indrukwekkende vergezichten, terwijl de zijrivieren, loodrecht op de cilinder as, dat niet hebben.

Ja, Naplet wijkt qua geometrie nogal af van de aarde en ook het levensritme is heel verschillend.

            Ik moest dit hele verhaal in me door laten dringen. Een cilindrisch gevormde wereld, twee soorten mensen, een dag, die meer dan een halve week duurde. Net als voor mijn eten duizelde mijn hoofd van al deze vreemde informatie en ik zat natuurlijk met een hoop vragen. Bijvoorbeeld i) Hoe zit de flora en fauna eruit? ii)Wat voor een taal spreken de mensen? Is die ook telepathisch net als bij Mils? iii) Kan ik de lucht ademen  op Naplet? en nog veel meer van dit type vragen. Mils vertelde weer een stukje over Naplet, weer in de vorm van een soort college:

Zoals eerder gezegd leven er op Naplet geen zoogdieren, behalve dan de standaard mens en de gorilla mens. Deze mensen leven ook door het verbranden van voedsel. De mensen eten grotendeels vegetarisch; meelproducten, peulvruchten, groentes en vooral veel fruit. Er wordt ook redelijk veel vis gegeten, vooral in de buurt van water en ook wel vogelvlees. Fruit is een grote leverancier van vloeistof, daar er relatief weinig water op Naplet is met een water oppervlak is maar ongeveer 10% (Op aarde is dat minstens 70%). Het regent echter wel elke dag in Rondo, vooral in de late nacht en bij hert krieken van de dag.

De  fruitsappen worden in verse toestand gedronken, maar in gisten zijn Naplettaners ook een kei. Vele soorten alcoholische dranken komen voor, ook gedestilleerd. Alleen geen kan er qua smaak tippen aan het Belgische bier of de Portugese koffie. Fruit kwekerijen zijn veel belangrijker en groter dan op aarde. Fruitbomen worden niet alleen gekweekt, maar komen ook talrijk in het wild voor, in alle gebieden van Naplet. Dat geldt ook in iets mindere mate voor notenbomen. Naplet wordt ongeveer voor 60% bedekt door bomen en struiken. Dat is ook één van de redenen dat zuurstof en koolzuur gehalte  hoger zijn, beide ongeveer dubbel zo groot dan op de aarde. Een aardmens zal dat hoge zuurstofgehalte wel kunnen appreciëren. Ondanks, dat de atmosferische druk van maar 80% van die van de aarde is, is er dus relatief meer zuurstof in de lucht. Van het koolzuur hebben aardse mensen niet zoveel last, omdat het percentage toch relatief gering blijft.

Voor het verbranden van voedsel is zuurstof nodig, dat, gebonden aan hemoglobine,  door het lichaam van een aardmens getransporteerd wordt. Bij mensen van Naplet is dat anders. Hemoglobine is een zeer zeldzaam molecuul op Naplet ook al omdat ijzer nauwelijks op het Naplet oppervlak voorkomt. Het activeren van zuurstof gebeurt via een compleet ander biochemisch proces, waar we in dit verhaal niet op ingaan. Wel is belangrijk, dat bij dit proces calcium en magnesium een belangrijke rol spelen. En toch weer ijzer en hemoglobine als element en molecuul, maar dan als sporen element. De hemoglobine in één menselijk lichaam is ruim voldoende om tienduizend Naplettaners van hemoglobine te voorzien. Bovendien is menselijk hemoglobine een zeer sterk geneesmiddel om standaard mensen met een  “oxidatie” ziekte te genezen. De “oxidatie” ziekte  komt frequent op Naplet voor vooral bij wat oudere mensen en is te vergelijken met een soort kanker.

En hoe zit het met de taal? Kan ik de Naplettaners verstaan? “Oh, dat is geen enkel probleem” zei Mils overtuigend en misschien optimistisch. Ik kan elke aardbewoner onze vorm van telepathisch communiceren binnen een dag bijbrengen. Dan is het natuurlijk wel even wennen, want Aardmensen zijn gewend hun mond te gebruiken en hun stembanden. Wij Naplettaners hebben alleen rudimenten van stembanden en kunnen nauwelijks geluid voortbrengen. Maar voor een Aardmens is het vreemd om met iemand  te communiceren, die zijn mond niet beweegt. Daarom heb ik dat het afgelopen jaar mijzelf bijgebracht maar volgens mij lijkt het nog niet erg. Hindert niet, de mensen kijken elkaar toch niet goed aan tijdens het praten. Zelfs zangers, die niet life zingen en maar een beetje met de lippen bewegen, vallen niet sterk op bij een optreden op de televisie of zo. Neen, mensen zijn wat dat betreft gemiddeld nogal ongeïnteresseerd.

Er is natuurlijk nog veel meer over Naplet te vertellen, maar dat kan in de loop van onze contacten nog wel geschieden. We moeten toch nog wel redelijk veel voorbereidingen treffen. Jij moet je werk afronden, zodat het niet opvalt, dat je naar Naplet vertrokken bent. Ik moet je de telepathische taal bijbrengen en natuurlijk moeten wij een pakket samenstellen van goederen, die we zullen meenemen. Het “zwarte gat”, die we zullen nemen start namelijk ergens in Portugal, in de buurt van Covilhã in de Serra de Estrela, de hoogste bergketen in Portugal. Het gat is zo’n 1 ½ meter breed en komt uit op het Noordelijk halfrond van Naplet, maar wel ergens in de bergstreek op zo’n 10 km hoogte. Onze reis is dan van de bergstreek naar de Noordelijke rand van het cilinder vlak en het platte vlak en die reis is niet gemakkelijk. Er zal grotendeels gelopen moeten worden en misschien kunnen we nu en dan  de grote Noord-Zuid rivieren gebruiken, maar dat is tamelijk tot zeer gevaarlijk vooral het eerste hoge stuk. Er zijn namelijk vele vis en reptiel soorten, die in die wateren leven en nogal groot en agressief zijn. Bovendien zijn daar ook talrijke bandieten, die de rivieren afstruinen naar eenzame reizigers. De kosten van zo’n boottochtje worden dan ook tamelijk hoog. De meeste vissers en bootbezitters zijn niet bereid  om je over een grotere afstand mee te nemen zonder een hoge vergoeding.

Dus we zullen ook af en toe van stad naar stad moeten reizen en dan over de bergen, die tussen de zijrivieren gesitueerd zijn. Die bergen zijn over het algemeen niet hoger dan 4000 tot 5000 meter, maar ook daar liggen vele angels en klemmen zoals agressieve vogels en grote gebieden met agressieve insecten, vooral mieren en termieten. De laatste zijn gemiddeld wat groter dan op de aarde en de mieren en termieten kolonie kunnen grote oppervlakken bestaan. De reis is ongeveer 15000 km lang en duurt minimaal een aardjaar (een kleine 100 Naplet dagen), maar misschien ook wel 2 aardjaar. Ik heb die reis nog nooit gemaakt. De reis van Naplet naar hier was namelijk veel gemakkelijker. Er is “zwart gat” van de noordelijke rand van Naplet naar de Belgische Eifel en ik hoefde daarvoor op Naplet maar een week te reizen. Maar zoals vorige week al gezegd, de “zwarte gaten”zijn éénrichtingsverkeer.

Als boekhouder had ik natuurlijk het woord duur opgevangen. Geld is mijn professie en dus wilde ik weten, hoe dat zat op Naplet. Hadden ze een ruil maatschappij of bestond er ook zoiets als geld. Inderdaad hebben we geld zei Mils. Op Naplet word metaal gebruikt als geld. De meest voorkomende soorten geld zijn aluminium, koper en nikkel in de vorm van kleine muntjes, ongeveer 1 cm in diameter en 2 millimeter dik. Andere metalen als bijvoorbeeld zilver en goud zijn zeer zeldzaam en niet edele metalen als zink en ijzer corroderen te snel om als betaalmiddel te dienen. De muntjes wegen in de orde van ½ (Aluminium) tot 1 ½ gram (koper en nikkel). De waarde van nikkel is 50 maal die van aluminium en de waarde van koper ongeveer 10 maal. Het is dus zaak veel nikkel en koper muntjes mee naar Naplet te nemen. Hier op Aarde zijn de prijzen van die metalen belachelijk laag t.o.v. die op Naplet. Bijvoorbeeld 1 kilo koper kost hier in de orde van 10-20 Euro ofwel twee kratten bier, op Naplet is dat ongeveer 20.000 tot 30.000 Euro, dus wel zo duur als goud op de aarde. Een koperen muntje van 1 cm bij 2 mm dik vertegenwoordigt dan ook een waarde van minimaal 20 Euro en voor nikkel ligt dat 5 maal zo hoog. Waarom neem je dan niet alleen nikkel mee vroeg ik me af. Nou, zei Mils nikkelen muntjes zijn eigenlijk niet altijd te gebruiken voor de gewone zaken. Het is alsof je in een supermarkt gaat betalen met een briefje van 200 Euro. Die wordt daar gewoonweg niet als betaalmiddel aanvaard. Daar kon ik inkomen. Twintig Euro biljetten zijn tamelijk normaal, maar 100 of 200 Euro biljetten?

Het was al donker en we besloten een bruine kroeg in de binnenstad van Leuven op te zoeken om een gezellig biertje te drinken en verder te praten. Van die kroegjes waren er genoeg zoals uit onze vorige ontmoeting al is gebleken. Dit kroegje was ingericht met een U-vormige bar waaraan ongeveer 10 ouderwetse krukken stonden. Aan één van de tafeltjes zat een jong stelletje een beetje te vrijen en op de hoek van de bar zaten twee jongens, duidelijk homo’s in een druk gesprek. Achter de bar stond een oude buffetkast en een spoelbak voor glazen was niet aanwezig. De kroegbaas zat in een smoezelig rood T-shirtje en een oude spijkerbroek naar onze binnenkomst de kijken. Na 2 dubbele trappist te hebben besteld, hervatten we ons gesprek. Mils, dus we moeten een redelijke hoeveelheid van die koperen en nikkelen muntjes laten maken. De baas van het bedrijf, waar ik de boekhouding voor opknap is nogal een scharrelaar en heeft kennissen in een klein metaalbedrijfje. Daar lijkt me wel wat te regelen. Hoeveel munten zouden we kunnen meenemen? Nu, ik denk maximaal 3 kilo per persoon dus zo’n 1000 koperen en 1000 nikkelen munten per persoon. Er zijn ook andere zaken nodig zoals kleding, warme kleding voor het berggebied want daar is het nogal koud op die hoogte van 10 kilmeter. Daarbij warme slaapzakken en verder wat klimwerktuig en natuurlijk eten. Zelfs in de bergen zijn er veel fruit- en notenbomen, dus lijkt me een vorm van gedroogd vlees wel een goede optie. Je weet, dat ik gek op vlees ben. Daarnaast wat vitamine preparaten en dergelijke. Het lijkt me, dat we niet meer dan 20 kilogram per persoon in een rugzak moeten meenemen. Daarnaast wat messen en ander werktuig aan een gordelriem. Metalen messen zijn natuurlijk heel uitzonderlijk op Naplet, maar kunnen uitermate geschikt zijn tegen eventuele vijandelijke bergmensen. Die behoren tot gorilla ras, zijn tamelijk klein, niet langer dan 1 meter 30, maar redelijk sterk. Het lijkt me aan te bevelen, dat je de komende drie maanden wat fitness gaat doen en een beetje leert omgaan met een mes en met klim materiaal. Sluit je aan bij een Alpine vereniging om de eerste beginselen een beetje te leren. Mijn bedoeling in om in een maand of 5 naar Portugal te gaan, dus in Oktober en dan met de reis te beginnen. Dat leek me een uitstekend idee en we besloten verder onze reis voor het ogenblik met rust te laten.

Na het trappist werden er nog een aantal geprobeerd en ik raakte een beetje aangeschoten. Aan Mils was niks te merken. Hij zag me kijken en glimlachte een beetje. De mond van de Naplettaner was wel geschikt om mee te glimlachen en te lachen. Zij tong was echter veel kleiner dan de tong van de gemiddelde mens. Ze hoefden geen klanken te vormen met de tong. Ja, bij ons op Naplet wordt nogal veel alcohol geconsumeerd. Gisten en alcohol maken, wordt in elk huishouden gedaan en elk huishouden heeft een destilleer apparaat in huis. Dat hoort een beetje bij de standaard uitrusting. Koken en zo wordt op een houtskoolvuur gedaan. Daar hebben we genoeg van.  Het vuurtje wordt gemaakt in een soort open haard zoiets als hier nog in oude boerderijen van een paar honderd jaar geleden te zijn is. Potten en pannen zijn van keramiek en glas gemaakt. De huizen zijn van baksteen, vele soorten baksteen, maar er wordt ook veel met hout gewerkt. Daarmee kun je huizen ook mooi versieren. Houtwerkkunst is de belangrijkste kunst op Naplet. Hoe mooier het huis versierd is, hoe rijker de familie.

Ik besloot naar huis te gaan en maakte een afspraak met Mils voor volgende week Donderdag. Op het ogenblik had het niet zo veel zin om frequenter bij elkaar te komen. Ik zou de ondernemer van het bedrijf vragen of hij de metalen munten voor mij zou kunnen regelen en Mils zou alvast inkopen gaan doen omtrent de overige uitrusting.

Mijmerend liep ik over straat van mijn appartement. De hemel was vrij helder, het was bijna volle maan en de sterren flonkerden. Over 5 maanden zou ik deze sterrenhemel niet meer zien. Hoe zou de sterrenhemel er op Naplet uitzien? Ik opende de deur van mijn appartement en liep de trap op naar de badkamer. Ik kon een frisse douche gebruiken na alle drank, die ik ingenomen had. Na me uitgekleed te hebben, stopte ik de kleren in de wasmachine en deed de wasmachine aan, zodat die lichtjes begon te zingen met een zware bas. Het water uit de douche kop kletterde op mijn hoofd en ik dacht na. Zou ik het wel doen? Natuurlijk moet ik het doen. Zo’n kans krijg je nooit meer, Peter. En de mensen interesseren me toch niet op deze aarde. Ik ben blij, dat ik wegga, ben ik blij? Ik herinner me nog een gedichtje, wat ik ooit heb geschreven, toen ik een opdracht in Ierland had en in een weekendje fijn alleen aan de zee zat. Ik dacht, dat het gedichtje ongeveer zo luidde:

 

Blij

Het water breekt op de rotsen,

Maar de rotsen breken mee.

Het water kan zich opnieuw verzamelen,

Maar de rotsen kunnen dat niet,

Ze hebben niet dat leven, die

Elasticiteit, om mee te geven.

Het water blijft maar zingen en

Spelen als een zeemeermin en krijgt

Nooit genoeg van het rollen en

Tuimelen, van het paren met

Rotsen en kust. Als de rotsen al

Bezweken zijn onder het orgasme

Van water, blijft de meermin

 Dansen en zingen tot het einde der dingen.

 

Dit was één van de schaarse momenten, dat ik gelukkig was er daar waren geen mensen voor nodig. Neen, ik kon deze aarde gerust verlaten en of ik terugkwam kan me geen donder interesseren.. Alleen speelde er ineens een gedachte door mijn hoofd. Waarom zocht Mils iemand om met hem terug te reizen naar Naplet? Wat was de opdracht, die hij had. Waarom moest hij terug naar Naplet? En waren nog zovele vragen en langzaam overmande de slaap me.

1.                De voorbereiding voor de reis naar Naplet

 

De volgende morgen had ik een beetje last van een zwaar hoofd en langzaam herinnerde ik me weer wat de avond tevoren gebeurd was, welk een fantastisch verhaal mij voorgeschoteld was. Had ik dat allemaal echt gehoord, kan dat allemaal waar zijn? Ik had niet veel zin om naar mijn werk te gaan maar Alláh, het moet maar. Nu geloof ik niet in Allah en in één of andere God, zoals de meeste mensen dat doen. Mijn Godsbeeld is heel, héél anders. Ik zal mijn beeld eens nader uitleggen aan de lezer in een aantal punten.

1)      Het begrip God is niet éénduidig en volgens mij zijn er 3 verschillende typen Goden te onderscheiden.

2)      God I (of Goden I) is de god(en) die door de mensen gecreëerd is (zijn). Als vanaf de vroege oudheid hebben mensen Goden gecreëerd. Bekend zijn natuurlijk de Griekse en Romeinse Goden en ook de Goden van de verschillende Germanen stammen. Dit type Goden komt ook in verschillende natuurgodsdiensten voor. Zo gauw er een groep van mensen, zeg enkele honderden tot enkele duizenden, is, die in bepaalde Goden gelooft, dan bestaan ze ook. Deze Goden kunnen weer verdwijnen en vervangen worden door andere Goden zodra er veroveringen plaatsvinden en een nieuw “geloof” ontstaat of opgedwongen wordt (bekéren, zieltjes winnen). Dan gaan de oude Goden van dit type vanzelf dood, want niemand gelooft er meer in. Ze worden een onderdeel van de geschiedenis van de mensen.

3)      De vorige Goden worden dikwijls verkondigd door charismatische mensen zoals Jezus van Nazareth of Mohammed. Zij kunnen door hun persoonlijkheid mensen van nieuwe (of bestaande Goden in een nieuw vestje) overtuigen. Het belangrijkste daarbij is, dat een groep van discipelen of andere aanhangers gevonden wordt, die de nieuwe religie zonder aanzien des persoon en met gevaar voor eigen leven, gaan vertellen aan mensen overal in de wereld. Een zeker fanatisme is daarbij een voorwaarde. 95% van de hedendaagse religies zijn op die manier ontstaan.

4)      Volgens mij is de schepping van de mensen als soort een redelijke mislukking. Mensen zijn niet evenwichtig, streven naar macht, niet om de soort in stand te houden maar als zelfbevrediging. Mensen lijken een experiment van een onvolwassen persoon om ervaring op te doen, vooral om na te gaan wat men verkeerd kan doen. Volgens mij zijn we, de mensen dus een probeersel, een stukje speelgoed van een kindwezen, met superintelligente mogelijkheden, een wezen wat ik Kindgod noem. Als het Kindgodje uitgespeeld is, worden de mensen in de hoek gegooid en aan hun lot overgelaten. Misschien is dat al gebeurd. We moeten er natuurlijk wel van uitgaan dat de tijdschaal waarin we leven, veel korter is dan van het Kindgodje.

5)      De werkelijke God is niet te beschrijven. Het is de God van het heelal, de echte schepper. Voor deze God zijn de mensen “an sich’ niet belangrijk. Deze God “weet” niet dat er mensen bestaan zoals ze bestaan. Het heelal is één geheel. Daarom zullen we deze God ook niet beschrijven, maar er alleen maar in geloven. In de 2 vorige soorten geloof ik niet alhoewel de 2de soort zou kunnen.

 

Het is natuurlijk wel een pessimistisch beeld, wat ik beschrijf, alhoewel ik hier goed mee kan leven. Hoe andere mensen hierover denken, interesseert mij minder.  In discussie met gelovige mensen gebruik ik dan ook oneliners zoals

-    God is voor ons allen, niet alleen voor de kerk of

-    Een kerk is een tempel om God op te sluiten

om mijn standpunt ten aanzien van het geloof duidelijk te maken

 

Deze gedachten vrolijkten me weer op en na een ontbijtje bestaande uit een banaan, een boterham met leverworst en een grote kop karnemelk, stapte in mijn zilverkleurige standaard auto op weg naar het werk. Na al die verhalen van Mils moest ik mij weer concentreren op mijn boekhoudkundige bezigheden. Het bedrijfje, waar ik nu het boekhoudkundige werk voor deed, lag een beetje in de clinch met de belastingdienst en vandaag was er een bijeenkomst tussen de directeur, een belastinginspecteur en mijn persoontje.  Die bijeenkomst zou om 10 uur beginnen en ik was ruim op tijd om me daarop voor te bereiden. Het bedrijfje was leverancier van machines en onderdelen  aan de bierbrouwerij industrie, dus voor België belangrijk ondanks dat het niet al te groot was. De directeur, Herman Luyten, had zo nu en dan vergeten om bepaalde transacties op te geven bij de belasting, omdat hij dacht, dat dat voordeel opleverde. Dat is niet zo. Je moet alles opgeven aan de belasting, maar de vorm waarin is belangrijk. Winst is namelijk een verschil tussen opbrengst en kosten en je moet de kosten zodanig verkopen, dat de belastingdienst het accepteert. Het zijn meestal de kostenposten, die de winst bepalen en niet de omzet. Om tien uur kwamen we in de kleine vergaderruimte bijeen, de genoemde drie personen en de secretaresse van de baas. Na enige, gezellige praterij  begon ik met mijn PowerPoint presentatie omtrent de zaken van de afgelopen 5 jaar binnen dit bedrijfje. Hoe belangrijk is het bedrijfje, welke apparaten en onderdelen aan brouwerijen zijn geleverd, welke geldstromen daarmee gepaard gingen en ook welke posten door wat fouten in de boekhouding waren vergeten bij de opgave naar de belasting toe. Tenslotte vestigde ik de aandacht op de belangrijkheid van het bedrijfje voor de productie van Belgische, waarbij ik ook een paar specifieke biermerken noemde. Ik wist namelijk, dat de belasting inspecteur verzot was op specifiek die bieren, die ik noemde. Je moet je goed voorbereiden. Na enige discussie kwamen we tot de conclusie, dat alsnog een gecorrigeerde opgave van de boekhouding na de belastingdienst zou gaan met een kleine boete voor de foute opgave en daardoor extra werk voor de belastingdienst. Het werd de inspecteur niet verteld, dat de winst door deze correctie zelfs kleiner werd omdat de balans tussen omzet en kosten voor de extra posten negatief uitviel. Maar ja, als de belastingdienst ofwel de belastinginspecteurs maar tevreden zijn en hun eigendunk behouden blijft. Het gaat hun niet om het resultaat voor de staat, maar het resultaat voor henzelf zoals altijd als het om mensen en specifiek ambtenaren gaat.

We spraken af, dat de boeken binnen 3 maanden bij de belastingdienst zouden liggen en specifiek gericht aan deze inspecteur. Dan zou hij wel zorgen, dat de zaak in orde kwam. Zoals gezegd doe ik het cijferen niet zelf. Ik geef aan hoe het cijferen in principe moet gebeuren en de financiële mensen binnen het bedrijf doen de rest. Daardoor had ik niet al te veel werkuren te verrichten in de komende drie maanden en mijn principe, liever lui dan moe, werkte dan ook weer prima. Voorbereden op het juiste moment is het geheim.

Herman Luyten nodigde mij uit voor  een uitgebreide Belgische lunch om het succes te vieren, een warme lunch met een flesje wijn en een cognacje toe, weer bedrijfskosten.

Tijdens de cognac stipte ik aan, dat ik graag een aantal metalen muntjes zocht van een centimeter diameter en een millimeter dikte, zo ongeveer drie kilo koperen en drie kilo nikkelen muntjes. Hij vond mijn vraag nogal vreemd, maar na het succes van deze morgen, stelde hij er geen vragen over en zei, dat dat geen probleem was. Hij had een kennis, een toeleverancier, die over de zuivere metalen beschikte en ook een machine had om de muntjes te maken. Hij zou er voor zorgen, dat over een week of drie die muntjes in mijn bezit waren. Ik blij, hij blij en die middag deed ik niet veel meer. Even praten met de hoofd financiële zaken van Herman z’n bedrijfje en dan lekker naar mijn appartementje. Oh neen, niet zo snel, want ik had slechts een maand of drie om mijn conditie op peil te brengen. De tocht in Naplet zou wel eens erg zwaar kunnen worden en ik moest iets aan mijn conditie doen. Volgens  de Gouden Gids was er een fitness club bij mij in de buurt, zelfs met zwembad, sauna en dergelijke en dus ging ik daar na toe. Ik wilde een abonnement voor 3 maanden met onbeperkte toegang en dat was mogelijk voor de redelijke prijs van 100 Euro in de maand.

Voor sporten zijn kleren nodig, dus even naar de Adidas winkel, of Nike of zo, want dat maakt me niet zoveel uit. Die was er gelukkig in de buurt van de fitness club en daar vroeg ik een aardige juffrouw, wat allemaal zo nodig was om lekker te fitnessen. Schoenen, shirtje, broeken, een trainingspak en zwembroek, de hele santenkraam heb ik maar gekocht. Duur, maar als het nodig is om te sporten en mijn conditie te verhogen, dan is het nodig. En bovendien, de komende jaren zal geld geen enkele rol meer spelen in mijn leven, tenminste geen Euro’s.

Thuis heb ik nog een boterhammetje gegeten, want de lunch was zeer uitgebreid en een 2de keer die dag, daar had ik geen zin in. Mijn favoriet hobby, televisie kijken, werd die avond weer bedreven en om elf uur lag ik in bed.

De volgende dag was mijn eerste fitness dag en om negen uur was ik al in de fitness club. Het werk kon wel wachten. Met 2-3 uurtjes per dag kon ik de zaak wel regelen. Alvorens mijn nieuwe plunje aan te trekken, ging ik op de weegschaal staan. Negenentachtig kilo met mijn 1 meter 85 is wel een beetje veel. Ik moest er voor zorgen, dat ik een kilo of 5-6 lichter werd en een gedeelte van het vet omzette in spieren. Als elke fitness club hadden ze de standaard fietsen, loopbanden, roeiriemen en natuurlijk de gewichten. In gewichten zag ik niet veel. Het ging vooral om de conditie. En met een klein buikje kan je nog een redelijke conditie hebben. Ik denk, dat ik begin met fietsen, zo denkt bijna elke Nederlander en dan misschien een beetje lopen. Na een half uurtje fietsen, redelijk goed, en een half uurtje lopen, redelijk slecht, trok in mijn zwembroek aan en trok een aantal baantjes in het zwembad, zo’n 36 van 25 meter lengte dus toch zo’n 900 meter. Ik ben een redelijk zwemmer en die afstand kostte  me dan ook nauwelijks 20 minuten.

Voldaan naar deze inspanningen ging ik naar de sauna om een beetje te relaxen en naar me te hebben aangekleed op weg naar het werk. Even naar elven zocht ik de hoofdboekhouder, Jan Leysen , op en vroeg Jan, hoe het ging met de gecorrigeerde boekhouding. Hij zat nog met enkele problemen, het klopte hier en daar niet. Ik bestudeerde de zaak even en zag een klein postje van een leverancier, waar misschien iets creatiefs mee gedaan kon worden. Met enig gegoochel met cijfers en schuiven van posten, kon er wel een mouw aan het gat gebreid worden en Jan zag dat ook wel zitten. Binnen twee uur zat de taak er voor die dag weer op.

Na de lunch heb ik een terrasje in Leuven opgezocht, het was een mooie meidag, en zag de meisjes en andere personen flaneren, van links naar rechts voorbij het terras en van rechts naar links voorbij het terras. Dat op het terras zitten en kijken in één van mijn favoriete hobby’s en graag heb ik daar ook een pint bier bij. Dit keer deed ik het met koffie en daarna water, maar naar een uur smaakt dat niet meer en combineerde ik het water met een half flesje witte wijn. Zo goed hoeft de conditie ook weer niet te wezen en bovendien is elke dag een glaasje wijn of twee elke gezond.

Zo bracht ik de dagen door, een beetje werken, een beetje relaxen en zowaar elke dag twee uurtjes conditie opbouwen. Ik kreeg daar zelfs een beetje lol in. Het fietsen verbeterde, het zwemmen verbeterde en ook het lopen een klein beetje. En het gewicht was na 3-4 dagen trainen al een twee kilo minder. Misschien was daar mijn aangepaste drinkgewoonte ook wel een beetje debet aan. Vanavond zou ik weer met Mils praten. Hij wilde mij het gedachte spreken bijbrengen en ik was benieuwd hoe dat ging en dat voelde. We hadden weer afgesproken in één van de leuke cafeetjes in Leuven en relaxed liep ik of een drafje daar naar toe. Fitnessen hielp inderdaad en toen ik binnenkwam zat Mils al aan de bar met zijn geliefde Corsendonck. Hij was verbaasd, dat ik een koffie nam met een glas water.   Ja Mils, voor 15000 km lopen  heb je wel enige conditie nodig en ik doe nu elke dag aan fitness en beperk me een beetje met de hoeveelheid alcohol. Daar kon hij wel inkomen, maar zei hij: “Naplettaners hebben in principe een goede conditie en hoeven niet zo nodig conditie op te bouwen”. Ik begreep het principe niet, maar zei er verder niets over. Misschien hadden ze een één of ander lichamelijke afwijking, waardoor lopen makkelijker ging of zo. Na een half uurtje nam ik ook maar mijn eerste bier. Het was zo ongezellig drinken alleen voor hem en ik vond dat wel een goed argument. Nu Mils, wanneer leer je mij het gedachte praten? Nou laten we dadelijk maar beginnen. Hij keek me nogal vreemd aan en het leek of hij mij in een soort trance bracht. Ik hoopte niet, dat alle Naplettaners dat kunnen, want dan heb ik daar weinig te zoeken, kom ik geen stap vooruit. Hij merkte die gedachte niet op , wat me geruststelde. Dat gedachte praten schijnt éénrichtingsverkeer te zijn, net als met de zwarte gaten. Mils mompelde wat tegen mij, wat ik verstond als: “Denk eens aan iets belangrijks in je leven”. Ik ging terug in mijn gedachten naar het verkeersongeluk van mijn ouders. Ik hoor niets, zei Mils doe het nog een keer. Ik nam die gedachten diep in mij op en probeerde het als het ware naar Mils te zenden. Ik had het rare gevoel, dat ik ook iets uitzond, alsof ik voor een microfoon in een radio programma zat. He, zei Mils , ik vang iets op over de dood van jouw ouders. Zijn praten in mijn hoofd was ondertussen zo gewoon, dat ik niet meer op zijn lippen lette en het beschouwde als normaal praten en niet als gedachte praten. Zend nog eens andere gedachten uit. Door mijn semi-trance begon ik met zenden over het weeshuis en daarna over mijn adoptie ouders in Nederland. Je hebt veel talent: zei Mils, ik heb het ook eens geprobeerd bij mijn advocaat, maar die reageerde niet zo snel. Ik geloof, dat je een aardige denker ben met vele creatieve ideeën. Ik geloof, dat hij mij goed door had. Doordat ik veel alleen ben, heb ik vele fantasieën, die ik in mijn hoofd uitwerk en dan in de praktijk toepas, maar soms ook niet. Die toepassing geldt natuurlijk voor mijn werk, maar ook voor seksuele belevingen en  vakantie reizen kun je je fantasieën gebruiken. Wat denk je, dat ik tijdens het terras zitten doe!

Ik voelde de trance afnemen. Het leek of dat Mils me losliet. Probeer het nog een keer, zei hij. En ik vertelde/zond hem de gedachten van mijn terras fantasieën toe. Ik hoor je heel zwak zei hij, maar het gaat over het terras zitten en zo en hij lachte. Ik ben niet bang me over deze dingen bloot te geven. Iedereen mag het weten en ik denk, dat elke terraszitter zo zijn eigen fantasieën heeft. 

Ik probeerde nu een tijdje met hem op die manier te praten en had het gevoel uit zijn antwoorden, dat hij mij verstond. Ik was hogelijk verbaasd, dat het zo gemakkelijk ging. Net of hij mij een klein duwtje gaf en poef, viel het muntje in het gleufje. Kan ik ook met andere mensen gedachte praten. Oh, zei Mils, ik denk van wel, maar zolang het in Nederlands of Engels is, hoef je het niet te doen. Het valt dan alleen maar op en je moet je praten natuurlijk ook blijven oefenen. Ik stond ineens perplex van de mogelijkheden, die gedachte praten hier op aarde zouden hebben. Kan ik praten met elke Chinees of Japanner. Hoef ik in de Zuidelijke landen geen talen meer te leren om een praatje te maken aan de bar. Mils reageerde niet op die gedachten. Hij verstond alleen maar dingen als ik een duidelijk zend labeltje aan mijn gedachten plakte. Dus nogmaals, het was alleen maar gedachte praten en geen gedacht lezen, deze kunst. Ik vroeg Mils daarover en hij zei, dat gedachtelezen ook bestond, maar dat dat veel moeilijker was en veel oefening beduidde. Hij gaf ook les in gedachtelezen, maar probeerde dat op de aarde niet toe te passen. Wel een beetje manipulatie van gedachten op zaken voor elkaar te krijgen, maar echt gedachten lezen, neen, dat is niet kies. Bovendien kon je daar een blokkade op leggen, maar dat weten de aardmensen niet.

We keuvelden een eindje door met gedachten praten en de mensen in het café moeten wel gedacht hebben, wat een stil stelletje daar of misschien wel andere gedachten, maar die kon ik dus niet lezen. Mils vertelde me, dat hij ondertussen al een paar inkopen had gedaan. He had vooral naar de messen gekeken, verzot als alle Naplettaners waren op metalen voorwerpen. Hij liet me 2 typen messen zien. Het waren beide klapmessen. Het ene was een 20 cm lang klapmes met een houten handgreep, dat naar de hand gevormd was. Het leek me van hoge kwaliteit. Zo’n mes wordt speciaal voor een cliënt gemaakt, zei hij. Ik heb ook een kleitabletje om ook van jouw hand een afdruk te maken om een dergelijk mes te fabriceren. Het pakte zijn rugzakje,  haalde er een doos uit, opende de doos en ik zag een groengelige massa, die een beetje blonk in het diffuse licht van het café. Als je hier je goede hand in drukt, dan breng ik die afdruk naar de leverancier van deze mensen en krijg je een handgemaakt klapmes. Waarom klapmessen vroeg ik. Voor Mils was de belangrijkste reden, dat de mensen op Naplet die niet konden herkennen als metalen messen. Voor hen was het een stukje mooi gevormd hout, dat als een soort amulet diende. Een metalen mes zou je meteen aanduiden als zeer rijk en zeer gevaarlijk en dan was het moeilijk om met Naplettaners iets te regelen, misschien ook wel gevaarlijk, als je struik- of rivierrovers tegen kwam. Mils toonde me nog een 2de mes en dat kwam me zeer bekend voor, namelijk een rood mes met een wit kruis, een Zwitsers legermes. Ik voelde in mijn broekzak en liet hem eenzelfde soort mes zien. Vanaf mijn vroege jeugd bezat ik zo’n mes. In mijn broekwas was altijd mijn portemonnee rechts en het mes, een kammetje en de zakdoek links. Zijn mes had nogal veel functies, zeer handig voor allerlei dingen, maar wat zwaar in de broekzak. Als je het aan een gordelriem hing was het misschien gemakkelijker. Beide messen bevielen me bijzonder en ik zei Mils, dat hij een goede neus had voor metalen voorwerpen voor iemand, die nauwelijks met metaal in aanraking kwam. Ander zaken had hij nog niet gekocht.

Bij mijn 3de biertje en mijn laatste voor die avond bracht een thema aan de orde, dat voor ons de hele reis aan de orde kwam namelijk geloof en God(sdienst). Mijn standpunt heb ik de lezer al bij het ontbijt geschetst. Ik geloof in de verte in een God maar niet in Godsdienst en religie. Mils kwam met een verassend antwoord. Godsdienst en God is heel belangrijk op Naplet. Bijna alle mensen geloven in een God. Wel is er enig verschil in de verkondiger van de God afhankelijk waar je op Naplet bent. Er zijn al in Rondo ongeveer 500 landen en de contacten tussen de landen zijn niet heel groot door de geïsoleerde ligging. Echter in Rondo is er een verkondiger voor zeker 350-400 landen en daar wordt sterk aan gehouden. De rijke priesters, die op de Noordrand wonen, houden de boel sterk in de gaten. Er is ook een soort religie politie in de meeste landen, die erop letten, dat de godsdienstregels strikt in acht genomen worden. Hij was ook zeer verbaasd geweest, dat het zo’n rotzooitje met godsdiensten en religies op de aarde was. Dat kwam op Naplet niet voor. Er waren ook nooit godsdienst oorlogen geweest. Wel hier en daar een beetje gerommel, maar niet echt vechten. Alleen de berglanden hadden hun eigen religie met eigen verkondigers, maar die woonden nog eenzamer dan de overige mensen op Naplet. Van Hostu wist hij niks te vertellen. Daar waren nauwelijks Rondoërs geweest. De bergen op het middenrif waren te hoog en er waren geen vliegmachines. Bovendien was het daar gemiddeld toch te warm. De gegevens, die hij in het begin verteld had, waren dan ook alleen maar schattingen.

Ik krabde eens achter mijn oren. Ik had gedacht, dat Naplet een moderne planeet was, ook vanwege hun gedachte spreken. Maar wat de Godsdienst betreft leefden ze nog in de Middeleeuwen. . Het leek wel of Augustinus en Albertus Magnus of Thomas van Aquino aan het woord waren, de mensen, die de regels van het katholiek christelijk geloof in banen hadden geleid. En die Godsdienst politie leek een soort voorloper van de inquisitie. Nou daar was nog wel het enige aan filosofisch denken nodig. Zijn er dan geen mensen, die andere gedachten over geloof en religie hebben?: vroeg ik Mils. Hij keek een beetje minzaam en antwoordde: ‘Naplet is de aarde niet’. Hier kon ik op het moment niets over zeggen. Maar het borrelde een beetje in mij. Ik ben dan wel geen fanatiek gelovige en ook niet religieus, maar ik hou van mijn vrijheid in alle aspecten van mijn leven en ik laat me niet een wet voorschrijven, die me tegen de haren instrijkt. Zo eindigde het gesprek van deze avond en wij besloten elke week zo’n bijeenkomst te houden tot aan het begin van onze reis.

Ik verliet het café om lopend naar mijn appartement te gaan. Het was een beetje druilerig geworden. De late Mei regen druppelde op mijn hoofd. Mijn stemming was een beetje somber door de opmerkingen van Mils over de Godsdienst en religie op Naplet. Er was natuurlijk een soort conservatieve staatsgodsdienst alhoewel er vele staten waren. Ik had het gevoel dat de kerk de touwtjes in handen hield en dat Mils een belangrijke functie binnen die kerk had, of misschien wel bij de kerk politie. Bij zulke conservatieve ideeën zullen er ook wel mensen zijn, die hiertegen in opstand komen, maar Mils had dat ontkent. Over Hostu wist die heel weinig en deed er een beetje kleinerend over, net zoals de Noordelingen op aarde een beetje kleinerend over de Zuiderlingen deden  vooral wat betreft Afrika. Al mijmerend had ik mijn appartement bereikt en nam nog een lekkere cognac voor het slapen gaan. In bed dacht ik nog een beetje na omtrent de kerkelijke filosofie in Naplet vergeleken met de Aarde. Had Naplet en soort Aristoteles gehad, die de filosofie van christelijke kerk vooral in de Middeleeuwen tijdens de scholastische periode sterk beïnvloed had. Waren er equivalenten geweest van Confusius of  de Brahmanen. Hoe lang bestond de Naplettaner beschaving al en hoe ver waren de met de geestelijke en technologische ontwikkeling. Het laatste leek me een beetje minder dan op aarde vanwege het gebrek aan of de moeilijke bereikbaarheid van de 3d- metalen , zoals nikkel , ijzer, koper, chroom, mangaan en nog een paar. Met die metalen was de technologie van de aarde gebouwd. Ik heb nog eens een avondcursus op het gebied van materiaalkunde gevolgd. Handig maar voor mijn beroep eigenlijk overbodig. En op het ogenblik natuurlijk met silicium,  gemaakt van zand, de grondstof voor de computer chips. Maar ook in dat geval had je metaal nodig, bijvoorbeeld goud draadjes om de verbindingen tussen alle componenten op de chips te maken. En met die gedachten viel ik in slaap.

Het was een mooie zomer geworden in België. Lekker warm en veel zon en dat maakte het terras zitten zeer aangenaam met al die vrouwen in korte rokjes en vrolijke gezichten. Ik voelde me goed en gezond ook al omdat ik de laatste 3 maanden zowat elke dag naar de fitness club was geweest. Het fietsen ging zeer goed, ik zwom als de beste en zelfs hardlopen ging gedurende een half uur minimaal in een tempo van 12-13 kilometer per uur. Tijdens de Cooper test kwam ik zelfs aan 2900 meter in de 12 minuten, niet slecht voor een veertig plusser.

Het werk was bijna klaar en volgende week kon het financiële verslag naar de belastingdienst. Ondanks de extra opgave van inkomsten uit leveringen van machines aan een paar brouwerijen, was de winst gedaald met bijna een half miljoen Euro en dus een belastingvoordeel van meer dan 100.000  Euro. Herman Luyten  was daarom zeer content met mij en ik kreeg een bonus van 30.000 Euro boven op mijn contract geld van 70,000 Euro. Niet slecht voor ruim 4 maanden werken, maar in principe had ik weinig aan het geld, alhoewel ik toch iets aan mijn huis in het Zuiden moest doen. Ik had daarom een gezinnetje ingehuurd, die mijn huis zou onderhouden zolang ik afwezig was. Ik had gezegd, dat dat wel enige jaren kon duren en dat ze tijdens die periode het huis wel konden verhuren. De huuropbrengst mochten ze dan in hun eigen zak steken en ze kregen nog een kleine bonus van 5000 Euro voor de extra kosten. Dat was tenminste ook geregeld. Als ik dan eventueel terug mocht komen, was mijn bedje gedekt.

De contacten met Mils waren regelmatig maar een beetje formeel. Naar het gesprek, 3 maanden geleden, over Godsdienst en religie, hebben we dat onderwerp een beetje vermeden maar ik wilde er toch weer over doorgaan. De twee rugzakken met bagage waren nu compleet. De man ongeveer 20 kilo wat wel een maximum voor ons is om te dragen. Daarnaast hebben we nog een tas met warme kleding. We komen op Naplet aan de noordkant van de 25 kilometer hoge bergen. De hoogte waar we zullen starten is ongeveer 10 kilometer, hoger dan de hoogste berg op aarde. Mils heeft de datum zo gepland dat we aankomen tijdens de dag. Die dag is in de bergen wat korter dan op de laagvlakte t.g.v. de schaduw van de bergflanken. We hebben dan ongeveer twee aarddagen dag en dan begint de schemering overgaand in de nacht. De dagtemperatuur kan wel 10 of 15 graden Celsius zijn, maar die temperatuur daalt tot wel -20 graden Celsius in de nacht, dus hartstikke koud. De bergmensen in Naplet zijn de kou gewend en dragen kleding geweven van plantaardige vezels. Ook schoenen zijn van dat materiaal gemaakt. Mils stelde voor om een onderkleding te gebruiken van wol en kunststofvezel met daarover schippertruien en een dikke bontjas. Allemaal dierlijke kleding natuurlijk, kleding, die op Naplet niet voorkwam. Voor mij was het een beetje overdreven, maar Mils was gek op vlees maar ook op de huiden van de dieren, dus ook leren laarzen van driekwart hoogte en een brede leren riem met verschillende zakjes aangehaakt voor de messen en een paar andere voorwerpen. Ik vond het allemaal wel goed, ik voelde me goed en ik had er zin in. Naast het werk en de fitness club had ik de laatste tijd geen intensieve contacten met andere mensen gehad. Tijdens de reis op Naplet zou dat wel eens kunnen veranderen. Woensdag 27 September zouden we met de trein naar Brussel en dan naar Madrid vertrekken. Dan de nachttrein van Madrid naar Lissabon . In Abrantas zouden we uitstappen en de trein nemen naar Covilhã. Vanaf Covilhã was het nog een half uurtje met een lokale bus en dan nog een uur of twee lopen, de Serra de Estrela in.  Hij had een nauwkeurige voorstelling van het zwarte gat en het was waarschijnlijk niet moeilijk te vinden. De lokale bevolking zou die plek kennen en mijden, want daar groeide weinig en verdwenen van allerlei dingen, een soort heksenkring. Dus over 4 weken is het zover.

 

Ik heb mijn bankzaken geregeld, mijn geld op een beleggingsrekening gezet, behalve een bedrag van ongeveer 60.000 Euro, wat voor het gezinnetje, die mijn huis onderhield, was. Ik had een testament gemaakt, nou ja, ik had niemand. Dus heb ik alles vermaakt aan hetzelfde gezinnetje en wel zodanig, dat ze over 15 jaar eigenaar werden van het huis en het geld. Het maakt me verder niet uit waar het blijft als het maar niet bij de bank verpietert. Ik ben tenslotte boekhouder. Ik heb nog wat dingetjes in mijn rugzak gestopt, een paar aanstekers en wat veiligheidspelden en nog een paar kleine dingetjes van metaal. Ik weet niet waarom, maar je kan nooit weten en ze nemen niet veel ruimte in.

We staan op het station in Leuven richting Brussel. De rukzakken zijn aardig zwaar en de extra tas is moeilijk mee te nemen, maar het gaat We hebben al een treinkaartje tot aan Abrantas. Voor de lokale trein in Portugal kunnen we wel een kaartje aan het loket kopen. De reis duurt wel twee dagen en we hebben een overnachting in Covilhã gepland om wat uit te rusten. Ik heb een paar pockets meegenomen om te lezen. Een boek van Paul Deussen:Algemeine Geschichte der Philosophie mit  besondere Berücksichtigung der religionen. Het is een boek, dat ik in het Duits lees en het is een standaardwerk in zijn soort. Daar ben ik nog wel even zoet mee. Ik heb ook een boekje over Plato, zijn verzameld werk, en over Confusius en verder een leeg dik schrift, was als dagboek kan dienen. Mils zal wel niet zo goed kunnen lezen. Daar hebben Naplettaners niet zo’n behoefte aan. Eenmaal in de trein van Brussel naar Madrid vraag ik hem daarover. We hebben wel geschreven teksten op Naplet en ook wel een aantal boeken. Natuurlijk heeft iedereen een “Bijbel” in huis en dan zijn er een aantal technische boeken over textiel, hout en landbouw, fruitteelt en dergelijke. Het verschijnsel roman komt wel voor op Naplet, maar er zijn weinig romanschrijvers, omdat niet veel mensen goed kunnen lezen of schrijven. De gorilla mensen hebben hun technisch boeken met veel figuren en weinig tekst, een soort stripverhaal. Sommige standaard mensen lezen wel een roman, meestal een liefdesverhaal en er zijn ook mensen, die gedichten schrijven lezen. Over het algemeen wordt er minder gelezen dan op de aarde. Het belangrijkste schriftuur is de krant. Elke plaats heeft zo zijn krant met nieuws en nieuwtjes omtrent de dagelijkse gang van zaken en de mededelingen van de kerk. Een nationale regering van de verschillende landen bestaat wel, maar die zorgt alleen voor verkeer tussen de steden en houdt de veiligheid een beetje in de gaten. Er is een lokale en een landelijke belasting op het inkomen, maar dat is maar een paar procent. Regeringen zijn beperkt en de ambtenarij ook.

De reis liep voorspoedig tot aan Madrid. In Madrid hadden we vier uur wachttijd, genoeg tijd om een lekkere Spaans maaltijd naar binnen te werken. Mils wilde natuurlijk weer een biefstuk en ik iets visachtigs in de vorm van een paella. Daarbij natuurlijk een lekkere, sterke Rioja wijn en na afloop een  ijsje en daarna een sterke koffie met een Spaanse brandy. Al met al waren we daar wel een paar uurtjes mee zoet.

Na afloop van de maaltijd begon ik weer over de religie op Naplet en Rondo in het bijzonder. Mils vertelde me dat alle gorilla kinderen vanaf  4 jaar naar de scholen gaan. Ze leren het eerste jaar de bijbel en leren daarbij stukken uit het hoofd. Daarna gaat bijbelles door en worden die kinderen op hun technische talenten getest. Zijn ze goed in houtbewerking, gaan ze vooral in de richting van de bouw of zijn ze meer geschikt om op het land te werken of te vissen in de rivieren en meertjes. Ook natuurlijk in de detailhandel en vervoer van producten. Die zaken moeten verkocht worden. Dat zijn de beroepen, die ze over het algemeen uitoefenen. In enkele gaat nog wel in de medische verzorging of treden op als huishoudster bij de standaard mensen. Dat zijn dan vooral de meisjes. De standaard kinderen gaan al naar 300 dagen naar een soort kleuterschool waar ze de hele week verblijven. In de weekenden zien ze dan de ouders, maar soms ook helemaal niet. Dan krijgen ze een gedegen opleiding in religie. Een aantal van hen gaat daarin door en wordt priester en filosoof, maar een groot aantal gaat ook in de vervaardiging van producten als textiel , schoenen enzovoort. We hebben ook een bankwezen om het geldstromen in goede banen te leiden en natuurlijk is er wat ambtenarij en bestuur. Nou, dat was niet de vraag, zei ik, ik wil het meer in detail over religie, God en filosofie hebben. Nou God, Godsdienst en filosofie zijn sterk aan elkaar gekoppeld, antwoordde Mils nog eens. Hij begreep niet, dat filosofie en religie niet direct met elkaar te maken hoeven hebben. Ik ben eens in de vroegere DDR (Oost-Duitsland) geweest en daar was het communisme (eigen socialisme) ook de enige Godsdienst en filosofie. Wat Marx (Engels) en Lenin gezegd hadden, was waar, een waarheid als een koe, en binnen dat model deed je aan filosofie. Daarbuiten bestond er geen filosofie en zo reageerde Mils ook. Het is een centralistisch bestuurt systeem zonder commentaar op het systeem zelf. Ik vroeg: “Zijn er dan geen mensen, die iets anders willen dan deze Godsdienst?” Ja, die zijn er misschien wel antwoordde Mils, maar die worden weer op het rechte pad gebracht. Onder de struikrovers en rivierrovers zijn misschien ook wel van die personen, maar die hebben zichzelf buiten de maatschappelijke structuur geplaatst.

Na dit gesprek was het tijd om de trein te pakken richting Lissabon. Het was een nachttrein en we hadden twee slaapplaatsen. Naar een uur of vijf gedoezeld te hebben, kwamen we in de buurt van Abrantas , kleden ons aan en stapten uit. De trein na Covilhã vertrok vrij spoedig daarna. Het was een mooie tocht langs Castelo Branco naar Covilhã door een bergachtig landschap. De bergtoppen trilden in de warme zomerlucht met hier en daar een sluier bewolking, maar overwegend felle zon. Het bruine landschap met hier en daar groene, rode en gele vlekken blonk je tegemoet en de roodblauw en witte dorpjes waren als parels in het landschap gelegd. De treinreis duurde maar 1 ½ uur, maar was toch het mooiste van de reis tot nu toe. Het stationnetje van Covilhã was hoofdzakelijk rood en wit en van het perron kon je een hotelletje zien waar we besloten om te overnachten. Het was een ouderwets hotelletje met gammele, maar toch redelijk liggende bedden en een badkamer met toilet en douche, meer dan genoeg voor ons. Morgen zou het wel moeilijker worden om te overnachten. Die middag verkenden we het dorpje op zoek naar een restaurant en de bushalte, die ons in de bergen zou brengen. Natuurlijk vertrekken bussen vanaf het station en ik vroeg een buschauffeur in gebrekkig Portugees en met behulp van een beetje gedachte praten waar en wanneer een bus richting Seia vertrok. Dat was de volgende morgen om 10.15 vanaf het station. Daarna hebben we een gezellig Portugees café opgezocht, zo één waar de plaatselijke mannelijke bevolking de hele dag bivakkeert en praat en praat en een koffietje drinkt. Mijn ervaring is, dat het Portugese bier ook niet slecht is, Sagres of Superbock, en zo brachten we de hete middag door.

De douche in het hotel deed het warempel nog ook en om 8 uur gingen we in een lokaal restaurant om voor het laatst op deze aardkloot eten, tenminste de volgende jaren zouden we hier niet verblijven. Portugezen eten goed, maar eenvoudig, met een fles water en een stevige fles wijn. Ze schonken Alentejo wijn uit de Borba streek en dat is volgens mijn ervaring één van de lekkerste wijnen van Portugal. Rundvlees is niet zo in in Portugal, veel meer vis en zeevruchten en in de bergen lam, geit en dergelijke. Ik natuurlijk weer een mengsel van vis en zeevruchten. Het leek sterk op een Arroz de Marisco, één van de traditionele gerechten van Portugal. Mils nam een lamsbout, die er smakelijk doch een beetje vet uitzag. Vetdruppels kwamen op zijn kin terecht, maar dat deed er niet toe. De koffie in Portugal is de lekkerste die er is en met een plaatselijke Brandy zakte ik met een voldaan gevoel achterover. Het was een soort galgenmaaltijd, maar dat interesseerde me op dat moment niet. Een beetje aangeschoten van de vele wijn en borrels liep ik naar het hotel en Mils zacht zingend in mijn hoofd, achter mij aan.

De slaap had me snel in z’n greep en ik droomde van zwarte gaten en hoge bergen met sneeuw en bergbeekjes. Om half acht schrok ik wakker en herinnerde me vagelijk waar ik was. Vandaag zou het grote moment zijn. Vandaag zouden we naar Naplet reizen. Ik maakte van het toilet gebruik en stapte onder de douche, niet al te warm en lekker verfrissend. Ik hoorde kloppen aan de deur. Dat was natuurlijk Mils, die ook op tijd op was. Ik riep vanonder de douche, dat ik met 20 minuten bij het ontbijt zou zijn. Lekker opgefrist trok ik het speciale ondergoed aan, voor de koude, die we aan de andere kant van het zwarte gat zouden krijgen. Het was wel erg voor Portugal midden in de zomer, maar het moest. De warme jassen en de gordels zaten in de weekendtas, die we bij het zwarte gat zouden achterlaten.

Om half negen zat ik samen met Mils het eenvoudige Portugese ontbijt te nuttigen. Wat broodjes met zoetigheid en koffie met melk, bijna een gelijk ontbijt als in Frankrijk. We kregen echter wat fruit, een perzik en een appel, natuurlijk vers van de lokale boomgaard. Om half tien betaalden we het hotel, een slordige 20 Euro per persoon en liepen met onze bagage richting bushalte, een wandeling van nog geen tien minuten. We waren te vroeg en bij het station is altijd een cafeetje, waar een bica (expresso) gedronken kan worden. We waren beiden stil en een beetje ingetogen, denkende aan wat zou komen.  De bus was wonderlijk op tijd en niet al te vol zodat wij onze bagage goed konden onderbrengen in de bus. Vanaf Covilhã ging het langzaam omhoog richting de hoogste berg in  Portugal, de Torre, zo’n kleine 2000 meter hoog. Dat was ook ons uitstappunt. De bustocht verliep traag, zoals de hoort bij de opkomende warmte van de middag. De weg kronkelde een beetje, met hier en daar mooie vergezichten en een droge, uitgesleten rivierbedding. Op de Torre zelf staan een paar gebouwen en een zuil om het hoogste punt precies 2000 meter te maken. We stapten uit, deden de rugzakken om en  ik pakte de weekendtas met warme kleren. Mils oriënteerde zich met een kompas en sloeg vanaf de berg een lichtdalend voetpad in. Na 500 meter was er geen mens meer te zien, alhoewel het hier aangenaam was om te wandelen. De route naar het zwarte gat was eigenlijk tamelijk bekend alhoewel de mensen niet wisten, wat op die plaats echt gebeurde. De lokale bevolking mijdde die plek omdat het er zou spoken. Toeristen werd ook afgeraden om er na toe gaan, maar een enkele keer verdween er wel een verdwaald schaap en er gingen verhalen, dat er de laatste 10 jaar ook twee mensen verdwenen waren. En nu gingen wij daar ook verdwijnen.

Ik zag de aarde tijdens de voettocht op zijn mooist. Het was er nog groen met weinig bomen, maar wel struiken en een zee van bloemen en planten. Er was zelfs een klein beekje waar nog enig water in stroomde. Ik voelde me gelukkig en nieuwsgierig tegelijk. Ik had geen berouw, dat ik over een uur van de aarde zou verdwijnen en misschien, waarschijnlijk nooit terugkwam. Na een uurtje werd de begroeiing wat minder en werd kale rots zichtbaar. Deze omgeving ademde plotseling een meer vijandige sfeer uit. Er waren ook geen vogels meer, die luid zaten te zingen en zelfs de mieren schenen deze plaats te mijden. In de verte zag ik een soort overhangende rots. Mils wees met zijn vinger. Daar is het zwarte gat, ongeveer 20 meter vanaf de punt van de overhangende rots, daar waar verder niets meer is. Ik zag alleen een rotsvloer en zelfs geen los zand, humus en dergelijke onder de rots. Hoe gaan we dit aanpakken? Vroeg ik Mils. Nu voor die rots trekken we onze warme kleding aan en lopen dan langzaam in de richting van het zwarte gat. Als je op een meter of drie afstand bent, voel je een zuigkracht en je moet je dan maar laten drijven. Dan gaat het heel snel en voor je het weet ben je aan de overkant in Naplet. Misschien ben je een paar seconden bewusteloos, tenminste, dat was mijn ervaring, toen ik op de aarde aankwam, maar voor de rest stelt het niets.

Mijn adem stokte een beetje toen ik de weekendtas uitpakte en Mils zijn warme kleren en gordel gaf. Ik trok mijn jas aan, erg warm en deed de gordel om met de twee messen, een de gebruiksvoorwerpen inclusief een waterbus, die we meegenomen hadden. De tas legde ik net om de hoek van de overhangende rots in de grote. Mils pakte mijn hand en langzaam liepen we voorruit. Het was zeer donker en een heel vreemde sfeer. Ik hoorde nu een zacht soort ruizen, net alsof Naplet zei, “Hier ben ik, kom maar in mijn schoot”. En dan een sterke ruk, net alsof Mils mij aan de arm trok en dan NIETS MEER.

4.      Naplet En Natasha

 

            Wij ploften in een helverlichte grot en ik stootte mijn hoofd aan een uitstekende steen vlak boven mijn hoofd. Ik was daardoor een paar seconden buitenwesten en had een flinke bult op mijn kop toen ik snel weer wakker werd. Mils stond over mij heen gebogen met een beetje angst in de ogen. Hoe gaat het, vroeg hij. Een beetje hoofdpijn  zei ik maar verder Ok, terwijl ik aan de bult op mijn kop voelde. Ik lag op een soort zacht mos met een donzen bedje van sneeuw. Ik voelde me licht. De zwaartekracht trok niet zo aan mij en ik dacht me te herinneren, dat die ook maar ongeveer 0,8 maal van die van de aarde was. Het ademen ging gemakkelijk alhoewel de lucht een beetje stonk naar rottende bladeren. Waarschijnlijk waren hier in de atmosfeer een paar andere moleculen aanwezig dan op de aarde. Het licht in de grot was opmerkelijk. Er was geen bron te zien, waar het licht vandaan kwam. Misschien kwam het licht wel van de aarde, zoals we een pulsar zien in het aards heelal, een omgekeerde tunnel als waar we nu door “gevallen”zijn. De grot was niet hoog, misschien twee meter en leek ook niet diep te zijn. En Mils, waar zijn we nu? Vroeg ik om wat te zeggen. Ergens in de hoge bergen aan de Noordkant, dus in Rondo op een hoogte van ruim 12 km. Op die hoogte zou ik op de aarde bijna onmiddellijk flauw vallen vanwege gebrek aan zuurstof, maar hier op Naplet met zijn dubbele concentratie zuurstof in de atmosfeer, was het goed in te ademen. We schudden ons nog eens goed uit en verlieten de grot en toen!

            Voor de grot stonden enkele mannetjes tussen opvallend hoge struiken, die nog verrassend groen waren bij deze temperatuur. Mijn ademgevoel zei, dat het wel -10 of -15 graden Celsius alhoewel de zon toch volop scheen. Een zon, die veel meer oranje was dan de zon van de aarde. De mannetjes keken onze richting uit en begonnen te fluiten en te schreeuwen, echt schreeuwen dus geen gedachte praten. Binnen de kortste keren stonden er wel 30-40 mannetjes, allemaal met baarden en nog geen 1 meter 40 groot. Ze waren gekleed in een dikke juten zak en aan voeten hadden ze linnen laarzen, hoog gehouden werden met een soort touwen. Ze droegen knuppels en zagen er niet bepaald vriendelijk uit. Ondanks het aantal leken ze mij niet sterk genoeg om ons tegen te houden, laat staan ons gevangen te nemen. Ik keek naar het verschrikte gezicht van Mils en vroeg: “Wie zijn die mannetjes”. Mils bibberde helemaal en zei angstig: “Het zijn de bergmannetjes, die alom gevreesd worden voor een agressiviteit en ook door hun kannibalisme”. Ze deden me denken aan de bergbewoners uit Nieuw Guinea , de stuk van Indonesië, dat tot 1962 een Nederlandse kolonie was. Ik had op oude nieuwsjournaal fragmenten die wel eens gezien. Wat moeten we nu vroeg ik Mils opnieuw. Mils antwoordde niet direct maar naar een tijdje piepte hij in mijn hoofd; we zijn verloren!  Nog geen 5 minuten op Naplet en nu al verloren, dat gaat er bij mij niet in, daar vinden we wel wat op. De mannetjes drongen in onze richting en zwaaiden met hun knuppels. Eén mannetje, een 5 cm langer dan gemiddeld en duidelijk de aanvoerder, stapte al zwaaiend met zijn knuppel naar voren en schreeuwde iets tegen ons. Ik had hem zo een mep kunnen verkopen. Ik was wel 45 cm groter en misschien wel dubbel gewicht, maar ik hield me in. Wat zegt hij vroeg ik Mils. Mils piepte nog steeds in mijn hoofd. Ik weet het niet precies maar waarschijnlijk moeten we met hun meekomen. Ik had niet dat gevoel van angst, ik was eerder nieuwsgierig en had een beetje dat superioriteitsgevoel, dat de witte veroveraars in de 17de en 18de eeuw hadden t.o.v. de Afrikanen. Dat mag natuurlijk niet, maar dat zit in het bloed van de blanke westerling. Nieuwsgierig, ja dat was het. Hoe leefden die mannetjes, wat aten die mannetjes en hoe gingen ze met elkaar om. Tenslotte moesten we toch van de berg naar beneden en als die mannetjes ons daarbij begeleiden, ook goed.

            Omringd door de hele groep liepen we een pad af, dat langzaam daalde. Men kon zien, dat dit pad veel gebruikt werd. Het tempo was niet hoog, een 3-4 km/uur en ik keek om mij heen. Alles zag er een beetje groenoranje uit met een witte sluier van de donzige sneeuw. Oranje vooral door de kleur van de zon. Het pad zelf was een soort rots met een groene mosmassa, dezelfde mos als in de grot. Langs het pad stonden struiken, soms wel 10 meter hoog. Aan vele struiken zaten een soort bessen in diverse kleuren, blauw als bosbessen, geelgroen als “hoe heten die bessen ook weer”, rood, paars en ook een soort druiven, maar dan aan struiken van 5 tot 10 meter hoog en wel zo groot als pruimen. Achter de struiken stonden vele soorten bomen, die bijna allemaal vruchten droegen, een soort appels, peren, sinaasappels en nog vele soorten meer. Die mensen hier lijden absoluut geen honger, dacht ik bij mijzelf, fruit volop. En ook geen van de mannetjes zag er magertjes uit. Maar was Mils dan bang, dat het kannibalen zouden zijn.

En dan het uitzicht, zoiets had ik nog nooit gezien. Als het pad parallel aan de as van de cilinder wereld liep en er geen bomen in de weg stonden, zag ik een diep gat, een heel diep gat, met hier een daar de blauwe stroom van een rivier of zo, en veel groen, heel veel groen. Ik had geen flauw idee hoe diep het gat was en hoe ver je kon kijken. Ik vroeg Mils daarover en hij leek een beetje gekalmeerd. Hij had een soort berusting over zich, hij gedroeg zich weer de leraar Mils, die mij onderrichte over Naplet. Ja zoiets heb je nog nooit gezien, hè, zoiets komt op de aarde niet voor. Naar mijn schatting kun je zo’n 7-8 kilometer naar beneden kijken en ook wel een 400-500 km ver. De lucht op Naplet is helder en mist, nevel en die vuiligheid van de Aard mensen komt hier nauwelijks voor. Alleen in de late nacht en vroege ochtend regent het en kan er bij de opgaande zon mist ontstaan. Dat zijn nog eens uitzichten. Ik had een berustend en gelukkig gevoel in mij. Als we dit avontuur niet overleefden, alhoewel ik geloofde niet dat dit het einde was, dan had ik dit gezien, dit prachtige schouwspel, wel een leven waard.

Na een uurtje lopen en misschien wel 200 meter lager kwamen we bij een soort nederzetting van houten hutten met een soort rieten daken. Er waren hier natuurlijk genoeg natuurproducten en van de mooie Zoeloeachtige hutten te bouwen. In het kamp stonden nog wel honderden mannetjes op ons te wachten, vrouwtjes zag ik weinig. Onze begeleiders presenteerden ons aan de rest als een soort trofee, grote beesten, die zij overwonnen hadden. Na een tijdje gestaan te hebben en bewonderd te zijn, werden onze rugzakken, met onze kostbaarheden, afgepakt en werden we naar een hut gebracht. Binnen was het schemerig. We werden naar binnen gedreven door een lage deur van misschien 1 meter 40 hoog en die werd achter ons gesloten. En daar waren we dan, in het half schemer in  een houten hut met een rieten dak De hut was niet verwarmd en het was even onder nul. Op de grond lagen een soort rieten matten, waarop waarschijnlijk geslapen moest worden. In de hoek van de hut zat een gat in de grond, waarschijnlijk voor de menselijke behoeften, grote en kleine boodschap. Ik zag niet zo gauw iets om je kont af te vegen na de grote boodschap, maar misschien was dat op deze planeet niet nodig.

Er was één ding was me te zeerste verbaasde. Ze hadden ons niet gefouilleerd. Ze hadden niet onder onze jassen gekeken. Daar hing de riem met de messen en andere gereedschappen als een kleine hamer en tang en een priem, daar hing een  waterdicht leren zakje met ons vuur, een paar gas aanstekers. Alhoewel we de rugzakken kwijtwaren, waren we nog gewapend. Misschien hadden ze eerder hier aardmensen en dieren gehad, maar die waren per ongeluk in het gat gevallen, die waren niet gewapend  en niet gekleed op de kou. Die waren misschien binnen een paar aarddagen doodgevroren. Neen wij waren voorbereid. Ik dacht erover na hoe hier uit te komen. Mils zat star voor zich uit te kijken. Hij was naar de aarde gekomen, wat een zeer grote onderneming was. Maar nu terug op eigen planeet wist hij niks te doen, was hij vervallen in een soort apathie. Die moest opgeknapt worden. Ik zette me gedachten schrap en schreeuwde in zijn hoofd: MILS WORDT WAKKER! We zijn er net en nu laat je je hoofd al hangen. Had je dan niet zoiets verwacht? Mils ontwaakte een beetje. Dit hoort niet bij Naplet zei hij benepen. Dit mag niet gebeuren op Naplet. Waarom niet vroeg ik hem. Deze mensen krijgen dingen in de schoot geworpen vanuit de grot, vanuit het licht en zien het als misschien iets heiligs, als heilig voedsel, want het zijn mensen of beesten dus vlees. Vlees wat niet of nauwelijks voorkomt op deze planeet. ER ZIJN GEEN ZOOGDIEREN, ANDERS DAN DE GORILLA EN DE STANDAARD MENS. En herinner je hoe dol jij op vlees was op de aarde. Kan je je dan voorstellen, dat deze mensen kannibalen worden en vlees uit de lichtbron eten? Maar Mils, we zijn gewapend, wij kunnen ontsnappen en eten lijkt er genoeg hier. Alleen rottig van onze rugzakken.. Die moeten we eigenlijk terug zien te krijgen al is het met geweld.

Zo praatte ik een tijdje op Mils in en hij begon het ook al wat positiever in te zien. De avond viel niet, want een dag duurt 100 uur en we waren halverwege de Naplet dag  gekomen en nog maar een 5 aarduur hier aanwezig. We zaten na te denken, hoe we onze rugzakken zouden kunnen terugvinden. Zouden ze die al opengemaakt hebben? Zouden ze het gedroogd vlees al gevonden hebben? En de munten? Plotseling kwam er beweging in de deur en ging open. Ik keek en mijn mond viel open van verbazing. Daar stond de mooiste vrouw, die ik ooit had gezien. Een vrouw, misschien een meisje van 1 meter 60 lang, schaars gekleed met mooie ronde borsten en grote tepels, met middellang zwart haar en een fijn Chineesachtig gezichtje. Ik hoorde haar in mijn gedachten mijmeren. DIE VROUW KON GEDACHTE SPREKEN!, en sprak terug: Ik ben van een andere planneet en mijn naam is Peter. Zij schrok geweldig. Niet schrikken zei ik en ik bedacht me ineens, dat deze gorilla-achtige mensen geen gedachten konden lezen. Ik liep naar haar toe en nam haar hand. Ik was nog steeds verrast om zo’n mooie vrouw te zien in deze barre omgeving. Hoe heet je; vroeg ik. Ik heet Natasha zei de mooie vrouw en haar stem klonk mij liefelijk in de oren. Bij gedachte spreken speelt natuurlijk ook je eigen stemming en interpretatie mee. Dit waren samen met het prachtige uitzicht op de voettocht hierheen, de momenten, die me duidelijk maakten, dat ik deze reis moet maken. Ik vroeg haar wat ze hier kwam doen. Ik kom jullie vermaken en ik zag Mils voor het eerst na de val door het gat glimlachen. Vermaken, wat bedoel je daarmee? Nou je weet wel zei ze verwondert tegen mij, mijn lichaam voelen en leuke spelletjes doen. Daar zijn vrouwen toch voor. Weer stond ik stom verbaasd. Ze kwam hier om seksspelletjes met ons te doen. Zo merkwaardig heb ik het nog nooit meegemaakt. Wij zitten gevangen en die mannetjes sturen ons de mooiste vrouw van het heelal om seksspelletjes mee te doen. Ze zag me verbaasd kijken en antwoordde, dat van seks het vlees zachter en malser werd. Wij zouden de volgende morgen (over 5-6 aarddagen) worden gekookt en door de stam smakelijk worden verorberd. Ze wachten de Naplet nacht af, zodat we zouden doodvriezen. Dan hoefden ze ons niet levend te slachten. Dat deden ze altijd met vlees, dat uit het Goddelijke gat kwam. Het vlees, dat door de almachtige God aan deze stam geschonken werd. En jij moet voor het zachte, malse vlees zorgen? Niet dat ik dat niet apprecieer, maar waarom doe je dit? Dat hoort zo, zei ze me stellig. Dat is mijn taak. Ik ben door de rivierpriesters aan deze stam verkocht om het vlees zacht en mals te maken. Dat is een heel belangrijke taak. Er komt niet zo veel vlees en nu twee tegelijk, dat is een Goddelijke maaltijd, dat vlees moet met grote omzicht behandeld worden. Ze scheen een beetje in de war. Het vorige vlees kon waarschijnlijk niet gedachte lezen. Ik vond het een plezierige gedachte, dat mals maken, maar ik het ook veel honger en dorst. Je mag het vlees zacht en mals maken, maar het vlees wordt nog veel zachter en malser als het ook wat te eten en te drinken krijgt. Het vlees moet meer kracht krijgen. Kun je dat de stam niet vertellen? Mils knikte aandachtig en Natasha keek een beetje vreemd. Het vorige vlees kon me dat niet vertellen zei ze bedeesd,, maar als het dan nog beter wordt. Ze liep naar de deur en zei iets onbegrijpelijks. De deur ging open en ze verdween.

Ik begon steeds meer plezier te krijgen in deze reis. Wat een mooie vrouw, zei ik tegen Mils. Mils glimlachte: Dat is het standaard type vrouw, een beetje een gemiddelde, een vrouw, die een speciale priester opleiding heeft gehad en nu een TAAK vervuld. Het zal me niet verwonderen, als ook de priesters meedelen in het vlees. Anders hadden ze die vrouw nooit naar hier verkocht, zo hoog in de bergen. Na een half uurtje kwam Natasha terug met een rieten mand gevuld met fruit en een soort suikerbieten, veel kleiner maar heel zoet. Ook een keramische/kleien  kom met een soort sap, dat smaakte naar een combinatie van appel en sinaasappelsap. Ik hoorde de Natasha verder uit en ze was een zeer spraakzaam persoon, blij om haar verhaal te vertellen. Haar taak was maar saai, er kwam niet zo veel vlees en tussendoor moest ze de mannetjes plezieren. Zij vond er maar niks aan om seks met die gorillatype mannetjes te hebben. Maar ja, het was haar taak en de priesters zeiden, dat God dat zo zou willen.

Ze ontblootte haar bovenlichaam en ging tegen me aanzitten. Ik kreeg bijna spontaan een erectie. Wat een meid, maar ik wilde op het ogenblik geen seks. Ik wilde haar leren kennen en haar verhaal kennen. Bovendien leek ze me een zeer geschikt persoon om mee te reizen. Die dame had wat, die dame had persoonlijkheid, dat wat mankeerde aan Mils. Ondanks haar ‘taken’ deed ze me voorkomen als een sterk persoon. Ik moest haar ervan overtuigen om met ons mee te gaan op de tocht met een voor mij onbekend doel. Ze moest ook onze rugzakken terug zien te vinden. Met haar en de rugzakken konden we de hele wereld aan, heel Naplet aan.

Dus ik keek naar haar en vermande mij. Neen Natasha op het ogenblik geen seks, ik zou graag jouw wat beter leren kennen. Waar kom je vandaan, hoe kom je hier en hoe zit je leven in elkaar? Zoals gezegd was Natasha nogal spraakzaam en opgewonden omdat ik, wij niet zoals het meeste vlees, redelijk mondig waren en voorbereid op deze reis naar Naplet. Ja ik kom uit ……., ik verstond de naam niet, maar in het gedachte spreken vertaalde ik het naar Natasha’s land. Ik haalde mijn schrijfboekje uit mijn zak, samen met een pen, waarover zij zich erg verbaasde. Een stalen balpen had ze nog nooit gezien. Ik vroeg haar om haar land te schetsen in mijn boekje en na enig aarzelen pakte ze de pen en maakte de volgende schets. De schets kwam me bekend voor als een onderdeel van de schets, die Mils ooit gemaakt had. Uit haar schets bleek ook duidelijk, dat ze van landkaarten wist en, dat ze een goede opleiding moest hebben gehad. Ik ben ongeveer 2000 dagen geleden geboren (ongeveer 22 Aardjaar) in het plaats Tan in Natasha’s land en ze wees mij de plaats op de kaart aan. Het is een plaats met ongeveer 50 000 inwoners en bestaat hoofdzakelijk van fruitteelt en landbouw, maar we zijn vooral beroemd door de vissen uit het meer van Tan, een meer met ongeveer een lengte van 200 km en een 50 km breed. Bij ons worden de lekkerste “het klonk als snoeken” gevangen van heel Naplet. Mils had ze ondertussen bij ons aangesloten en bevestigde Natasha’s verhaal over de vissen. Veel machtige mensen levend op de Noordrand kregen snoeken aangevoerd uit het meer van Tan. Deze werden met rail en speciale schepen aangevoerd via Anter en de grote A-rivier, een tocht van wel 3 ½ duizend kilometer. De vistrein bestond uit grote halfopen houten wagens met water, waarin de vissen getransporteerd werden. De schepen waren een soort drijvende aquaria, waarin de vissen, gemiddeld een meter lang, levend naar de Noordrand werden vervoerd, een dure liefhebberij, maar wel een lekkere.

 

 

 

 

 

 

 

 

eest, maar over een 12 aardse uren zou ze weer eten brengen en stond ze weer tot onze beschikking. Ze drukte haar lichaam tegen me aan en ik voelde weer die warme tinteling. Ze was zo natuurlijk van zichzelf vooral als het ging om menselijke en sensuele gevoelens. Dat had ik nog nooit eerder met een vrouw meegemaakt in heel mijn menselijke loopbaan. Ook Mils kreeg een omhelzing en daarna verdween Natasha.

            Ik moest even op adem komen en vijf minuten zat ik alleen voor mij te kijken in de schemer van de hut zonder gedachten, zonder iets. Ik kwam weer bij mijn positieven. We moesten hier uitkomen maar hoe. Natuurlijk Natasha moest ons helpen, moest onze rugzakken vinden en we moesten met haar in het gezelschap ontsnappen. Zij wist misschien een pad om weg te komen. Mils had wel een opdracht, maar hij scheen toch een beetje slecht voorbereid te zijn. Op Aarde was hij veel initiatiefrijker geweest, net of  voor hem daar meer energie te halen was. Hier was hij een beetje apathisch. Voor mij gold het omgekeerde vooral na de ontmoeting met Natasha. Vrouwen schenen hier veel intelligenter en liever te zijn dan op de Aarde. Misschien kwam dat ook wel door de religieuze opleiding. Ontsnappen met Mils en Natasha moest gebeuren in de Naplet nacht. Over dertig uur ging de zon onder en dan was de tijd om onze spulletjes te halen en weg te wezen. Natuurlijk was er licht nodig en ik had in mijn rugzak een kleine zaklantaarn verstopt voor dit soort gelegenheden. Daarom ook moesten de rugzakken mee en natuurlijk ook voor het nodige krachtvoedsel wat daarin verstopt was. Met onze stalen messen konden we deuren openbreken en gaten maken in de hutten en eventueel achtervolgers van ons afhouden.

            Ik sprak Mils aan over mijn gedachten om te ontsnappen en hij vond al mijn plannetjes goed. Ook om Natasha mee te nemen als gids en als lief gezelschap. Hij zag haar vooral voor zijn seksuele behoeftes. Ik mijmerde nog een beetje en dacht na hoe onze ontsnapping op gang moest worden gebracht. Natasha moest overtuigd worden, dat ze met ons mee moest, moest overtuigd worden, dat onze missie belangrijker was dan vlees zacht maken voor de mannetjes en vooral ook voor de rivierpriesters. Waarom  bleef ze hier? Ze had hier toch niets te zoeken. Ze was gedwongen hier te zijn maar wat was de dwang en kon die dwang niet van haar afgenomen worden? En hoe zat het na de overval van de rivier rovers en nu. Daar zat toch wel zo’n 15 Aardjaren tussen. Hoe was haar leven verder gegaan? Al die vragen borrelden  bij mij op en al ik daarover antwoorden had, kon ik Natasha misschien overtuigen met ons te werken en mee te gaan naar het Noorden, naar de rand, naar de mensen, die Mils opdracht hadden gegeven mij te halen.

 

5.      De Ontsnapping

            Ik opende mijn ogen en zag een schemerig duister en voelde dat ik niet op de aarde was. De lucht rook anders, het licht had een andere kleur alhoewel ik geen zon of iets dergelijks kon zien en meteen schoot me het weer te binnen. We waren op Naplet een parallelwereld van de aarde en we waren in handen van een aantal mannetjeskannibalen en daar was Natasha weer in mijn gedachten en ik glimlachte. Ik keek op mijn horloge en schatte hoe lang de Naplet dag nog zou duren. Dat was ongeveer nog een aardse dag dus nog ongeveer 12 uur. Mils was al wakker en keek nog steeds somber voor zich uit. Ik moest poepen en pissen en wist niet waar het te doen. Ik keek rond en zag in een hoek een sort gat in de grond. Ik gedachtesprak Mils erover aan en hij bevestigde mijn vermoeden. Ik liep naar het gat en stroopte mijn onderkleren van mijn lijf en even later deed ik beide behoeften. Ik keek rond om mijn gat af te vegen. Er was niet zoiets maar even verder lag een beetje hooi en daar ging het ook mee. Ik voelde me vies, want had me al enkele dagen niet gewassen. Ik zou Natasha vragen om water en iets van zeep. Ik begon al een beetje te stinken.

            Plannen om te ontsnappen waren er wel, maar nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Natasha moest een essentiële rol spelen. Ik moest haar op het gemoed werken. De vrijheid uit haar verhaal van voor het slapen moest haar bewegen ons te helpen onze rugzakken terug te krijgen en daarna te ontsnappen. We wachten geduldig op Natasha en die kwam naar 2 Aarduren met wat sap, vruchten en een soort pap. Ik was wel weer hongerig en viel aan op het eten. Mils was wat minder gulzig, maar at in ieder geval van de pap en ook een enkele vrucht. Hij miste zijn Aardse vlees. Na 10 minuten geschranst te hebben vroeg ik Natasha om water en zeep om me te wassen. Ze begreep me meteen en vertrok. Even later kwam ze met een emmer koud water, een stukje moszeep en een doek, die waarschijnlijk een handdoek moest voorstellen. Ze keek belangstellend toe terwijl ik me helemaal ontkleedde en me schrobde met het harde stukje zeep en wat water. Ik had geen problemen met haar blikken, neen, het gaf me een zeker gevoel van geluk. Ik ben weliswaar niet zwaar geschapen, maar naar mijn fitness training van het laatste half jaar was ik redelijk gespierd en was mijn buikje redelijk gekrompen als ik de spieren een beetje aanspande. Jij ziet er groot en sterk uit, zei Natasha. Ik wil wel eens met jouw de liefde bedrijven en het vlees mals maken. Ik was gevleid maar had op het ogenblik niet de behoefte ook al omdat Mils met belangstelling toekeek. Ik kleedde me daarom weer aan, onderbroek, hemd, broek, trui en jas en deed mijn gordel weer om. Ik voelde me in ieder geval verfrisd. Nu moest ik Natasha zien om te praten om ons te helpen om te ontsnappen. Dat moest in de volgende Naplet nacht gebeuren.

Ik begon weer over haar niet geëindigde verhaal van gisteren, van voor de slaap. Gisteren is wat moeilijk op Naplet. Natasha, hoe is je leven verder gegaan? Toen de rivierrovers kwamen was je nauwelijks 800 dagen en nu ben je 2000 dagen. Wat is er in de tussentijd gebeurd? Ja dat verhaal is lang en tragisch alhoewel de eerste jaren heel gelukkig waren. Ik ben bij de rivierrover hoofdman gebleven als een vriendin en heb meegedaan en nog talrijke overvallen. Ik heb geleerd te vechten met handen, voeten, knuppels, speren en nog meer. Het was een vrijbuiterleven maar op een dag toen we weer een schip overvielen, bleek dat een valstrik. Aan boord waren zeer vele soldaten van de kerk en we hadden geen schijn van kans. Alle mannen werden gevangen en midden op de rivier over boord gegooid. Ik weet niet of er één heeft overleefd maar de kans is niet groot. Minstens 20 kilometer zwemmen en dan nog al die vissen en reptielen in de rivier, ze huiverde. Ik zelf werd naar Hamilton gebracht en in een kleine cel gezet met weinig te eten.

Naar een 40 dagen kwam er een priester, leek me een belangrijke, die me een voorstel deed. Ik kon in de opleiding om de priesters te dienen of  nog langer leven in de gevangenis. Ik koos voor het eerste, maar die opleiding was iets anders dan ik me voorgesteld had. Ik werd een soort schoonmaakster, maar belangrijker was mijn taak om de priesters seksueel te dienen. En er waren erbij, die nog al wat noten op een zang hadden. Ik zal jullie de details besparen. Dat heb ik zo’n 500 dagen gedaan en toen kwam er een nieuwe baan. Een hoofdpriester kreeg bezoek van priester uit het berggebied en die had een cadeautje voor hem meegebracht. Het was een stuk gedroogd vlees, na ik aanneem aardmensen vlees. Hij vond het zo lekker, dat hij om meer vroeg. De bergpriester vertelde hem hoe hij eraan kwam en het verhaal van het lichte gat en de bergmannetjes werd verteld. Maar hoe krijgen we meer vlees van de mannetjes vroeg de hoofdpriester. De mannetjes zijn nogal gek op seks met een standaardvrouw en misschien ken je wel iemand, die geschikt is om daar te leven zei de bergpriester. En zo kwamen ze bij mij. Voor mij leek het een hele verbetering na de verzorging van de perverse mannen in de priesterschool en de kloosterkerk.

De reis was lang, maar ik genoot weer van de rivier en de frisse lucht. Na 500 dagen opgesloten gezeten te hebben bij de priesters, was dit een hele verademing. En de mannetjes vielen achteraf ook reuze mee. Alleen maar wat seks en een beetje verzorging en ze waren niet pervers, verlangden geen speciale dingen. En dan het vlees uit het gat, pardon mensen zoals jullie, waar het vlees zacht gemaakt van moest worden. Dat was een hele ervaring. Alleen jammer, dat die mensen dan in de nacht geen voedsel meer kregen en doorvroren. Zij hadden niet van die kleren, die jullie dragen. Meestal een korte broek en een T-shirtje. Dat kon ik wel begrijpen. In Portugal is het meestal warm en mooi weer en als een verdwaalde toerist door het gat gezogen wordt, is dat zeer waarschijnlijk in de zomer.

Waarom blijf je hier, vroeg ik Natasha. Waarom zou ik hier niet blijven antwoordde ze. Waar moet ik heen. Ik ken de omgeving en hier in de bergen is het koud en niet veel te eten, behalve de vruchten. Toen kwam ik met het voorstel om met Mils en mij naar het Noorden te reizen en ze keek een beetje halfslachtig. Ik wist dat ik ze om kon praten. Ach Natasha, jij hield toch van het rivierrovers bestaan drong ik aan. Vrijheid is toch een groot goed voor jouw. Hier ben je niet vrij. Hier moet je voor de priesters en de mannetjes werken. Ze keek me weer aan en ik had het gevoel, dat ze iets in mij zag. Ik zag haar verlangens naar buiten, naar de mooie natuur van Naplet. Ze hield van avontuur en de laatste 500-600 dagen van haar  bestaan waren niet avontuurlijk geweest, meer lijden dan leuke dingen doen. Na enig denken fluisterde ze zachtjes: ik doe het, maar heb je een plan. We hebben onze rugzakken nodig, kun je die voor ons vinden en wijzen? Ik weet in welke hut ze zijn, maar ze worden bewaakt. Vannacht is er echter een bewaker, die ik wel een beetje kan ompraten. Die houdt van mij en seks met standaard mensen. Het is nog een jonge man, maar dat is wel te doen. Weet je wat, vijf uren na zonsondergang zal ik in die hut samen met die jongen zijn. Ik zal zorgen, dat de deur niet op slot gaat. Het  is jullie zaak hoe jullie er komen. Jullie deur gaat naar zonsondergang op slot en ik kan die niet openen. Ik heb geen sleutel van het slot. Het is gemaakt van één van de taaiste materialen, boomschors, die er is. Ik heb ook meer vertrouwen in een ontsnapping als jullie het lukt die open te maken. Ik had haar niet verteld van onze messen en het grote mes moest voldoende zijn om het slot mee open te breken. Ach Natasha, vertrouw in ons, we hebben zo onze mogelijkheden. Welke hut moeten we hebben. Als je de deur uitgaat loop je recht door en is het de 5de hut aan de linkerkant. Wees een beetje voorzichtig want ’s nachts lopen er bewakers door het kamp, met z’n tweeën, gewapend met houten knuppels.

Ik was blij en opgewonden. Ik gaf Natasha een dikke pakkerd en ze verwonderde zich over mijn enthousiasme. Ik verwonderde me over haar tong want die was groter als van Mils. Waarschijnlijk gebruikte ze die meer door het normaal praten met de mannetjes. Enfin, het was ook zo ongeveer de eerste keer in mijn leven, dat ik werkelijk spontaan een vrouw een zoen gaf en ik geloofde dat ze dat voelde. Er groeide een band tussen ons, een saaie boekhouder van de planeet aarde en een ex- bijna priesteres, een rivierrover en een gedwongen hoer, met het mooiste figuurtje, het mooiste gezichtje van de wereld. Ik keek op mijn horloge en over drie uur zou de zon ondergaan. Het begon al te schemeren, maar de schemer duurde hier ontzettend lang vanwege de trage draaiing van Naplet om zijn as. Natasha gaf ook Mils een zoen en verdween. Mils keek sceptisch. Kunnen we haar wel vertrouwen , vroeg hij mij. Ik zei hem, dat zij onze enige kans was. Een week in deze hut zonder voedsel en drinken en bij temperaturen, die wel na minus 30 graden konden lopen, zouden we niet overleven. Neen, we moeten dit aanpakken. En dat je geen vertrouwen in haar hebt, ligt aan je opvoeding. Ik heb zo’n vermoeden, dat je ook tot het priestergilde hoort en dat je rivierrovers en priesterhoeren niet vertrouwt. Maar je moet niet naar functies van mensen kijken, je moet naar de mens zelf kijken. Dat heb ik als boekhouder ook altijd gedaan en die instelling heeft me nooit teleurgesteld. Ik barste van de energie en kon niet wachten tot de duisternis om de deur open te wrikken en met Natasha en Mils te vertrekken. Mils was ondertussen weer in diep gemijmer gevallen (onthouden: gedachtencommunicatie met opdrachtgever). Het leek wel of hij contact had met iemand of dat hij de Goden aanriep of iets dergelijks. Hij moest zich meer bezighouden met onze ontsnapping en ik sprak hem daarover aan. Eerst reageerde hij niet, maar naar nogmaals zijn naam te roepen, schrok hij als het ware wakker. Wat zeg je Peter vroeg hij mij. Je moet je wat meer met de ontsnapping bezig houden zei ik nogal bars. Tenslotte zijn we met jouw opdracht bezig en ben ik hier op jouw aandringen. Ja natuurlijk antwoordde Mils, wat moet ik doen. Ik was verbaasd. Hij schoof mij de verantwoording en leiding van deze missie in de schoenen. Dan maar zo dacht ik in mijzelf. Weet je een manier op straks die deur open te doen en het is straks pikkedonker. Heb jij misschien een manier om een klein lichtje te maken. Dat laatste was natuurlijk een plagerijtje van mij. Ik had zowel lucifers als een kleine zaklantaarn met een speciale batterij meegenomen en ook in de rugzak had ik een dergelijk lampje extra ingepakt. Die lange nachten van Naplet hadden me extra aan het denken gezet. Toen ik dat gezegd had, hoorde ik wat gerommel buiten en klonk het alsof de deur op slot werd gedaan. Nu moesten we natuurlijk bevriezen en als ingevroren vlees worden doorverkocht aan de priesters. Het werd ook aanzienlijk kouder en onze kleren waren weliswaar gebaseerd op koude, maar niet die extreme koude. De echt warme kleren zaten nog in de rugzakken.

We wachten nog een uurtje en daarna haalden we de grote messen tevoorschijn en bekeken de deur en detail. De deur was van een stevig soort hout als eikenhout en ik sneed er wat in. Dat wordt een heel karwei en ik wist niet of we die binnen 5 uren open konden krijgen. Echter, bij deuren is er altijd een zwakke plek en dat is bij de scharnieren. Op aarde zijn die meestal van metaal maar hier waren ze ook van hout gemaakt versterkt met een soort touw, een heel taai touw. De scharnieren doorsteken moest toch niet zo’n probleem zijn en alhoewel ze vreselijk taai waren, lukte me dat binnen een uur. Mils zat naar mijn werken te kijken. Hij was niet zo’n doener. Ik normaal ook niet, maar na mijn fitness training leek het er een beetje op. En ik werd er ook nog een beetje warm van want de temperatuur was tot minus 20 graden gezakt en het zou nog wel kouder worden. Toen de scharnieren gebroken waren, konden we de deur met enige moeite van die kant loswrikken en ik kon me door de opening naar buiten wurmen. Als ik dat kon was het voor Mils geen moeite. Het was buiten niet helemaal duister. Laag boven de Noordelijke horizon stond er een klein maantje te flikkeren in het donker. Die maan was ongeveer een kwart van de grootte van de Aardse maan en wat anders van kleur. Het was een beetje roze met iets van oranje, een kleur, die ik op de aarde weinig gezien had. Dat is, het klonk als luna, maar dat is een persoonlijke vertaling van het gedachte praten van Mils. Ik rilde. Buiten was het nog een paar graden kouder en er stond een redelijke wind vanuit de bergtoppen naar beneden. Laten we nog een paar uur naar binnen gaan en de deur zo goed mogelijk achter ons dichttrekken. De bewaking kan langskomen en we moeten voorkomen, dat die iets van onze breekzaamheden zal merken.

Nu we toch moesten wachten vroeg ik Mils weer eens omtrent de reden, dat hij mij of één of ander mens nodig had hier op Naplet. Hij zei, dat hij dat niet wist, maar ik geloofde hem nog steeds niet en ik liet dat maar zo. Wel vroeg ik wie mij dan zo nodig had. Hij zei, dat het invloedrijke, oude mensen van Naplet waren, mensen, die hoofd van de kerk waren en van invloedrijke organisaties en nu met pensioen waren. Die mensen leefden allemaal aan de Noordrand, daar waar het klimaat koel maar aangenaam was, daar waar de zwaartekracht veel minden was dan op het cilinder oppervlak. Dat kon wel een factor 2 schelen. De zwaartekracht op het Noord en Zuid vlak was toch veel minder, maar op de vlakken zelf was het klimaat te bar, te koud of te warm. Aan de Noordrand van ongeveer 5 kilometer breed werd het ook nooit helemaal donker of helemaal licht. Het was een gelijkmatig klimaat, goed voor krakkemikkige mensen, oude, rijke mensen, die nog niet wilden sterven, die nog macht wilden uitoefenen. Dat waren de mensen, die mij de opdracht hebben gegeven een mens te zoeken en ik geloofde hem direct. Het deed me aan China denken, met de oude absolute machthebbers, het Confucius  principe, dat mensen moeten gehoorzamen aan de heersende klasse en  machthebbers. Maar oude mensen worden steeds gebrekkiger en op een bepaald moment is het voorbij. Had ik daar iets mee te maken? Met het oud worden van de Naplet mens? Ik vroeg het me af.

Mils, ik heb al veel over de kerk hier in Rondo op Naplet gehoord maar hoe zit het met de organisatie van landen en zo. Mils antwoordde voorzichtig. Alle landen zijn zo als Natasha’s land, zei Mils bedachtzaam. Die landen hebben een soort regering, een soort leiding zowel wat betreft de logistieke organisatie, wegen, steden en geld en zo. Dan is er de kerkelijke leiding , die hiervan onafhankelijk is. Zij zorgen voor de scholing, de religieuze opleiding en dergelijke. Er zijn een kleine honderd van die landen, alle gelegen aan de grote zijtak van in van de 15 hoofdrivieren. De werkelijke leiding is echter centraal georganiseerd. Die leiders wonen alle aan de Noordrand, voor elk land is er één kerk en één staatsleider en voor beide een plaatsvervanger, in totaal dus zo’n 400 mensen, die alle touwtjes in handen hebben. Elk van de leiders heeft een groot huis en een landgoed langs de Noordrand. Die landgoederen zijn zo 30 km lang en 10 km breed. Ik ben de rechterhand van één van deze leiders, de leider die mij de opdracht heeft gegeven om een mens te halen. De leiders zijn omringd met vele, ook geleerde mensen. Die hebben ook de doorgangen naar de Aarde ontdekt en in kaart gebracht en zo was het mogelijk voor mij om naar de Aarde te reizen. Ik was echter niet de eerste. Tientallen zijn me voorgegaan, waarvan een enkele is teruggekomen. De meeste zijn of in de gaten gestorven of zijn op aarde verkeerd terechtgekomen. De enkele die zijn teruggekomen, hebben over de Aardse organisatie en de mensen verteld. Daarom had ik ook diamanten bij me om iets te kunnen regelen. De doorgang naar België leek het meest geschikt en dat bleek ook zo te zijn. Terug was moeilijker en we hebben voor deze doorgang gekozen. Portugal is goed toegankelijk. Alleen de reis van de bergen naar de rand is waarschijnlijk moeizaam en er werd geen rekening gehouden met de bergmannetjes. De vorige persoon, die hier doorkwam, 50 Aardjaar geleden heeft daarover niet bericht. Ik vond dat een slordigheid. Heel veel was in deze reis geïnvesteerd maar de leiders hadden niet de moeite genomen deze uitgang te controleren. Ze gingen af op een rapport van 50 jaar geleden. Ze wisten waarschijnlijk niet eens, dat hier priesters menselijk en dierlijk vlees vandaan haalden door hun contacten met de bergmannetjes en door het sturen van Natasha.

Na 5 uren nacht vertrokken wij uit onze gevangenis. We haalden de deur uit de scharnieren en toen we buiten stonden zetten we de deur zo goed als mogelijk weer op zijn plaats, zodat het niet op zou vallen, dat we verdwenen waren. Voorzichtig liepen we door het kamp van de mannetjes richting de hut, die Natasha ons aangeduid had. Af en toe scheen ik met mijn zaklantaarn om ons te oriënteren. In de verte zagen we de hut, maar tot onze teleurstelling stonden daar twee mannetjes voor de deur, de bewakingsmannetjes, die door het ’s nachts door het kamp liepen, zoals Natasha al gezegd had. Hoe daar voorbij te komen. Nu waren die mannetjesniet groter dan 1 meter 35 en ik met mijn 1 meter 85 moest die natuurlijk gemakkelijk aankunnen ook Mils met zijn 1 meter 65 was veel groter, maar hoe dat aan te pakken zonder teveel geluid te maken? We konden onze messen gebruiken, maar dat idee stond me niet aan. Ik had nog nooit iemand met een mes aangevallen. Ik had niet het gevoel, dat ze ons al hadden gezien. Het leek erop of ze een beetje aan het dommelen waren, zo aan het begin van de nacht. Hadden we niet de mogelijkheid ze onverhoeds te benaderen en buitenwesten te slaan met een of andere stok of iets dergelijks. Naast de twee messen hadden we aan onze gordelriem een kleine handschop, een zaagje en een tang, allemaal in de orde van 15 tot 20 cm dus niet geschikt om iemand om zijn kop te slaan. Misschien was het grote mes geschikt. Ik kon het lemmet als slag apparaat gebruiken en hoe ze te benaderen. Ik pakte mijn mes van de gordel en Mils deed hetzelfde. Langzaam slopen we in de richting van de hut. Volgens mij is de volle aanval het beste. Niet naar toe sluipen of zo iets. De mannetjes waren veel beter gewend aan het duister. Ik stelde dat Mils voor en hij was er mee eens. Dus toen we op een meter of dertig afstand waren gingen we rennend in de richting van de twee bewakers en inderdaad, ze schrokken zich een hoedje bij het zien naderen van twee grote mensen en voordat ze handelden en maar de mond opendeden, stonden we voor hun en sloegen met het lemmet van het mes op hun kop. Het waren taaie mannetjes en niet één, twee, drie bewusteloos, maar naar een paar maal slaan zakten ze toch in elkaar, hopelijk niet al te zwaar gewond. We openden de deur van de hut en trokken de mannetjes naar binnen. Het was donker in de hut en ik scheen met mijn zaklamp een beetje rond. In de verste hoek zag ik Natasha, de twee rugzakken en tot mijn verbazing nog zo’n mannetje. Het leek of Natasha en dat mannetje aan elkaar vast gebonden zaten en dat was ook zo. Ik liep snel naar ze toe en sneed met het mes de touwen door waarmee ze aan het mannetje gebonden was. Ik vroeg Natasha wat er gebeurd was. Langzaam kwam ze weer bij haar positieven. Dan vertelde ze me, dat ze na het verlaten van onze hut Bert opgezocht had. Bert bleek het mannetje te zijn waaraan ze vastgebonden zat. Bert zag er nog jeugdig uit en keek fris uit zijn ogen. Bert was haar vriendje in dit kamp en ze praatten dikwijls met elkaar en hadden ook wel eens seks met elkaar. De hut met de rugzakken was op slot en zij vroeg Bert of hij haar kon helpen. De mannetjes konden niet gedachtenspreken, maar Natasha had hun taal snel geleerd. Toen Natasha kwam, was Bert al direct in haar verknald en ook Natasha kon wel iemand in deze eenzame omgeving gebruiken en zo was een soort geheime relatie ontstaan. Nu wist Bert de locatie van de sleutels van de hut met de rugzakken en Natasha overtuigde hem om die voor haar te pakken en te geven. Dat lukte Bert kort na zonsondergang en samen gingen ze naar de hut om die te openen. Ze hadden pech. Net toen ze binnen wilden gaan, werden ze gezien door de bewakers en de rest is bekend. Ze werden vastgebonden en de bewakers gingen voor de deur staan. Ze wisten niet wat te verwachten en waren dus ook niet zo alert geweest als verwacht kon worden. Ik vond ze naar dit verhaal in ieder geval wel erg laks geweest. 

Onze rukzakken waren niet aangeraakt. Het cijferslotje zat er nog steeds op. We haalden er wat winterkleding uit., in dit geval een soort bontjacks en gaven Natasha er ook één. Toen kwam Natasha met een verrassend voorstel. Ze vroeg of Bert ook meekon. Hij wilde niet meer in dit kamp verblijven. Hij wilde bij Natasha blijven en met de vreemden meegaan. In het kamp zou hij geen leven meer hebben. Ik vroeg Natasha of Bert de omgeving kende en mijn vraag werd positief beantwoord. Dan zou Bert wel eens nuttig voor ons kunnen zijn. Deze nacht zou cruciaal zijn voor onze ontsnapping. Nu hing het ervan af of we onze tocht konden voortzetten. We moesten uit de handen van de mannetjes blijven en ook uit handen van eventuele priestersoldaten, die contact hadden met deze groep. Ik vroeg Natasha om Bert te vragen, hoe en welke richting we van hier konden vertrekken. Bert keek vragend naar Natasha en ook naar haar bontjas. Oh, dacht ik, Bert heeft het denk ik ook koud en kijkt daarom verlekkerd naar zo’n bontjas. Ik vroeg Mils of hij zijn reserve jas aan Bert wilde geven, de mijne had ik Natasha al gegeven. Mils keek een beetje beteuterd, maar ik pakte die jas en gaf hem aan Bert. Bert was totaal verrukt. De jas kwam weliswaar tot z’n knieën, maar hij keek ernaar of als het gewaad van goud was. Misschien zat er nog een dierlijke lucht aan, want zoiets als een bontjas bestond niet op Naplet of op Rondo in het bijzonder. Ik had het gevoel, dat hij nu alles voor ons wilde doen.

Het kamp van de mannetjes lag nogal moeilijk voor ons om in de goede richting te vertrekken. Ongeveer 200 meter van het kamp in Noordelijke richting was een kloof van wel 50 meter diep. Eigenlijk was het geen kloof, maar een steile wand, die vooral nachts niet te begaan was. Als de wand vermeden moest worden, moesten we eerst terug door het kamp van de mannetjes en dan via een pad eerst weer bergop naar het Zuiden en dan weer met een kronkel naar het Noorden. Het was wel 8 uur gaans om beneden aan de wand te geraken. Dat was omslachtig en bovendien een groot risico om ontdekt te worden. Gelukkig hadden we op enig bergbeklimmen en dalen gerekend. Ik had zo’n 100 meter dun maar sterk nylontouw bij me en in Mils rugzak zaten wat haken, die aan een wand bevestigd konden worden. Nu had ik nog nooit iets dergelijks in de bergen gedaan, helemaal niet in het donker, maar het leek me de moeite waard om het te proberen. De echte techniek van abseilen kende ik niet maar er moest waarschijnlijk ergens een haak in de bergwand gemaakt worden en met de gordel en haak kon je dan via het touw naar beneden. Ik had toch iets meer over het Alpinisme moeten studeren! De twee bewusteloze mannetjes werden aan elkaar vastgebonden en ik stelde voor wat koperen munten achter te laten. Een twintig munten vertegenwoordigde een bedrag van wel duizend Euro en misschien ook één of twee nikkelen munten. Dat zou een dubbele functie hebben. Ten eerste zouden de mannetjes daarmee voedsel en ook werktuigen kunnen kopen. Ten tweede zouden de priesters misschien denken, dat de mannetjes een afkoopsom hadden gekregen om de mensen uit het gat vrijwillig te laten vertrekken. Misschien was de achtervolging op de vluchters dan misschien wel vertraagd. Negatief is misschien, dat ze dan een vermoeden hebben, dat het hier om rijke mensen gaat. Maar ja, voor en tegen moeten altijd afgewogen worden. We pakten een aantal en legden die op de grond voor de vastgebonden mannetjes en bovendien legde ik de kruik sap ook in hun omgeving. Misschien konden ze daar via de nodige capriolen van drinken. De nacht duurde nog 3 en een halve Aarddag en zonder drinken zijn die moeilijk door te komen.

We deden de rugzakken om en Bert stond al te popelen om ons de weg te wijzen naar de steile wand. Mijn kleine zaklantaarn was een grote hulp bij het lopen door het struikgewas. Er was niet echt een pad richting de afgrond. Na 10 minuten hield Bert stil en wees en ja op enkele meters liep de grond echt steil naar beneden. We tasten ons voorzichtig naar de rand maar op een iets vooruitstekende rots ging het niet verder. Ik pakte het nylontouw uit mijn rugzak en Mils de haken en de gordel uit de zijne. Hoe dit aan te pakken. In de vooruitstekende rots zaten verschillende spleten en met behulp van mijn mes hamerde ik een haak in één van de spleten. Het koste enige moeite maar dat was ook de bedoeling. De haak moest goed vastzitten. Het leek me dat Bert het proefkonijn moest worden om als eerste af te dalen. De gordel werd om zijn middel vastgemaakt. Het gordel was veel te ruim, maar met enge moeite zat die wel gefixeerd om Bert zijn middel. Het touw in de haak en Bert werd langzaam gevierd. Natasha kon met hem praten, zolang hij nog te horen was. We waren ver genoeg van het kamp om geluiden van  hardop praten niet tot het kamp te laten doordringen. Bert woog nog geen 45 kilo, dus ik kon met gemak hem houden en voorzichtig laten vieren. Dat duurde zo een tien minuten en toen werd het gewicht minder. Natasha schreeuwde naar hem of hij grond voelde. Bert beantwoordde dat positief en Natasha vroeg of hij de gordel kon afdoen, zodat we die weer naar boven konden halen. Bert was een 45 meter gezakt en daar het touw ongeveer 100 meter lang was, was het dus minimaal tweemaal zo lang als de lengte van de steile wand. Ik had al zitten denken, dat drie van de vier personen zo naar beneden gelaten konden worden, maar hoe de 4de , hoe zou ik beneden komen. Ik vroeg het Mils en Natasha en Natasha had hetzelfde idee als ik. Als het touw tweemaal de lengte van de wand heeft, kan het touw door de mensen, die beneden zijn vastgehouden en gevierd worden eventueel m.b.v. een boom of iets dergelijks. Dan kon ik van onderen gevierd worden door de mensen, die al beneden waren en kon het touw daarna geheel door de haak gehaald worden om het terug te krijgen. De haak bleef wel in de rotsen zitten. Dat idee had ik ook, maar ik heb een beetje hoogtevrees en kan ik de personen vertrouwen? Ik ben tenslotte de Aardmens die gekomen is voor de machtigen van Naplet om voor hen iets te betekenen, wat dan ook.

We haalde de gordel en Natasha werd gevierd. Hetzelfde deed ik met Mils. Hij was wat zwaarder en ik had redelijk veel kracht nodig om het touw te houden. Ik had het om mijn middel en het schuurde over het bontjack. Nu ja het ging redelijk en nu bleek, dat ik toch wel wat conditie in het fitness centrum had opgedaan. Het voelde de spanning uit het touw verdwijnen en even later haalde ik het touw op en bevestigde de gordel om mijn middel en gooide het touw naar beneden. Ik hoorde niets en vroeg daarom Mils of het touw beneden gekomen was. Dat bleek niet het gevallen ik haalde het weer op. Na drie keer gooien kreeg ik het seintje van Mils, dat ze het touw hadden. Even later het seintje, dat ik naar beneden kon gaan. Ik voelde de spanning in het touw en met angstzweet zette ik een stap over rand het touw goed vasthoudend. Ik zweefde in de lucht, maar had met mijn voeten toch nog enig houvast aan de wand. Langzaam zakte ik naar beneden en dan een ruk en ik viel misschien wel 5 meter. Ik bad tot God, niet echt maar toch, en ineens werd de val gebroken. Heel langzaam zakte ik verder en eindelijk voelde ik de grond onder mijn voeten en dankbaar deed ik de gordel af.. Het andere eind van het touw werd omhoog getrokken en inderdaad viel het na beneden. Bert rolde het touw op en het werd weer in mijn rugzak gepakt. Een tijdje werd er gezwegen. Je bent een zware zei Natasha eindelijk. Ja, ik ben een zware jongen met mijn 85 kilo, vooral voor Naplet begrippen. We hadden het touw om die boom gewonden en ze wees naar een dun stammetje, maar die knapte af. Toen moesten we met ons hele gewicht je houden tot Bert het touw weer om de stam kon winden. Ik keek nog eens naar het dunne stammetje, dat op 1 meter 20 hoogte afgeknapt was. Tjonge, dat was door het oog van de naald. De reis had hier kunnen eindigen. Ik voelde dat mijn knie een beetje zeer deed. Met die knie was ik tegen de wand geklapt en ik had het eigenlijk nauwelijks gemerkt. In ieder geval konden we verder, wat kon er nu nog misgaan. Natuurlijk veel, maar een optimistisch gevoel was gebleven. We liepen richting een soort pad, een weggetje wat vaker gebruikt werd. Bert liep voorop met Natasha en dan Mils. Ik vormde de achterhoede. Het gevaar zou van achteren komen, maar voorlopig niet, voorlopig waren we op weg naar ons doel, meer dan 10000 kilometer hier vandaan, een afstand van Amsterdam naar Kaapstad en dan door heel Afrika lopen. Goddomme waar zijn we aan begonnen. Peter, niet pessimistisch worden zei ik bij mezelf. We hebben de tijd. Twintig kilometer per dag en we zijn over 500 dagen, Aarddagen wel te verstaan, zestig Naplet dagen en nachten. Ik weet niet of mijn schoenen dat houden en mijn voeten. Misschien kunnen we af en toe wel varen. De grote rivieren stromen richting de rand, dus dat moet gemakkelijk zijn. Zo had ik nog vele gedachten, terwijl langzaam het pad afliepen. Natasha zong zachtjes en Bert keek met verliefde ogen naar haar. Ik zag Natasha ook wel zitten, maar nu even niet. Voorlopig speelde hij een belangrijke rol. Ik moest eens iets te weten komen over zijn taal. Dan kon ik misschien met hem communiceren. Mils liep een beetje als een slaapwandelaar. Hij was weer eens naar binnen gekeerd zoals dikwijls tijdens de reis hier op Naplet. Op aarde had hij dat niet gehad. Vreemd, toen was hij zo actief en spraakzaam. Nu had hij dat niet meer, maar we hadden zeeën van tijd om daarover nog te praten en zo liepen we langzaam voort.

 

6.      De Reis door de Bergen

            We hadden een uur of vier gelopen en waren misschien wel 15 kilometer opgeschoten. Mils begon te klagen, dat hij moe was, dat hij hongerig was en ik was het met hem eens. Ik zei Natasha te stoppen, die nog gezellig aan het keuvelen was met Bert. Het leek of ze niet moe werden, geen dorst kregen en geen honger hadden. De reis was niet moeilijk. Er was een pad, dat waarschijnlijk vaker gebruikt was, een slingerpad, dat een langzaam daalde. Ik denk, dat we in die 15 kilometer misschien zo’n 400-500 meter gedaald waren. Ik had het gevoel, dat de atmosferische druk en ook de hoeveelheid zuurstof per ademhaling in mijn longen toenam. Ik vroeg Natasha of Bert een plek wist waar we zouden kunnen rusten, een beschutte plek met wat water, misschien wat vruchten en waarschijnlijk konden we ook iets van ons gedroogd vlees gebruiken. Natasha keuvelde wat met Bert en vertelde me toen, dat op ongeveer 1 kilometer afstand, dus een dik kwartiertje lopen, zo’n plek was. Hij had deze route al tweemaal afgelegd tot aan een familiestam, die ongeveer op 60 kilometer van het dorp van de gorilla mannetjes woonde. ’s Nachts werd er meestal niet gereisd, dus de kans om andere personen tegen te komen, was gering. Bert keek nog eens verliefd naar Natasha, die die aandacht wel aantrekkelijk vond. Ik kon me het indenken. Ik had dezelfde gedachten als Bert. Natasha was de vrouw uit mijn dromen, die ik op de aarde nog niet tegengekomen was. Ze was wel jong, maar door haar levenservaring had ze de wijsheid bereikt, die ik zo aantrekkelijk in haar vond en toch was ze altijd vrolijk en opgewekt. Bovendien had ze geen bezwaar om seks te hebben en deed ze dat ook met plezier. De negatieve ervaringen hadden in haar voordeel gewerkt, ze was er sterker van geworden. Zo mijmerend kwamen we snel bij de plek, die Bert bedoeld had als rustplek. Ik zag niet veel, mijn ogen waren niet aan nachtlopen gewend, maar het leek we zeer geschikt. Met het kleine lantaarntje verlichte ik  een ruimte onder een overhangende rots. De ruimte was wel open, maar uit de wind en ernaast was een watervalletje, wat van de rotsen in een soort poel kletterde. Misschien iets teveel geluid, maar als je moe bent, maakt dat niet zoveel uit. Mils en ik ontdeden ons van de rugzakken en Natasha en Bert, gingen op pad om vruchten de verzamelen. Ik maakte de rugzak open en haalde er een pak gedroogd vlees uit. Mils zat voor zich uit te staren, zoals reeds meerdere keren tijdens het deel van de reis hier op Naplet. Hij was als het ware in trance. Ik pakte het stuk en haalde het grote mes van mijn gordel. Het vlees was verpakt in pakken van een kilo, een beetje veel voor vier personen maar Allah, dit was de eerste keer, dat we het gebruikten. Het moest de reis in ieder geval een goede start geven en we hadden hierna nog 19 kilo. De helft van onze bagage bestond uit het vlees. Ik sneed het in vier stukken en wachtte af of Natasha en Bert nog iets gevonden hadden. Binnen 10 minuten waren ze terug met een soort mangovruchten. Die moesten eigenlijk geschild worden, maar gorilla mannetjes als Bert aten ze met huid en haar op en spuugden dan de niet verteerbare delen weer uit. Daar had ik geen zin in. Ik pakte mijn mes en zag Bert met grote ogen kijken. Zoiets als een stalen mes had hij nog nooit gezien. Misschien was er überhaupt wel niet zoiets als een groot stalen mes op Naplet. Ook Natasha keek er met verwondering naar. Daarom besloot ik om de mogelijkheden van het mes maar te demonstreren. Ik liep naar een kleine boom met Bert en Natasha achter me aan. Ik pakte en 2 cm dikke tak en sneed die in houw door. Natuurlijk kun je zo’n tak breken, maar zo’n mooie snede is indrukwekkend. Beiden slaakten kreten van verbazing. Dat hadden ook nog niet gezien en Natasha vroeg of ze dat ook kon. Ik gaf haar het mes en zij pakte een nog dikkere tak en gaf een houw en de tak werd keurig afgehakt. Wat is dat voor materiaal vroeg ze mij en ik zei haar dat het roestvast staal was. Ik had alles kunnen zeggen, want ze kende nauwelijks metaal, niet anders dan van de aluminium en koperen munten. Ze bezat een aantal aluminium en 2 koperen munten ,haar hele kapitaal. Nikkelen munten had ze wel eens bij de priesters gezien, maar nog nooit een bezeten. Daarom voegde ik eraan toe: het is een soort nikkel, maar dan veel harder en sterker. Ze viel bijna om van verbazing. Ik moest wel de rijkste persoon van de aarde zijn om nikkel te gebruiken om daar een mes van te maken. Bert was ook belangstellend, maar had eigenlijk geen idee omtrent waarde van metalen. Zij gebruikten geen metalen munten om goederen te kopen. Hun cultuur was nog gebaseerd op ruilhandel. Hij wist niet, dat de belangrijke mensen van zijn stam wel munten bezaten, maar die als een soort relikwieën buiten het zicht van de meer onbelangrijke mensen hielden.

            We liepen terug naar onze schuilplaats waar Mils ondertussen ontwaakt was uit zijn navelstaren. Ik gaf Natasha en Bert elk een stuk gedroogd vlees en nu was het Bert, die een kreet van verbazing losliet. Hij herkende het stuk vlees als voedsel, uit de lichtbron, die de mannetjes dag en nacht bewaakten. Hij had het nooit mogen proeven. Slechts een enkele hoofdman kreeg af en toe een stukje, maar het meeste ging naar de priesters, die om de 5 tot 10 Napletdagen, bij de mannetjes langskwamen. Zo’n groot stuk heilig voedsel had hij nog nooit gezien en hij mocht het nog eten ook. Hij zag mij een stuk afsnijden met het mes en in de mond stoppen. Ik reikte hem het mes en zei hem hetzelfde te doen. Bert begreep mij niet maar via Natasha kreeg hij door dat hij het mocht eten. Hij pakte het mes als een heilig relikwie aan en sneed een heel klein stukje vlees af. Hij stak het in de mond en zoog er verzaligd op met de ogen dicht. Het was als het heilige brood van Jezus Christus zo ging Bert ermee om. Ook Mils zag Bert verheerlijkt bezig en glimlachte. Zo kon je wel mensen voor je winnen. Ze zouden alles voor je doen om een stuk vlees. Nu begreep ik ook waarom Mils zo gek was op het Aardse voedsel. Voor mij was het gewoon en ik had liever de vruchten van Naplet. Ik schilde een mango en haalde er plakken vruchtvlees vanaf. Mango eten in de Poolstreek, wie had dat toch ooit gedacht. Maar hier groeiden vruchtbomen bij 20 graden onder nul. Misschien door het andere dag/nacht ritme, ik wist het niet maar op het ogenblik interesseerde me dat ook niet.

            Aan mijn gordel hing ook een mok en daar haalde ik water mee van het watervalletje vlakbij. Mils volgde mijn voorbeeld en zo waren we gezellig in de koude aan het eten, wat eiwitten en vetten en ook koolhydraten want de vruchten bevatten ook die stof, zoals ik later hoorde van de belangrijke mensen. Het was koud, ongeveer 20 graden onder nul, maar onder de overhangende rots leek het niet zo koud. Bovendien gaven onze kleren veel warmte en waarschijnlijk was bij die koude nog redelijk te slapen. Alleen je behoefte doen gaf problemen. Dan moesten de kleren uit en bevroor je gat amper. Bovendien was schoonmaken ook een probleem. Met wat gras en bladeren ging dat, maar beide waren bevroren dus echt rillen. De Naplettaners schenen minder vaak hun behoefte te doen, althans ik had er nog niet veel van gemerkt. Misschien hadden ze een ander verteringssysteem, maar ze spanden zich ook in, moesten ook lopen, dus energie was nodig. Ik maakte me er nu minder druk om maar vond het wel raar. Ik pakte mijn aantekeningenboekje en schreef een paar zinnen op bij het licht van mijn zaklantaarntje. Na een kwartiertje was ik het beu en voegde me bij de anderen om wat te rusten en te slapen. Toch een heel avontuur, dacht ik bij me zelf en langzaam sliep ik in.

 

            Het was nog licht, maar aan de rand werd het nooit helemaal donker. Er was altijd licht ten gevolge van het strooilicht op de rand van het cilinder- en Noord vlak. Bovendien waren er overal lichtpunten door permanente olielampen. De olie werd gewonnen en geraffineerd op ongeveer 150 kilometer van het Noord vlak. Daar waren niet diep onder de grond olievoorraden aanwezig. Waarschijnlijk was er veel meer olie, maar daar bekommerden de leiders zich niet om. Als ze het hier om de rand maar comfortabel hadden. En comfortabel was het. Grote huizen in de vorm van chalets waren op regelmatige afstanden gebouwd. Leider Nielsen zat aan zijn grote bureau een sigaartje te roken en een cognacje te drinken. Ongeveer 1 ½ Aarduur geleden had hij weer contact gehad met Mils. Een paar Aarddagen geleden was het voor het eerst gebeurd en hij was verheugd en bevreesd tegelijk. Verheugd omdat Mils erin geslaagd was een levend mens op Naplet te krijgen. Bevreesd omdat Mils en de Aardmens, geheten Peter, gevangen waren genomen door de Gorilla mannetjes in de bergen. Het was toch van de zotte, dat de priesters in het Zuiden vlees ontvingen via het gat dat de aarde met Naplet verbond. Niemand hier aan de rand had daarvan geweten, terwijl hier alle leiders van Rondo bij elkaar woonden en de touwtjes in handen hadden. Maar die Peter bleek toch een initiatiefrijk en intelligent mannetje te zijn. Ze waren op een eenvoudige wijze ontsnapt natuurlijk ook door de metalen snij voorwerpen, genaamd messen, die ze bij zich hadden en Peter scheen daar goed mee om te gaan. Hij verheugde zich al op een ontmoeting met die aardmens en niet alleen om met hem te praten.

            Leider Nielsen en ook Mils behoorden tot die kleine club van mensen, die over grote afstand gedachten konden praten. Dat was dan alleen nog mogelijk als je mekaar door en door kende en precies wist op welke golflengte je moest praten. Het was als een kortegolf radio vanuit de Tropen naar Nederland zoals dat vroeger gebruikelijk was en als je maar de goede frequentie wist. Het was vermoeiend, maar het ging wel voor maximaal een half uur als je je goed concentreerde. Mils zei dat Peter die contacten voor een soort trance hield in verband met zijn geloof en dat moest maar zo gehandhaafd blijven. Mils was al 20 jaar assistent van leider Nielsen geweest. Mils was degene, die zaakjes regelde in het land, waarover Nielsen leider was en dat was toevallig Natasha’s land.

            Hij nam een slok van zijn huiswijn die in kwaliteit minstens een grand cru van de Bordeauxwijnen benaderde, zoiets als een Chateau Latour van 1967. Hij dacht na hoe het allemaal gekomen was. Het was allemaal al 150 Aardjaar geleden, dat de eerste  doorgangen naar de aarde door toeval ontdekt werden. Het was in Natasha’s land, dat een vreemd licht al sinds mensenheugenis in de bergen aanwezig was. De plek werd vereerd door de gorilla mensen, die in de bergen woonden. Af en toe kwam er een vreemd dier door het licht naar buiten, meestal iets wat op een schaap of een geit leek, maar Naplet kende geen zoogdieren. Die beesten werden aanbeden door de lokale mensen en daarna opgegeten door de stamhoofden van de stam. Honderd en vijftig jaar geleden kwam er echter een mens uit het licht, een mens die nog leefde. De mens slaakte allerlei kreten, die de gorilla mensen niet verstonden. Ze gaven die mens voedsel en langzamerhand kwam er een communicatie tot stand alhoewel die mens geestelijk heel instabiel was. Het bleek een intelligent iemand te zijn, die na enige tijd met houtskool tekeningen maakte op bladeren en textiel en op het soort papier, die op Naplet bekend was. Door die uitingen werden de gorilla mensen nog nieuwsgieriger en begonnen hem te onderrichten in de taal van Naplet en speciaal van die Gorilla mensen. De Aardmens, zoals hij genoemd wilde worden leerde de taal tamelijk snel en daarna vertelde hij over waar hij vandaan kwam en hoe de mensen daar waren. Het gerucht van de aanwezigheid van de Aardmens kwam ook de lokale priesters ter ore en zij kwamen op bezoek en met hem praten. Ze vonden het zo interessant, dat ze hem meenamen naar hun klooster waar hij geheel verzorgd werd en aangemoedigd werd zijn verhaal op papier te zetten. Het boek was hij schreef werd de bron van informatie over de Aarde zo’n 150 jaar geleden. Bij alle geleerden en leiders stond dit boek op de plank, alhoewel altijd achter gesloten deuren. Er werd toentertijd namelijk besloten dit boek geheim te houden voor de normale man en alleen de hoogste priesters werden op de hoogte gebracht. De zaak werd nog veel belangrijker, toen de man ziek werd en genezers zijn biologisch systeem onderzochten. Ze vonden een hoogst ingenieus systeem bij de Aardmens om zuurstof op te nemen. Dat ging via een rood soort bloed, dat veel ijzer bevatte. Bovendien bleek bij nader onderzoek, dat het bloed van de Aardmens geneeskrachtig was voor de Naplettaners, in welke mate en hoe het werkte wist men niet, maar het gerucht ging rond dat levens met Aardmensen bloed verlengd kon worden.

De Aardmens overleefde zijn ziekte niet. Zijn bloed werd daarna afgetapt en hij werd gebalsemd en als een heilig relikwie in één van de hoofdkloosters van Rondu bijgezet. Het bloed werd naar de Noordrand gebracht en onderzocht. Maar het bleek één klonterige massa te zijn, die niet meer bruikbaar was voor wat dan ook. Sinds die tijd zijn honderden belangrijke mensen op zoek naar doorgangen, zowel positieve als negatieve, naar de Aarde. Vele zijn er gevonden en in geheime rapporten in kaart gebracht. Het was echter slechts 50 jaar geleden toen de eerste Naplettaner het waagde naar de Aarde te reizen door zo’n gat. Maar hij kwam niet terug en de 2de , 3de , 4de enzovoort ook niet. Echter na 20 Aardjaar vond men een man in de bergen, die verward was en onzin uitkraamde over een Aarde. Hij werd niet geloofd en de vinders brachten hem naar een klooster. De abt had geruchten vernomen over de Aarde en stuurde hem door naar de Rand. Zo kwam het balletje aan het rollen en de gedachte om een Aardmens naar Naplet te brengen, werd steeds sterker. En nu was hij er, ver weg, maar hij was er. Nielsen zuchtte eens diep. Moest hij de leiders daarvan op de hoogte brengen? De Aardmens was belangrijk voor hem. Hij was in conflict met leider Hansen om de voorzitter-leider van Rondu te worden. Het nieuws van de Aardmens kon de beslissing ten gunste van hem doen vallen. Maar de verkiezingen waren pas over minimaal 100 dagen. De vorige leider was een dag geleden gestorven en de traditie gebood het om minimaal 100 Naplet dagen te rouwen. Een nieuwe hoofdleider werd pas daarna gekozen. Neen, hij zou het nieuws van de Aardmens niet verspreiden. Het gezelschap zou zijn eigen weg naar de rand moeten vinden. Dan kon hij ook nagaan hoe sterk die Aardmens was. Het was een immense reis voor een onbekende maar Mils was samen met hem en kon hem vertellen hoe de reis vorderde. Hij zou een klein groepje voorbereiden om hen eventueel in het geheim te helpen. De Aardmens mocht niet doodgaan. Neen , hij mocht niet doodgaan.

Ik voelde een kriebel aan mijn neus. Ik deed mijn ogen open en daar zag ik weer het mooiste gezichtje, dat ik kende, Natasha. Ze scheen met mijn zaklantaarntje in mijn gezicht en fluisterde, dat we op moesten staan en verder moesten trekken. Het was al 6 Aarduur geleden, dat ik in slaap gevallen was en dus moest ik wel goed uitgerust zijn. Het was nog pikkedonker, behalve het licht van enkele sterren. In dit licht zag ik Mils en Bert al staan. Mils was zijn rugzak inpakken en Bert drentelde zenuwachtig heen en weer. Het was een heldere koude nacht. De temperatuur was volgens mij minimaal twintig graden onder nul en zou misschien nog wel dalen, alhoewel wij ook daalden en daardoor naar wat warmere streken gingen. Bij zo’n temperatuur is het moeilijk pissen en ook de grote boodschap gaat moeilijk, maar ik had die behoefte. Het leek of de Naplettaners dat wat minder vaak deden, misschien doordat ze allemaal vegetariër waren. Ik zocht een plekje en deed mijn broek naar beneden. Gelukkig was de stront behoorlijk stevig zodat een veeg met een handvol bladeren voldeed.  Dat was het nadeel van door de natuur trekken. Er waren zo weinig toiletten of misschien toch veel maar weinig comfortabel.

            Bert was druk met Natasha aan het praten en Natasha kwam bij me. Ze zei dat van nu af Bert de weg nog nauwelijks kende, maar dat er op deze weg toch ergens gevaar moest dreigen. Wat voor een gevaar wist hij niet. Ik zei optimistisch, dat we dat wel zouden merken, maar plaatste het grote mes binnen mijn handbereik los aan de gordel. Wat Mils en de anderen niet wisten is, dat ik een soort aansteker in één van de gordeltassen had, die als een kleine vlammenwerper kon dienen. De brandtijd was weliswaar kort, maar misschien zou het kunnen helpen bij het verjagen van beesten of zo. We gingen op weg, zoals gewoonlijk Bert en Natasha voorop en ik als achterhoede. We liepen langzaam maar gestaag en we daalden ook heel gestaag. Ik had het gevoel, dat we al wel een kilometer waren gedaald sinds we vanaf het dorp van de gorilla mensen vertrokken. Ik keek goed voor me om niet ergens over te struikelen, maar had ook alle tijd om over deze reis na te denken. Ik was er niet treurig om, dat ik de aarde had verlaten. Ik miste niemand en al dat boekhouden was misschien wel mijn beroep, maar het was niet echt een hobby geweest. Ik kon me niet goed voorstellen hoe de arbeidsverhoudingen hier op Naplet lagen. Hoe kwamen de mensen aan hun geld of was er alleen ruilhandel? Neen, we hadden munten meegenomen, dus er was wel sprake van een geldeconomie, in ieder geval in bepaalde mate. Er waren natuurlijk veel boeren e.d. maar wat deden de mensen in de steden? Natuurlijk was er handel, detailhandel, maar was er zoiets als diensten, banken , verzekeringen? Daar zat de aardse cultuur, de Westerse cultuur nu vol van . En natuurlijk ambtenaren, onderwijs, justitie en was er zoiets als bouw/ Er moesten toch huizen gebouwd worden en wegen en boten. En ja Mils had in Leuven ook iets gezegd over een soort treinen of was dat Natasha? De indrukken vloeiden een beetje in elkaar over, neen Natasha had dat gezegd toen over haar thuisland sprak. Die treinen moesten dan wel van hout zijn evenals de rails of hadden ze een ander systeem? Al dit soort gedachten flitsten door me heen terwijl we langzaam en gestaag liepen. We hadden misschien al 50 kilometer afgelegd van de 10000, die de hele tocht besloeg, dus al een half procent. Ik moest erom lachen, nog 200 maal zo ver en dan waren we in de buurt van ons doel. Er moesten toch snellere wegen zijn, die naar de rand leiden. In dit tempo kon het wel 1 ½ Aardjaar duren voordat we er waren en dan ook nog als alles voorspoedig ging en ik had wel zo het gevoel, dat er nog heel wat moeilijkheden zouden komen.

            We hadden  zo’n  4 uren gelopen volgens mijn Aardse klokje nog, wat ik meegenomen had om een soort tijdsbesef te houden. Het was dus tijd om een rustpauze in te lassen alhoewel ik me nog niet echt vermoeid voelde en mijn voeten niet zeer deden. Waarschijnlijk was dat het gevolg van een iets geringere zwaartekracht en een grotere concentratie zuurstof in de lucht ondanks een redelijk lage luchtdruk. Ik dacht weer terug aan mijn conditie training in de periode van voor de reis en was nogmaals blij, dat ik het gedaan had. Ik liep naar voren en vroeg Natasha of het niet tijd was voor een rustpauze en een beetje eten en drinken en zij vond het een goed idee, alleen moest daarvoor een goede plek gevonden worden. En Natasha had samen met Bert die plek binnen 5 minuten gevonden, weer onder een overhangende rots en weer bij een klein watervalletje. We deden onze rugzakken af, namen er een beetje gedroogd vlees uit en ondertussen zochten Bert en Natasha weer vruchten of knollen. Bert was daar een kei in en met zijn gepunte stok vond hij snel een paar knollen, een soort voederbieten, maar wel smakelijk. Het vlees was zeer in trek, maar we zouden er niet lang van genieten. Het zou op zijn voor we goed en wel de bergen hadden verlaten. Dan zouden we andere voedsel bronnen moeten vinden om aan eiwitten te komen. Dat gold vooral voor mezelf. Ik wist niet hoe het met het voedselpatroon van de Naplettaners zat.

            We zaten een tijdje te eten toen me een licht gonzen in de omgeving opviel. Het was donker en ik zag weinig dus niks bijzonders. Ik vroeg Natasha of ze het ook hoorde en zij beantwoordde die vraag positief. Ook Bert keek op en spitste zijn oren en toen wees hij met schrik in zijn ogen naar de grond. Ik zag het ook. Op nog geen 5 meter van ons vandaag zag ik een soort mier, een groot soort mier, een mier van wel 2 centimeter lang, en nog één en nog één. Vele mieren kwamen langzaam op ons afgekropen. Ik pakte snel mijn rugzak en zei Mils hetzelfde te doen. Zo’n paar mieren zouden we toch wel de baas kunnen? Maar Bert was als versteend en ik was genoodzaakt hem een flinke draai om zijn oren te geven. Hij schreeuwde het uit. Ik vroeg Natasha hem te bedaren en te vragen wat dit te betekenen had. Na enig geschreeuw bedaarde Bert een beetje alsof hij beruste. Bert zegt, dat het onze dood betekent, we zijn in een mierenkring terecht gekomen. Een mierenkring is wel een kilometer groot en daar vreten mieren alles op wat in hun weg komt. Hij zijn miljoenen, miljarden mieren met heel hun organisatie en woonplaatsen. Zij dulden niemand binnen zo’n gebied. Als ze met duizenden tegelijk aanvallen ben je verloren. Ik dacht aan de piranha’s in de Amazone rivier. Dus ze vraten je met huid en haar op. Is dit het einde? Wat is er tegen te doen? Er moet toch een eenvoudige oplossing zijn. Een mes helpt niet maar hoe zit het met vuur. Niet zo lang geleden dacht ik nog aan mijn aansteker met vlamwerper capaciteit en ik pakte dat ding, zette de vlam op groot, richtte in de richting van de mieren en liet het vuursteentje zijn werk doen. Een vlam van wel een meter schoot er uit en de voorste mieren verschrompelden, waar je bijstond. Vlug zei ik de anderen om achter me aan te lopen en liep richting pad. Er waren duizenden mieren en ik richtte voor mij uit en vuurde. De mieren weken uiteen en er ontstond een soort doorgang. Vlug liep ik door de doorgang. Ik voelde wel een paar mieren aan mijn benen en voelde iets als muggensteken, maar daar trok ik mij niets van aan. Zo liepen, renden we wel 10 minuten lang en allemaal mieren, echter niet zoveel als in het begin. Het was alsof deze mieren nog niet van onze aanwezigheid afwisten. Na tien minuten nam het aantal mieren sterk af en binnen 100 meter was er geen één meer te zien. Dat was ook wel nodig want de sigarettenaansteker was bijna leeg.  Ik verlangzaamde mijn pas en schudde met mijn benen. Ik zag nog een paar mieren, die aan mijn broek en mijn benen hingen. Ik pakte die tussen duim en wijsvinger en kneep ze dood. Ze waren taai en als ze knapten kwam er een groen soort massa uit. Ik keek om en zag Mils, Bert en zelfs Natasha met grauwe gezichten ook de mieren van hun benen verwijderen en er zaten wondjes aan hun benen net als aan de mijne, die tamelijk zeer deden. Ik wist niet of het gevaarlijk was of er ontstekingen kwamen of er ja je weet nooit. Ik vroeg Natasha en zei overlegde met Bert. Ja er kwamen ontstekingen van en dat kon verdomd pijn doen. Een stuk of 20 van die ontstekingen en je kon er wel dood aan gaan., maar er was een remedie voor en niet een moeilijke. De bladeren van de “sinaasappelboom” onttrokken als het ware het gif van de mieren uit de wond en dan waren de wondjes binnen 8 Aarduren verdwenen. En de “sinaasappelboom” kwam hier nogal frequent voor dus daarnaar moesten we op zoek. Het zoeken viel toch tegen in het donker, maar na een uur werd er zo’n boom gevonden en Natasha en Bert haalden wat bladeren van de boom waarbij mijn mes zijn nut bewees en ik in Bert’s ogen een nog belangrijker man werd. De bladeren werden om de benen gebonden en vastgezet met een soort helmgras en wij strompelden voort om weer een goeie rustplaats te vinden en zoals gewoonlijk vonden we die ook. Ik voelde mijn benen nauwelijks meer, maar Natasha verzekerde me nogmaals, dat het binnen 8 Aarduur weer beter was. Ik hoopte, dat dat het geval was en Natasha had me tot nu toe nog niet teleurgesteld. We vonden weer een plekje onder een overhangende rots en gingen zo goed en kwaad als kon op de bodem liggen. Het was verdomd koud, maar de pijn in de benen was erger. Ik hoorde van verschillende kanten gesteun, maar dat werd langzaam minder. Iedereen werd overvallen door de slaap, maar ik was de laatste, die in slaap viel. De adrenaline zat me tot in mijn strottenhoofd. Maar eindelijk was ik weg.

            Ik voelde getik op mijn borst en werd wakker. Natasha stond voor me nog steeds in het donker. Ik huiverde van de kou en herinnerde me ineens het avontuur van voor de slaap. De mieren en de benen, maar de benen deden geen pijn meer. Als een wonder was de pijn verdwenen. Ik wikkelde de bladeren van mijn benen en zag nog een 20tal wondjes maar er zat al een kostje overeen. De benen zouden nog wel een tijdje gestippeld blijven, maar daar had ik verder geen last van. Ook Bert en Mils waren wakker en liepen naar ons toe. Ze zagen er beter uit dan voor onze rust maar ik zag nog steeds de angstige blikken in hun ogen alsof de mieren elk moment terug konden komen. Ik vroeg Mils hoe het in vredesnaam mogelijk was, dat zo’n grote kolonie mieren ons pad kon kruizen en dat die ook werkelijk het pad kruisten. Normaal kwamen hier toch af en toe mensen langs en hadden de mieren die dan niet aangevallen. Mils werd ineens weer de onderwijzer, die hij ook in Leuven was geweest. Peter je weet, dat we op deze planeet geen zoogdieren hebben behalve dan de twee soorten mensen. Daarentegen hebben we een grote variatie aan vissen, vogels, reptielachtige dieren en ook mieren, muggen en allerlei soorten vliegen, vlinders etc.. Van de mieren zijn er verscheidene soorten, ook de soorten in de richting van jullie termieten. Deze kolonie is een soort bosmier, maar dan 5maal zo groot als op de aarde en de kolonies zijn wel 1000maal zo groot. Zij zijn vegetarisch maar eten ook alle soorten vlees van reptielen en dergelijke. Zij vreten de boel kaal en verplaatsen zich dan. Eigenlijk verplaatsen ze zich continue, een dor landschap achterlatend. De verplaatsingssnelheid is wel zo’n kilometer per aardjaar en toevallig hebben ze nu het voetpad naar beneden bezet. Die bezetting zal wel een Aardjaar duren dus zullen we langs deze weg geen achtervolgers meer hebben, een gelukje bij een nare ervaring.

            Mils viel weer terug in zijn normale ik. Dat was het dan kolonies trekkende bosmieren, die alles en iedereen verslinden, een leuk planeetje, dat Naplet. Dan zullen slangen, reptielen en vogels ook wel andere dimensies hebben, maar hoe nu verder. Ik gooide in de groep hoe ons plan verder moest zijn. Hoe kwamen we zo snel mogelijk hier uit de bergen en waar moesten we dan verder naar toe. Natasha kwam met een zeer goed idee. Zouden we niet kunnen varen? Vroeg ze zomaar. Een schip gaat veel sneller dan lopen en bovendien vaart een schip dag en nacht. Maar hoe kwam je aan een schip en liepen we dan onderweg geen gevaar? Nu was ik Nederlander en boekhouder van mentaliteit en die weten, dat voor geld van alles te koop is, dus ik suggereerde om ergens naar een plaats aan een rivier te gaan en daar een schip te huren met bemanning en al om dan naar het Noorden te varen.  Ik wist niet precies waar we waren maar misschien Mils en Natasha en Natasha had natuurlijk ervaring met varen omdat ze rivierpiraat was geweest. Mils mengde zich weer in het gesprek. Hij wist meer van de details van Naplet als hij vooreerst liet merken. Hij deed zijn jas open en haalde uit de binnenzak een soort kaartje van Rondu en liet het ons zien. Bert’s ogen vielen open. Van dat soort dingen als kaarten had hij nog nooit gehoord, laat staan gezien. Het kaartje was een soort overzichtskaart van Rondu, waarbij het cilinder oppervlak als een plat vlak werd weergegeven. Dat was stuk gemakkelijker als bij een bol als de aarde. Als een bol uitgevouwen wordt ontstaat er een soort ovaal en in normale kaarten van het oppervlak wordt dat ovaal weer als een rechthoek weergegeven, waardoor het Noorden en het Zuiden vervormd worden en veel te groot uitvallen. Daardoor lijkt Siberië ook altijd groter dan in werkelijkheid maar het blijft wel heel groot. Maar bij een cilinder heb je daar geen last van. Wij zijn ongeveer hier en Mils wees naar de kaart. De dichtstbijzijnde rivier is de B-rivier en een grote plaats, Bethesda ligt hier en hij wees een stipje op de kaart aan. Dat is van hier nog zo’n 500 kilometer verwijderd. Na enige discussie besloten we die richting op te lopen. Het was natuurlijk naar het Noorden en wat naar het Oosten. Overdag zou je je op de zon kunnen oriënteren, maar nu was dat nog niet het geval. Het zou nog zo’n 10 Aarduur donker zijn en dan zou de Zon in het Zuidoosten opkomen, maar waarschijnlijk was die nog niet te zien vanwege de bergen in onze rug. Het zou nog lang schemerig blijven, voordat de zon over de bergkam heen zou schijnen, maar oriëntatie zou dan wel mogelijk zijn. Voorlopig moesten we maar de berg aflopen. We waren al behoorlijk gedaald, waarschijnlijk al een paar duizend meter, maar Bethesda  lag op zo’n 5000 meter hoogte en dat was nog wel 8 kilometer naar beneden. Ik had een beetje bezwaar bij een grote stad maar Mils zei, dat in een grote stad ik wat minder zou opvallen. Met mijn lengte behoorde ik tot de grootste mensen op Naplet, maar in een stad waren en wel meer grote mensen. Bovendien was Bethesda een handelsstad en waren de kerk en de kerkpolitie er niet sterk vertegenwoordigt. Ik nam dat maar aan van Mils maar ik vertrouwde hem toch niet helemaal. Zijn stemmingen waren zo wisselend, de ene keer bang en in zichzelf gekeerd, dan weer de onderwijzer, die alles beter weet. Maar voor het moment leek me ons plan om naar Bethesda te gaan, een goede oplossing. Het was een Aardweek of 2,3 lopen en ik verheugde me er al op het opkomen van de zon en de vergezichten, die hier mogelijk waren. De vorige Naplet dag had ik me ook al zo staan verwonderen.

            We gingen weer op pad en die voettocht verliep heel rustig. Iedereen was wat beter in de stemming en we maakten flinke vorderingen. Ik denk, dat wel zo’n 30 kilometer tussen de slaap pauzes aflegden. Mijn benen deden we niet meer zeer en ook mijn voeten voelden goed aan. Ik had speciale wandelschoenen gekocht op de aarde en dat was en goed idee geweest. Bovendien was de wat geringere zwaartekracht van groot voordeel voor mij. Op de aarde woog ik zo’n 85 kilo maar hier was dat maar 65 tot 70 kilo. Het is dus alsof je 15 tot 20 kilo afvalt, maar al je spierkracht behoudt. Het hart kan je bloed beter rondpompen en alle processen verlopen wat vlotter. Bovendien nam bij het afdalen van de berg de luchtdruk toe en dus ook de hoeveelheid zuurstof in de lucht. De zuurstofdruk was nu al een 5 % hoger als normaal op de Aarde is en ik voelde me sterk en gezond.

            De vlees voorraad slonk snel en over een Aardweek waren we waarschijnlijk door onze voorraad heen en moest ik vegetariër worden. Voor mij leek me dat niet zo’n probleem maar Mils was helemaal verslaafd geraakt aan vlees, dus die moest weer afkicken. Misschien was er in de buurt van de rivier wel vis te koop en ik was gek op vis en zeevruchten. De rivieren zouden hier ook wel een soort zeevruchten bevatten. Na weer een wandeling van 8 uur vonden we een geschikte plaats om te slapen en ik viel, na mijn behoeften te hebben gedaan en wat vruchten en knollen te hebben gegeten, onmiddellijk in slaap. Ik droomde van mooie vrouwen, Natasha en mooie landschappen en schrok wakker omdat het niet helemaal meer donker was en toen ontvouwde zich het mooiste beeld voor me in het schemer. Ik kon nog niet zo ver zien, maar ik zag een dalend landschap, met de meest fantastische pasteltinten, van licht- naar donkergroen, van blauw over geel naar rood met hier en daar bruine vlekken. Ik zou er een gedicht over kunnen schrijven, maar had er nu de woorden niet voor. In de verte zag ik iets als een klein beekje, dat naar rechts dartelde, dus naar het Oosten. Die kant zouden we ook uitmoeten naar de grote B-rivier, dus misschien was de route niet al te moeilijk naar die rivier. En misschien zwommen er wel vissen in het beekje, dat zou een welkome afwisseling zijn voor ons menu. Gisteren had ik al geen gedroogd vlees meer gegeten. Het kwam mijn strot uit, maar ja, ik moest aan eiwitten komen en misschien was vis wel de oplossing.

            Ik zat daar zo een uurtje voor me uit te staren en een beetje te mijmeren over vissen, mensen en Goden. De godsdienst hier had nogal veel macht. Zij bepaalde wat er in grote lijnen gebeurde en had bovendien de politie en het leger? in handen. Hoe de landen geregeerd werden, was me niet duidelijk, maar ik had het vermoeden, dat de mensen aan de Noordrand een flinke vinger in de pap hadden. Ik zou daarover met Mils nog van gedachten moeten wisselen. Misschien kon ik hier in Rondu nog een rol van betekenis spelen. Ik scheen toch een belangrijk persoon te zijn anders hadden ze me niet gehaald. Langzaam werden de anderen ook wakker en schenen niet zo op te kijken van het landschap als ik gedaan had. Ik stelde hen voor in de richting van het riviertje te lopen. Ik had me voorgenomen om een bad te nemen althans mij geheel te wassen. Ik voelde me vies, ik wilde mijn onderkleren wassen en de enige verschoning aantrekken, die ik nog bij me had. De temperatuur was inmiddels opgelopen naar het vriespunt, maar voor mij voelde het warm aan naar al die koude nachten of eigenlijk één nacht met een drietal slaapperiodes. Het riviertje leek me niet ver en ik ging met grote stappen die richting uit. De afstand viel nog vies tegen, misschien wel 3 kilometer maar ik was er binnen een half uur. De anderen konden me met hun korte beentjes niet volgen. Ik kleedde me rap uit, maar hield mijn ondergoed aan. Dat werd dan meteen gewassen. Het voelde redelijk koud en toen ik in het water stapte was het snerpend koud, maar toch er geheel in en kopje onder. Ik voelde iets aan mijn benen knabbelen, maar ik trok me er vooreerst niets van aan. Na 30 seconden werd het me te koud en voelde ik iets aan mijn been hangen. Ik stapte snel uit het water en zag beneden op mijn been een groot soort slak, wel 10 cm in diameter. Ik trok de slak van mijn been af, maar die zat behoorlijk vast en toen ik die losrukte zag ik iets van een wondje dat een beetje bloedde. Ik schrok, dat beest kon wel vergiftig zijn en uit voorzorg pakte ik mijn been , bracht het richting mond en gelukkig kon ik met mijn mond bij de wond en zoog er wat bloed uit. Ik spoelde mijn mond met een beetje water en rilde. Het was nog ontzettend koud. Ik trok mijn ondergoed uit en hing het over een tak van een boom, een soort treurwilg. Achter de boom ging ik mijn behoefde doen, al rommelend in de rukzak om de verschoning te vinden, die ik vliegensvlug aantrok vooral het hemd.  Het was van dik katoen en zoog mijn huid als het ware droog. Dat gaf in ieder geval weer wat warmte en ik voelde me ook een stuk schoner. Mijn kont met een polletje gras afgeveegd, waarvan er vele langs het riviertje stonden. Ik liep weg van de behoefte plaats met mijn onderbroek nog onder aan mijn benen, in de richting van mijn stapeltje kleren. Op dat moment kwamen Natasha, Bert en Mils eraan lopen. Ze keken in mijn richting en keken met grote ogen. Misschien was mijn lul, alhoewel gekrompen door het koude water nog van grote afmetingen voor Naplet mensen. Ik trok snel mijn onderbroek omhoog en begon mijn hemd aan te trekken. Natasha vroeg direct wat ik gedaan had. Op haar vragende blik antwoordde ik, ik heb in het beekje gebaad en ze gaf een verschrikt met haar stembanden die ze verder alleen voor Bert gebruikte om met hem te praten. Dat is gevaarlijk, daar zijn giftige beesten in het beekje. Oh zei ik, dat dacht ik al, ik ben er door één gebeten een soort slak en ik wees de plek, waar ik het beest op de grond gegooid had. Natasha schrok wee. Die is hartstikke giftig, geeft verlammingsverschijnselen. Ik stelde haar gerust en zei dat ik de wond uitgezogen had, maar ze wilde de wond toch bekijken. Ze scheen verstand van wonden  te hebben wat al gebleken was bij de mierenbeten. Ik weet hier wel iets voor zei ze me en ze liep weg. Ik kleedde me verder aan waarbij ik mijn broek nog even  uitliet. Binnen 5 minuten was ze terug met een soort bloem, die ze op de wond drukte en daarover een wilgentakje om het vast te zetten. Zei was tevredengesteld en ik ook. Ja je moest hier oppassen op Naplet, het was geen Aarde, maar ik was toch blij, dat ik me gebaad had. Ik voelde een vreselijke honger en vroeg of er niet iets eetbaars in de beek zat. Ja, dat was het geval, er waren een soort vissen die via hun beschrijving op forellen leken, vissen die wel 3 kilo groot konden worden. Maar hoe die te vangen? Ik liep richting beekje en zag inderdaad boven in het water een soort vis zwemmen. Dat was me de eerste keer niet opgevallen. Ze zwommen op de plek waar ik ondergedompeld was geweest en dat zette me aan het denken. Is de menselijke geur aantrekkelijk voor die vissen? Misschien kon ik een primitieve hengel maken van bijvoorbeeld een wilgentak met daaraan een stuk touw. Ik had nog touw in de rugzak, het weliswaar veel dikker dan normaal vissnoer maar deze vissen hadden misschien nog nooit een hengel  met een touw gezien. Het aas moest dan een stukje vlees zijn en we hadden nog gedroogd vlees. Dus ik aan de gang, een flinke wilgentak afgesneden, ook een stuk touw van een meter of 3 en onderaan het touw een stukje vlees. Tja hoe kwam ik aan een haak? Ik keek in mijn spulletjes aan mijn riem en daar zat zowaar een veiligheidsspeld bij. Waarom ik die ingepakt had? Misschien nog door mijn jeugd in het kindertehuis. Veiligheidsspelden waren een must om je broek aan je hemd te spelden. Anders zakte die af, de broeken waren meestal op de groei gekocht. Het touw was makkelijk aan de veiligheidspeld vast te maken en dan het stukje vlees aan de geopende speld. Ik keek triomfantelijk naar mijn hengel en de anderen keken belangstellend toe. Wat was die rare, grote Aardman nu weer aan het doen. Ik gooide de hengel uit, drie meter uit de kant, precies voor de vis zijn bek en tot mijn verbazing aarzelde de vis geen moment en hapte toe. Ik was helemaal geen visser, maar ik kan me niet voorstellen, dat iemand ooit zo snel een vis gevangen heeft. Het was nog even moeilijk de vis aan de kant te trekken, maar dat lukte wonderbaarlijk en binnen een minuut stond ik in mijn handen met een forel van 2 kilo. Ik stond te juichen en te dansen en Bert en Natasha dansten mee. Mils liet een goedkeurend gemompel horen. De vis was groot genoeg als voedsel voor ons vieren. Natasha ontfermde zich direct over de vis om hem schoon te maken. We moesten wel een vuurtje maken, maar met behulp van de houtjes van Bert en mijn aansteker, lukte dat snel. De vis werd ontdaan van zijn ingewanden en ik zocht 4 fatsoenlijke takken, die ik aanpuntte  met mijn mes. De schoongemaakte vis werd in vieren gedeeld en aan ieder der takken werd een stuk vis gepunt. Ieder was verantwoordelijk voor zijn eigen stuk vis, moest die lichtgebakken, medium of doorgebakken zijn. Ik hou van vis die net niet meer rauw is en was ook het eerste aan het eten. De vis smaakte voortreffelijk, eerder naar zeebaars, dan naar forel, maar lekker?!! Ik keek met afgunst naar de anderen, die wat later aan het eten waren en zowel Bert als Natasha hielden een stuk over, dat ik met smaak verorberde. Dit was het beste wat ik tot nu toe op de reis gegeten had. Ik bekommerde me niet meer over mijn been en was in een opperbeste stemming. We braken op en liepen opgewekt langs het beekje, die naarmate de wandeling vorderde meer en meer een beek en een rivier werd. Ik vroeg me af of we aan de goede kant van de beek/rivier liepen. Immers moesten we naar het Noorden en als we bij de B-rivier aankwamen zouden we deze rivier ook over moeten steken. We liepen dus aan de Zuidkant en ik vroeg Mils of dat een bezwaar was. Mils antwoordde, dat er bij het samenvloeien van zijrivieren met de B-rivier altijd veerponten waren en dat voor een enkele aluminium munt per persoon overgestoken kon worden. We bezaten echter alleen koper en nikkelen munten en koper vertegenwoordigde al 10x de waarde van aluminium munten, dus één koperen muntje was genoeg om ons over te zetten en dan kregen we nog wisselgeld ook. Mils waarschuwde me om niet teveel van de munten te laten zien. Er waren nogal veel zakkenrollers en struikrovers langs de grote rivieren en een overval was zo gepleegd. Misschien moesten we wel een paar betrouwbare personen inhuren om ons op de reis te beschermen tegen onverwachte gebeurtenissen. Ik dacht daar over na. We moesten het gezelschap niet te groot laten worden, maar 2 betrouwbare personen was misschien een optie. Hoeveel zou zo iemand kosten vroeg ik Mils. Oh, misschien een koperen muntje per Naplet dag. We hadden genoeg koperen muntjes en bovendien vele nikkelen, die nog 5x zoveel waard waren. We zouden wel zien.

            Het was moeilijk om bij de hoogstaande zon te slapen, maar rustpauzes waren natuurlijk wel nodig gedurende onze dagwandeling. De temperatuur was opgelopen tot wel 10 graden Celsius in de schaduw en in de zon was het wel 20-25 graden. Ik zat af en toe te puffen in mijn pelsjas en deed hem dan ook helemaal open. Als we bij de B-rivier waren zou ik die jas misschien kunnen inruilen voor wat luchtiger Naplet kleren en vroeg Mils of zoiets mogelijk was. Mils schrok van mijn voorstel. Zo’n pelsjas was onbekend op Naplet en kon wel eens veel geld waard zijn. Hij zou zijn jas in ieder geval niet inruilen, maar het was natuurlijk mogelijk andere kleren te kopen. Vooral in de dorpen, die meestal bij uitmondingen van rivieren in de B-rivier waren gesitueerd, was van alles te koop en was eten ook volop beschikbaar.

We waren al behoorlijk in hoogte gezakt en de luchtdruk nam nog steeds toe. Het lopen werd voor mij steeds gemakkelijker en genoot nog steeds van de vele vergezichten en kleuren van het landschap van Naplet. We hadden alweer zo’n 100 km gelopen, toen het weer schemerig werd en de temperatuur weer beneden nul daalde. Het werd echter niet meer zo koud als in het begin van de reis. Ook gedurende de Naplet nacht liepen we stevig door en daar het ’s nachts moeilijk was om te vissen werd het gedroogde vlees verorberd en aan het einde van die nacht was het allemaal op behoudens een paar ons, die ik achterhield voor de vissen.

Het werd weer dag en we hadden al zo’n kleine 300 kilometer gelopen. Waarschijnlijk nog een dag en een nacht en we zouden bij de B-rivier arriveren en ik was benieuwd hoe de contacten met andere Naplettaners, mensen uit Rondu, zouden verlopen. Het vissen ging nog steeds heel gemakkelijk en ons voedsel bestond dus uit vis, enkele soorten knollen en veel soorten sappig fruit. Ik had mijn hele leven nog nooit zo gezond gegeten. Ik dronk het water uit de rivier, maar het fruit gaf me veel vocht. Ik merkte, dat mijn stofwisseling aanmerkelijk sneller verliep dan van de andere drie reisgenoten. Ik moest veel vaker mijn behoefte doen en ook plassen was meer frequent. De Naplettaners deden hun behoefte alleen aan het begin en het einde van de dag. Ik at ook veel meer dan de anderen, eigenlijk wel net zo veel als de anderen samen. Misschien was de menselijke, Aardse vertering, wel minder efficiënt dan die van de mensen op Naplet. Ach het was wel lastig maar verder niet zo belangrijk.

De nacht ging weer in en we hadden geen vlees meer. Ik probeerde ook ’s nachts te vissen en dat ging enigszins, zodat ons dieet die nacht niet veel veranderde. Ik moest nog steeds wennen aan de lange nachten. Neen, dan was het dag/nacht ritme van de Aarde voor mij toch een stuk gemakkelijker. De voettocht liep verder zeer voorspoedig. We kwamen geen vreemde zaken meer tegen en bij het aanbreken van de dag zag ik in de verte een groot water. We waren bij de B-rivier gearriveerd.

 

7. De B-rivier

 

            Het reisgezelschap verkeerde in staat van opwinding. Na 500 kilometer te hebben gelopen bereikten we ons eerste doel, de B-rivier. We zagen in de verte onze beek, die al een rivier geworden was uitmonden in een groot water. Het moest een rivier zijn maar de overkant was niet te zien doordat de kromming van Naplet loodrecht op de cilinder as veel groter was dan de kromming van bijvoorbeeld het aardoppervlak. We konden die uitmonding zien, omdat we nog een 100 meter hoger stonden. De afstand schatte ik op zo’n 10 kilometer, maar voor we naar beneden liepen wilde ik toch eerst nog goed ontbijten en een nieuwe verschoning aantrekken. De vorige was gedurende de vorige Naplet dag goed gedroogd en ik had die weer in mijn rugzak opgeborgen. Ik liep naar de rivier, trok al mijn kleren uit en waste me zo goed en kwaad als het ging in de rivier. Ik betrad de rivier daarbij voorzichtig en deed ook meteen mijn behoefte in de rivier, zodat ik alles schoon kon maken. Het water was nog steeds fris, maar niet zo koud meer als bij mijn eerste baad partij. Ik lette op dat er geen vreemde beesten in mijn buurt kwamen. Het vorige wondje in mijn benen herinnerde ik nog goed. Het was goed, dat Natasha allerlei middelen wist om dit soort wonden te helen. Waarschijnlijk had ze tijdens haar piraten bestaan veel kennis opgebouwd. Ik voelde me weer verfrist alhoewel een stukje zeep of iets dergelijks mijn huid nog beter schoon zou kunnen maken. Misschien was er in de steden en dorpen wel iets dergelijks te koop. Ik kleedde me weer aan en haalde min trouwe hengel tevoorschijn, mijn hengel met de veiligheidsspeld en ik deed er een stukje vlees aan. Ik had misschien nog 50 gram, maar dat was genoeg om te vissen. En ja binnen een paar minuten had ik weer een vis aan de speld. Voorzichtig haalde ik in. De vis spartelde flink en ik stapte in de rivier om de vis te grijpen. Dat was maar goed ook want de speld zat niet echt goed vast. Hij was al een beetje verbogen, niet gek met een vis van wel 3 kilo. Ik stapte uit de rivier, deed mijn rugzak aan en nam mijn sokken en schoenen en de vis in mijn armen. Dat ging nog net. Oh ja, misschien is het handig om een paar koperen munten te pakken en in mijn broekzak te doen. Waarschijnlijk hebben we die nodig voor de veerpont en om eventueel in het dorp beneden iets te kopen. Dus ik haalde mijn rugzak weer open en haalde de bundel met koperen muntjes eruit en deed er een stuk of 10 in mijn broekzak. Dan weer ingepakte en terug naar de overnachtingsplek. Aangekomen bij ons overnachtingsplek zag ik dat Natasha en Bert al druk in de weer waren geweest. Er waren vruchten en knollen en Bert was bezig een vuurtje aan te steken met de aansteker, die ik hem gegeven had. Hij voelde zich al heel belangrijk, ook al omdat hij een handigheid had om vuurtjes te maken. Mils zat nog op zijn slaapplek en leek weer in trance. Ik liet dat maar gaan. Mils was niet de kampeerder, die allerlei dingen regelde, neen, dat waren Bert en Natasha, daar had je nog eens wat aan. Ik liet Bert mijn vis zien en hij sloeg een kreet. Zo’n grote vis had hij nog nooit gevangen. Ik gaf Bert mijn grote mes en vroeg hem met gebarentaal de vis te slachten. Met een bijna heilig gebaar nam hij het mes in zijn handen, zo’n mes was er waarschijnlijk op heel Naplet niet, een mes van roesvast staal met een houten handgreep, iets dat leek op een Fins legermes. Hij was verassend handig om er de vis mee te slachten en binnen de kortste keren zaten er vier moten aan een gepunte tak, die hij van de wilgenboom aan de rivier afgesneden had. Er was nog een stuk vis over ook en hij puntte nog een tak voor een 5de stuk. Hij wist, dat ik een groot eter was. Alle stukken werden op het vuur gelegd en geroosterd. Bert wist, dat ik de stukken vis iets rauwer moest, maar daar hij mijn stukken iets groter had gelaten,  waren alle stukken na ongeveer een half Aarduur gaar genoeg om te eten. Mils was ondertussen ontwaakt uit zijn trance en liep onze richting uit. Hij gaf te kennen flinke honger te hebben en dus hij kon zo aan onze dis aanschuiven en eten. Het smaakte me weer voortreffelijk evenals de vorige keren. Na het bad, de verschoning en het eten voelde ik me helemaal top. Alvorens verder te lopen, wilde ik mijn ondergoed eerst nog wassen en dat deed ik in de rivier. Echt vuil ging er niet uit, maar de zweetlucht was in ieder geval verdwenen. Ik hing mijn ondergoed aan de hengel en bevestigde die aan de rugzak. Het ding stond bijna recht omhoog maar dan kon het ondergoed goed drogen.. Ik wist niet hoe de rest van ons gezelschap met kleren omging. Misschien zweten Naplettaners veel minder dan ik, veel minder dan de meeste Aardmensen, want ze waren niet zo bekommerd over hun kleren als ik was. Ik zou er nog eens naar vragen. We waren gereed om te vertrekken en vrolijk liep het gezelschap in langzaam dalende lijn langs de rivier.

            Na een Aarduurtje of 2 lopen kwamen we bij de uitmonding aan. Zoals we uit de verte gezien hadden, was er een soort dorpje in de landtong tussen de grote B-rivier en onze rivier, zoals ik die maar zal noemen. Er stonden een twintigtal huizen schots en scheef door elkaar. Het waren huizen van één verdieping, een aantal kleinere houten huizen, een soort schuurtjes en een vijftal grotere huizen van een soort leem. Deze laatste huizen vertegenwoordigden allerlei soorten nering. Ik zag iets van een eetplek, een soort winkeltje en bij de oever, dichtbij de aanlegplaats van de veerpont stond een huisje, waarin een rij mensen voor een loket stond. Mils wees me dat huisje aan. Daar kunnen we kaartjes kopen voor de veerpont zei hij. De kaartjes zijn nogal duur voor deze mensen, één aluminium munt, maar voor ons is dat natuurlijk niks, met al onze koperen en nikkelen munten. Ik vertelde Mils dat ik wat koperen munten los in mijn broekzak had gedaan en hij zei verrast, dat hij daar niet aan had gedacht. Bij drukke punten als veerboot aanlegplaatsen zijn er altijd wel wat lui, die je willen beroven of je zakken willen rollen. Laten we eerst maar kijken of we kaartjes kunnen kopen voor de veerpont en nagaan wanneer de vertrektijden zijn. Mils en ik liepen naar het gebouwtje naast de pont terwijl Natasha en Bert een beetje gingen rondkijken binnen dit kleine dorpje op het kruispunt van rivieren. We liepen richting veergebouw en de meeste mensen staarden me aan. Ik was 1 meter 85 maar de meeste mensen waren hier niet langer dan 1 meter 50. Zelfs Mils met zijn 1 meter 70 was een grote meneer en ook Natasha was duidelijk boven de gemiddelde lengte. De deur van het veergebouw was ook niet hoger dan 1 meter 80 en ik moest mij bukken om het gebouw binnen te komen. Ik verlangde al een tijdje naar een echt bed, maar die zouden voor mijn lengte wel eens tekort kunnen zijn. In Nederland was ik nog van gemiddelde lengte geweest, maar hier was ik bijna een reus. Mils was ondertussen bij een loket gaan staan en kocht 4 veerkaartjes voor de koperen munt, die ik hem gegeven had. Hij kwam weer terug met de mededeling dat de volgende pont over 3 Aarduur vertrok en wij dus nog even de tijd hadden om over te steken. Waarom zo lang wachten vroeg ik hem. Een overtochtje kost misschien 10 minuten. Die vraag kon hij niet beantwoorden, maar veerponten schenen duur te zijn en niet veel mensen maakten de oversteek. We hadden dus ruim de tijd om nog wat zaken te doen en ik vroeg Mils of er misschien een textielzaak of zoiets was. Mijn bontjas was veel te warm en ik wilde wel één of ander luchtiger jas kopen. Ik wilde eigenlijk de bontjas wel kwijt. Dat ding de hele tijd meeslepen, daar had ik ook geen zin in. Mils schrok bij mijn idee om de bontjas te verkopen. Die jassen waren op Naplet niet aanwezig en vertegenwoordigden een schat. Volgens mij was dat niet het geval. Voor de mens hebben onbekende voorwerpen geen grote waarde zoals een oud boekhouder me ooit eens gezegd heeft. Er bleek een textielzaak te zijn en ik ging naar binnen. Een aardig klein dametje vroeg mij of ze van dienst voor me kon zijn. Ik was al zeer aan gedachtpraten gewend, maar nu ik het van een vreemd iemand hoorde, klonk het toch een beetje raar. Ik stotterde in gedachten, maar wist toch uit de brengen, dat ik één of ander jack wilde. Ze keek mij aan en schudde langzaam haar hoofd. Zo’n maat had ze niet in voorraad en zo’n maat had ze nog nooit in voorraad gehad. Zo’n grote kerel had ze eigenlijk ook nog nooit gezien. Maar misschien was er in Bethesda wel een winkel, waar ze zeer grote maten verkochten. Of misschien moest ik er één laten maken. Teleurgesteld liep ik de winkel uit mijn hoofd stotend aan de bovenrand. Verdomme ik moet eraan denken om me te bukken.

            Een eindje verderop zag ik Natasha en Bert lopen. Ze hadden wat voedsel gekocht want ik had Natasha ook een koperen munt gegeven. Ik had ook alweer honger en stelde voor om ergens iets te eten, iets eten wat je niet zelf klaargemaakt had, iets eten aan een tafeltje. Er waren 2 eetgelegenheden in dit dorpje en daar zaten al een aantal veergangers zo te zien.. Een priester met gevolg, een twee kerksoldaten en een aantal jonge meisjes, waarschijnlijk op weg naar het klooster in Bethesda. Misschien waren de meisje wel novicen, nonnen of priesteressen. Verder waren er duidelijk nog wat handelaren en mensen waarvan ik het beroep niet kon duiden, maar het leken me geen van allen arme mensen. We kozen voor het andere restaurant, na ja eetcafé. Het was wat slonziger, maar leek me een stuk gezelliger. We liepen naar binnen en de aanwezige mensen, keken ons starend aan.  We waren ook een merkwaardig gezelschap, een reus en nog een grote in een bontjas, zo’n jas als ze nog nooit hadden gezien en dan een grote, mooie, blonde vrouw met een gorillaman, duidelijk van een stam uit de bergen. Alhoewel er geen discriminatie tussen de standaard en de gorilla mensen voorkwam op Naplet, had Mils mij verzekerd, zag je toch niet veel gemengde tafeltje van de 2 soorten mensen hier in het eetcafé. Wel zaten beide soorten mensen hier, maar in afzonderlijke delen van de ruimte. Het viel me direct op, dat het zo luid was in het gedeelte van de gorillamensen. Zij konden wel gedachtenspreken, maar gaven er de voorkeur aan gewoon te snateren, letterlijk te snateren. Ik verstond er geen woord van maar het leek me wel gezelliger, dan in het stille gedeelte, waar alle mensen niets zeiden, althans je hoorde niets. Als ik mijn gedachten openzette hoorde ik een licht brommen in mijn schedel. Ik was niet gewend aan gezelschappen met vele gedachtesprekers. We vonden een plaatsje tussen de twee groepen in en ik vroeg Mils of er een menu was. Hij wees naar de muur waarop vele lettertekens stonden, maar het was voor mij compleet onduidelijk. Dat lezen zou ik nog moeten leren. Mils zei, dat er twee soorten vis en vogel op de kaart stond. Vogel? Wat voor vogel? Ik had me nog totaal niet verdiept in de flora en fauna van Naplet anders dan wat ik gedurende de reis gezien had, vooral de mieren en de vissen. Ja vogels kwamen zeer frequent op Naplet voor, in allerlei soorten en mate. Loopvogels, kleine maar ook grote, nog veel groter dan de struisvogel  op aarde. En vliegvogels, van musachtigen tot albatrossen en nog groter. Mils had er zelfs van gehoord, dat de hele grote vogels getraind werden om mensen door de lucht te vervoeren, maar hij had dat in werkelijkheid nog nooit. Natasha bevestigde dat verhaal. Tijdens haar rivierrover-schap  had ze 2 personen boven de rivier zien vliegen, in de richting van de ene naar de andere oever, wel een afstand van 50 kilometer, dus moesten er zulke vliegers zijn. Ik vond het interessant, maar ik had ook honger en besloot vogel te nemen, zoals de rest van het gezelschap. We hadden al genoeg vis gehad. Als drank bestelde ik een soort bier, tenminste Mils vertelde me, dat het bier was. Niet zo sterk en zo goed als Belgisch bier, maar toch bier. Bert scheen zich zeer te verheugen op zo’n drankje en Natasha wilde het ook. Ik kan het me voorstellen na al het water en het sap van de vruchten. Dus allen bestelden bier en vogel, volgens Mils een soort struisvogel, een vogel van de middengrote klasse. Het bier kwam bijna direct in houten bekers van  ongeveer een halve pint. Voor mij was het een standaardglaasje, maar Bert keek met grote ogen. Zoveel bier had hij van zijn leven nog nooit bij elkaar gezien. Binnen de stam was hij niet hoog genoeg geweest om bier te mogen drinken en bovendien dronken de stamoudsten het uit kleine napjes. Ik nam een slokje en het smaakte naar witbier, een soort Hoegaarde, en het zag er ook een beetje troebel uit. Ik vond het wel verfrissend. Het alcohol percentage was me niet bekend, maar volgens Mils was het iets van 3-4 volume procent alcohol, dus eigenlijk een tamelijk slap biertje. Bert zat met gloeiende oren te drinken in kleine slokjes. Mijn glas was binnen 30 seconden leeg en ik zwaaide om een nieuwe te bestellen. De kelnerin of hoe je zo iemand moet noemen, zag me direct en keek verwonderd, dat mijn glas al leeg was maar zei verder niets en binnen een Aardminuut had ik weer een nieuw glas.

            Er werd een schaal brood gebracht met daarnaast een potje met een soort jam of misschien honing, maar het smaakte een beetje naar aardbeienjam. Dit was de eerste keer, dat ik op Naplet brood at en dat smaakte voortreffelijk, een beetje naar het oude boerenbrood, wat ik wel eens in deftige restaurants had gegeten. We hadden een extra grote portie gekregen zodat ik me niet hoefde inhouden. Ik had het gevoel, dat de dame, hier in de bediening mij een aardige grote lobbes vond, want ik hoefde maar naar haar te kijken of er stond weer een nieuw biertje. Zoals gezegd vond ik het lekker, maar echt dronken kon ik er nooit van worden, teveel vocht met te weinig alcohol. Ik moest er wel van pissen en ik vroeg Mils hoe dat hier werkte. Er bleek een soort goot te zijn achter het huis, waar ik ook een andere man zag pssen en ik ging er naast staan. Hij keek me aan, kneep snel af en maakte, dat die wegkwam. Zelfs op het toilet maakte ik een zekere indruk. Mijn verteringssysteem en afvoer van urine bleek weer eens veel sneller te werken als bij de Naplettaners.

            Na een driekwart Aarduur werd de vogel gebracht, ofwel meerdere vogels, iets in de orde van twee kalkoenen. Ik had volgens mij weer een streepje voor bij de bediening. Het eetgereedschap bestond uit een soort stenen mes en een houten lepel. Dat mes was erg bot en ik pakte mijn eigen mes uit mijn gordel. Dat mes gleed  boterzacht door de vogel, die ontzettend gaar en mals was. Ik gaf ieder een stuk en nam zelf het grootste stuk van de eerste vogel. Samen met het brood, een beetje jam en het bier smaakte het prima. Naast de vogel lag een soort groente, wat leek op snijbonen. Ook die waren boterzacht en voortreffelijk van smaak. Ik had in vele dure restaurants in Europa gegeten, maar deze was toch wel van topkwaliteit. De tweede vogel werd ook in stukken gesneden, maar er was teveel voor iedereen en Bert stelde voor de rest mee te nemen. Koud was het vogelvlees ook heel lekker en als we geen tijd hadden om rustig te eten, hadden we altijd wat te kauwen.  Ik dacht aan ons gedroogde rundvlees. Dat was alleen goed voor de vissen, dit was veel lekkerder.

            De maaltijd had bijna 2 uur geduurd en het was tijd om op te breken en de pont te nemen. Het afrekenen was eenvoudig. We waren niet meer dan 2 koperstukken kwijt, die ik aan de kroegdame betaalde en ik deed er nog een aluminium munt bij als fooi. Doordat het betalen wat tijd kostte was het gezelschap me een beetje vooruit maar met mijn lange benen had ik ze zo ingehaald.

            Mils was ondertussen bij de veerpont gearriveerd en haalde de kaartjes te voorschijn. We hadden een zitplekje op de voorplecht met een mooi uitzicht op de andere oever. Onze beek was hier wel 300 meter breed ook al door een soort deltavorming door de B-rivier. Het varen ging moeizaam. Het veerschip had geen zeilen en aan de zijkanten zaten roeiers om het schip naar de overkant te brengen. Hadden ze op Naplet niet iets van motoren? Volgens mij moesten ze wel olie hebben, maar nauwelijks metaal. Waar moest je dan motoren van maken? Van steen? Dat leek me niet. En het stoomprincipe om kracht op te wekken leek me ook moeilijk zonder metaal. Je had een drukvat nodig en een plek om  het water te verhitten om stoom te genereren. Ik zou Mils daar toch eens wat uitgebreider over willen vragen.

            Ondertussen waren we al aan de overkant gearriveerd. De weg naar Bethesda was nog minstens 50 kilometer en om te wandelen was dat een heel eind, maar lang niet zo ver als we al gedaan hadden. Maar we hoefden niet te lopen. Daar aan de oever stonden een aantal wagens, een soort huifkarren, die ook in de verovering van het Westen van Amerika gebruikt werden. Echter er waren hier geen paarden, helemaal geen zoogdieren, maar wel zeer veel vogels van allerlei grootte. En voor de huifkarren waren vogels ingespannen, vogels, die wel tweemaal zo groot waren als onze struisvogels, vogels met een poothoogte van wel 1 meter 50. We zagen de priester met zijn gezelschap in onderhandeling met één van de menners van zo’n kar, waarschijnlijk om te onderhandelen over de prijs. Ik zag een ritje in zo’n kar ook wel zitten en stelde voor, net als de priester, om zo’n kar naar Bethesda te nemen. Ik liep op de dichtstbijzijnde kar plus man af of vroeg hoeveel de reis kostte naar Bethesda. De man keek een beetje argwanend alsof ik een vreemde was met een vreemd accent in het gedachtenspreken. Maar ja, ik was een grote kerel en hij bleef beleefd. Hij zij, dat zo’n ritje ongeveer 2 nikkelen munten kostte. Ik vond het nogal veel. Vertaald in Euro’s zou dat ongeveer een bedrag van 1000 Euro zijn, belachelijk hoog. Maar het reizen in Rondu scheen nogal duur te zijn, maar 1000 Euro voor 50 kilometer. Ik begon met het bieden van vijf koperen munten en dat vond hij al een goed bod. De Arabieren of de zigeuners zijn nog niet zo goed in het overbieden van hun goederen als de mensen van Rondu en waarschijnlijk was mijn bod nog te hoog. Uiteindelijk kwamen we tot overeenstemming op één nikkelen munt Ik dacht dat ik het goed gedaan had, maar ook de menner scheen in zijn nopjes te zijn.

            Mils had op een afstandje minzaam zien toekijken en luisteren. Zijn gedachtenpraten was van hoge kwaliteit en ik had het vermoeden, dat hij dat ook op afstand kon doen. Jij bent er een beetje tussengenomen, vertrouwde hij mij toe. Voor zes koperen munten had hij het ook gedaan. Maar ik was tevreden over mijzelf. Tenslotte hadden we genoeg van die munten, bij elkaar 2000 koperen en 2000 nikkelen munten, een verschrikkelijk groot kapitaal voor Rondu begrippen, meer dan 1 miljoen Euro en dat zo los in de rugzak. Ik realiseerde me, dat we zeer aantrekkelijk waren voor rovers, als die wisten dat we zoveel cash geld bij ons hadden.

            We stapten in de huifkar. Er was ruimte genoeg voor iedereen en binnen zat een vrouw, die ons vroeg of we wat te eten of te drinken wilden. Deze taxi was dus inclusief de catering. Dat had de menner mij niet verteld, maar later bleek, dat lange afstandstaxi’s altijd verzorging aan boord hadden. Ik trok mijn bontjas uit. In de huifkar was het zeer aangenaam, geen wind natuurlijk en een temperatuur van rond de 20 graden Celsius.  De vrouw keek verlekkerd naar mijn bontjas, alhoewel die veel te groot voor haar zou zijn. Dat ding zou ik wel kunnen inruilen voor één of ander Rondu jasje of jack en misschien wel meer. Ik verlangde naar nieuw ondergoed en ook mijn spijkerbroek was aan een wasbeurt toe of misschien wilde ik wel een nieuwe broek.

            Na een half uur vertrokken we in een konvooi van 3 huifkarren met daarbij nog 3 bewakers op vogels, een zelfde soort vogel als voor de vogels, die de kar trokken. Er moest dus wel enig gevaar onderweg dreigen anders waren de mensen hier niet zo voorzichtig. Binnen 5 minuten kwamen we op een soort boerenpad terecht en was er van bebouwing of mensen op het land geen sprake meer. Je zou toch denken, dat langs de grote rivieren de meeste mensen leefden, maar ik herinnerde me nog van Mils, dat dat niet het geval was. De mensen woonden vooral langs de grote zijtakken van de grote rivieren en misschien aan de mondingen van zulke grote zijtakken in de grote rivier. Er werd op deze manier met huifkarren niet veel gereisd en alleen in de buurt van de enkele stad, zoals Bethesda, die aan de grote B-rivier lag. Bethesda was eigenlijk de verbinding van het tussen haakjes “vlakke land” naar de hoge bergen in het Zuiden en die verbinding werd alleen voor aanvoer en afvoer van goederen en een enkele mens gebruikt. Dit konvooi was een mensenkonvooi. Vanaf Bethesda werd alles per schip naar het Noorden vervoerd en kwamen lange afstand huifkarren weinig voor. Ik vroeg de dame of het mogelijk was naast de menner te zitten en zij en ook de menner vonden dat prima. Er was nog een zitplaats over, maar met mijn lange benen raakte ik bijna de grond. Voor me zag ik een prachtig schouwspel, de wiebelende konten van twee vogels. De vogels waren wel 3 meter hoog en hadden kleine vleugels net als struisvogels, maar dan van een blauwgroene kleur, een kleur, die je op de aarde weinig zag. Ook de bomen langs de weg waren groen, maar de groentint ging ook richting blauw en niet naar geel of bruin zoals op de aarde. Rechts van ons zag ik water zo ver als het oog reikte, maar dat was niet heel ver. Voor mij kon de B-rivier ook een oceaan zijn. Op de rivier zag je niks, geen boten, geen waterplanten, helemaal niks. De vergezicht voorbij de vogels waren wijds, heel ver en je zag altijd wel bomen of struiken in de verte. Het is raar, als je niet echt een horizon ziet. Ik had me dat niet kunnen voorstellen en ik kan het ook niet begrijpen.

            Ik maakte een praatje met de menner, maar er kwam niet veel uit. Daarom vroeg ik hoe vaak hij die tocht maakt en hij antwoordde: 2 maal per dag, de Naplet dag, dus eenmaal van Bethesda naar de monding van onze rivier en dan weer terug. Hij reed niet als het donker was. Dan werkte hij in een hotel, zeg maar pension of logement vlakbij de haven van Bethesda. Ik vroeg of dat een goede gelegenheid was om voor ons te overnachten en hij werd meteen spraakzamer. Hij begon zijn pension aan te prijzen als de beste in Bethesda met prima bedden en uitstekende maaltijden. Ik nam zijn aanbeveling met een korreltje zout maar nam het wel in overweging. Het was de bedoeling dat we in Bethesda een schip zouden huren of in ieder geval plaatsen op een schip om verder naar het Noorden te varen. Misschien hadden we ook nog wel een paar mannen nodig om als lijfwachten voor ons te dienen, om de tocht wat veiliger te maken.

            We hobbelden zo in onze wagens met een vaartje van wel 10 kilometer per uur richting Bethesda, dat we in ongeveer een uur of 5 zouden bereiken.  Ik zag de zon laag achter ons in het water blinken. De Naplet dag was bijna voorbij. Wij zouden dan ook tegen ondergaande zon in Bethesda zijn. Ik zag een rimpeling in de rivier en ineens een soort krokodil van wel 10 meter lang. Ik schrok me een hoedje. Ik vroeg de menner naar die beesten en hij haalde zijn schouders op. Dat is een grote rivierkrokodil zei hij, daar zijn er duizenden van. Die voeden zich met rivierwier, maar ook met allerlei rivierdieren en vissen. Ik vroeg naar de vissen en hoe groot die wel konden worden. Nou wel 20 meter antwoordde hij en ik, die wel eens walvissen in levende lijve had gezien, stond versteld. Zulke grote vissen waren op de aarde zeldzaam. Ik begreep ook, dat er niet veel mensen langs de rivier woonden. Zwemmen was er niet bij en je had een grote boot nodig om hier echt te vissen. Misschien alleen in de buurt van de grote steden.

            We hobbelden nog een beetje door en ik zat te mijmeren over alles wat ik hier tegengekomen was. Het leek me een redelijk beschaafd land, maar ze hadden geen machines. Ze leken te leven in een tijdperk van de 17de of 18de eeuw op aarde, wel verlicht, wel vervoer, maar geen machines. Ik schrok van wat geluiden en geschreeuw achter ons. Wij waren de laatste wagen in het konvooi. En ik stapte van de bok en liep gebukt door de huifkar naar achteren. Daar zag in onze begeleiders vechten met een zestal mannen gewapend met knuppels. Ze waren al van hun vogels getrokken. Ik bedacht me geen moment en sprong van de wagen en naast me stond Natasha en ook Bert. Ik schreeuwde naar Mils, dat hij zijn mes naar ons moest werpen en dat deed hij schoorvoetend. Natasha pakte het mes op en trok het uit de holster net als ik had gedaan. Ik had geen enkele ervaring met straatvechten, maar ik was wel 2 koppen groter dan die kerels en het moest dus een fluitje van een cent zijn om ze te overmeesteren. Struikrovers zonder vuurwapens en messen moesten gemakkelijk te overmeesteren zijn. Dat viel vies tegen. Het waren taaie kereltjes met veel ervaring in lijf aan lijf gevechten. Ik kreeg een klap op mijn dijen, wat tamelijk zeer deed. Ik was genoodzaakt mijn mes als steekwapen te gebruiken en raakte één die kerels in een zwaaiende arm. Hij keek heel verrast en pijnlijk naar mij. Messenvechters in zo’n konvooi was hij nog nooit tegengekomen. Natasha was veel beter in het vechten dan ik en ook Bert stond zijn mannetje totdat hij een slag met een knuppel op zijn kop kreeg en neerzeeg. Echter Natasha, de soldaten en ik kregen de overhand en binnen een paar minuten vluchten de struikrovers, voor zover ze nog lopen konden. Twee bleven er achter, de ene met een steekwond in de arm en een kapotte knie, de ander met een steekwond in een been, die Natasha aangebracht had. Het waren kerels van rond de 1 meter 40, armoedig gekleed en met knuppels bewapend. Ik pakte Bert op en droeg hem richting de huifkarren, die een meter of 200 verder stonden. Ik droeg de soldaten op de gewonde kerels op te pakken en mee te nemen. Die konden wel worden overgedragen aan de autoriteit in Bethesda. Ik had nu nog meer bewondering voor Natasha, ze was niet alleen het mooiste meisje van de wereld, de aangenaamst prostituee van de wereld, maar ook nog eens een hele goede straatvechter, die met een mes kon omgaan. Dat vrouwtje had overal talent voor. Als ik nog ooit eens terug naar de Aarde zou gaan, zou ik haar meenemen. Met haar was het leven overal op de wereld aangenaam.

            Er stond al een gezelschap op ons te wachten toen we bij de huifkarren aankwamen. Alleen de priester met zijn gezellen was doorgereden en die zagen we in de verte achter een groepje bomen verdwijnen. Die had het hazenpad gekozen en niet op ons gewacht. We werden luidkeels verwelkomd en menner van onze wagen scheen heel trots op mij te zijn. Zoiets hadden ze niet vaker meegemaakt, dat de reizigers zelf de struikrovers zouden verjagen. Meestal waren de vogel bewakers de dupe, maar konden de wagens zich redden. In slechts 10% van de gevallen werden de wagens overmeesterd. Nu waren de bewakers terug en hadden ze ook nog twee struikrovers gevangen genomen. Bert en de struikrovers werden in onze huifkar geladen. De struikrovers werden met een soort halsband aan een paal in de kar gebonden. Natasha maakte zich druk om Bert. Die was nog steeds bewusteloos en had een grote opzwellende bult op zijn hoofd. Mijn been deed ook zeer en toen ik mijn broekspijp optrok zag ik een niet al te zeer bloedend wondje. Natasha vroeg de vrouw van de menner of ze bepaalde kruiden had, de naam van kruiden ontging me en de vrouw had inderdaad enkele soorten, maar ze wist dat er langs het pad nog enkele te vinden waren. Natasha verzorgde mijn wondje maar ik was de wond en de pijn al een beetje vergeten. Ook legde ze een soort blad over de bult op de kop van Bert. Bert kreunde een beetje en leek te ontwaken uit zijn bewusteloosheid. Die zou het wel overleven zonder verdere  gevolgen. Hij was net als de struikrovers een taai mannetje. De soldaten reden weer op hun vogels dicht achter onze kar “luid” gedachtepratend over hun heldendaden. Ik ging achter in de kar zitten en roemde hun daden. Je kon nooit weten waar dat goed voor was. Zij noemden mij de grootste vechter die ze ooit tegengekomen waren en dikten mijn gevechtshandelingen behoorlijk aan. Daarbij kwam de wonderwapens, mijn en Natasha’s mes, luidkeels aan de orde. Dat had ik liever niet. Ik wilde niet dat over de messen gepraat werd. Dat maakte ons sterk maar ook kwetsbaar. Er zouden verschillende mensen zijn, die wel in het bezit van zulke wapens wilden komen. Ik vroeg hen daarover verder te zwijgen en ik gaf hun elk een koperen munt als zwijggeld. Zo’n munt had de dubbele waarde van wat ze op zo’n bewakingstochtje verdienden. Ik had weinig fiducie in hun zwijgen maar misschien waren we al verder gereisd voordat ze er echt over zouden praten.

            Bert was weer een beetje bij bewustzijn. De behandeling van Natasha werkte goed en hij was al weer in druk gesprek met haar. De beide struikrovergevangenen kreunden nog een beetje. Hun wonden waren serieus maar niet zo ernstig, dat ze er voor lange tijd last van zouden hebben. De menner van onze wagen zou er voor zorgdragen, dat ze aan de autoriteiten in Bethesda zouden worden overgedragen. Wat er dan gebeurt weet ik niet en ik wil het voorlopig ook niet weten. Ik had nog niet van gedachten gewisseld met Mils en Natasha over autoriteiten en strafrecht in Naplet. Misschien zou dat later nog wel aan de orde komen.

            De rest van de reis verliep zonder strubbeling. Toen we Bethesda bij de ondergaande zon naderden, werd het drukker met mensen van allerlei pluimage. Niet alleen rijk en arm, als je het uiterlijk daarvoor mocht gebruiken, maar ook standaard en gorilla mensen, de ene gemiddeld 1 meter 40 tot 1 meter 50 lang, de anderen 10-15 centimeter korter maar waarschijnlijk van hetzelfde gewicht. We reden richting centrum van de stad naar het pension, waar de menner al met mij over had gehad. Dat was ook de pleisterplaats voor de huifkarren. Het pension lag aan een groot plein, grenzend aan de rivier, met allerlei gebouwen, winkels, restaurants, en enkele overnachtingsplekken. Samen met onze voerbaas liep ik het pension binnen en vroegen we aan de balie of er overnachtingsmogelijkheden waren en of ik de kamers mocht zien. Ik werd met enige egards behandeld, zeker nadat onze menner vertelde over de overval en de rol, die ik daarin gespleed had. Alle kamers lagen op de benedenverdieping, de gebouwen hadden maximaal 2 verdiepingen, en ik ging met wat later de eigenaar bleek, de kamers inspecteren. D kamers waren ruim en fris met een soort éénpersoonsbedden. Er was ook een suite met afzonderlijke kleine kamertjes, een stuk of 5 en tot mijn verbazing was in één van de ruimten een soort badkamer met een ligbad en stromend water. Dat was volgens de eigenaar uniek voor deze omgeving. Hij had op het dak van zijn pension een cisterne, gevuld met een paar duizend liter water en dat water stroomde via een soort houten kraan in deze badkamer. Het water kon verwarmd worden door het via een gootje door een stenen oven te laten vloeien waarbinnen een houtvuur kon branden. Het leek op een ouderwetse bakkersoven met daarin een grote kom, die met water gevuld werd. Aan de onderkant kan het water uit de kom afgetapt worden.

            Ik vroeg de eigenaar, wat deze suite zou moeten kosten en hij glimlachte verlegen en noemde een bedrag van 1 aluminium munten per Aarduurof als ik het zo gauw omrekende ofwel 2-3 nikkelen munten voor een hele Naplet nacht. Dat was me een beetje te gortig, maar ik was zeer gefocusseerd op het feit om nu eens in luxe te leven voor een week of zo. Na al dat lopen in de bergen verlangde ik naar een warm bad en een schoon bed. Na enig onderhandelen werd de prijs 1 nikkelen en vijf koperenmunten per Naplet nacht. Ik betaalde die munten in het vooruit, iets wat een Naplettaner niet zou doen maar mij maakte het niet uit. We liepen naar buiten en zagen dat onze rugzakken afgeladen waren en dat de huifkar vertrokken was. Bert, Natasha en Mils waren ondertussen naar een naastgelegen gelegenheid gelopen. Die gelegenheid leek een beetje op een Spaanse bar, waar wat gedronken kon worden met een hapje eten, een soort tapa bar. Ik bestelde een bier en een paar balletjes van onbekende oorsprong en vertelde over het pension en de suite, die ik gehuurd had. Ze schrokken van de prijs, maar ik maakte me nu nergens zorgen over. Ik zat hier gezellig en kon de hele wereld aan. Mils zei niks en hij was weer in zijn trance situatie vervallen. Dat waren we al gewend. Zo zaten we een klein Aarduurtje gezellig in deze bar en was ik uitgebreid aan het praten met Natasha en Bert hoe nu verder. We moesten een schip zien te vinden, dat naar het Noorden voer, alle schepen voeren naar het Noorden, en dat voor ons een betrouwbare indruk maakte. Mils was weer bijgekomen uit zijn trance en vond ook, dat we op zoek moesten gaan, maar eerst moesten we ons verfrissen en een uitgebreid bad nemen. Echter niet iedereen kon tegelijk in bad en Bert en Mils liepen naar het pension om zich te verfrissen en te gaan slapen terwijl Natasha en ik nog een beetje zouden winkelen. Ik had behoefte aan schoon ondergoed, misschien een andere broek en hemden en natuurlijk een andere jas. Vanuit het plein liepen een brede straat, een soort winkelstraat richting het Westen. Ik gebruik maar de Aardse aanduiding voor de richting en in die straat waren vele textiel winkels. Natasha liep bij zo’n winkel naar binnen en ik volgde haar. Het begon al donker te worden en tot mijn verbazing werden er op straat en ook in de winkel een soort lampen aangestoken, die veel op ouderwetse olielampen leken. Dus er was op Naplet olie en ook hun glasbewerking stond op een hoog peil, want de lampen waren van glas en  hadden mooi  gevormde vormen, soms slank, soms bol. Ook in de winkel was het  licht en kon een vergelijking met elektrisch licht doorstaan worden al was dit type licht wat romantischer. Een mooi klein juffrouwtje kwam naar ons toe en vroeg naar onze wensen. Ik vertelde het haar en ze keek mij aan. Zulke grote maten hadden ze niet in voorraad, maar ze hadden een aantal kleermakers in dienst, die zowel ondergoed als bovengoed op maat konden maken en ik werd naar achter in de winkel gevoerd, waar een aantal gorilla mannen zaten te knippen en te naaien. Ik werd naar de man op het einde gevoerd en dat bleek de hoofdkleermaker te zijn, een mannetje van net 1 meter 30, die nogal streng keek en toen vol verbazing keek naar mijn afmetingen. Ik vertelde hem wat mijn wensen waren en ook omtrent een jack, terwijl ik mijn botjas uittrok. Hij keek verbazingwekkend naar de stof. Dat had hij nog nooit gezien, zo’n stof en hij aaide er zacht langs. Er was op Naplet waarschijnlijk geen mens met zulk een grote maat als ik, maar deze kleermaker kon de jas vermaken tot een kleinere maat of een andere vorm en hij zag zich waarschijnlijk al in zo’n jas bewegen tussen de belangrijke mensen van de stad. Hij liep met mij naar een aantal balen stof en liet me de kwaliteit voelen. Het waren goede kwaliteit stoffen, een soort fijn katoen, maar ook zijdeachtige stoffen. Hier kon ik mijn garderobe goed vervangen en vernieuwen. Ik zei tegen Natasha, dat ze ook maar een paar leuke dingen moest uitzoeken en ze ging met het mooie dametje mee.

            Ik trok mijn kleren uit, mijn riem met toebehoren stopte ik in mijn rugzak. De kleermaker was een beetje verbaasd van de snit van mijn kleren,maar zei er verder niets over. Hij mat mijn maten, nou en dan wat brommend en ik bestelde 4 onderbroeken en onderhemden van de fijne katoenen stof, twee lange bovenbroeken van een wat grove bruine stof, die een beetje leek op de spijkerstof zoals op de aarde en drie overhemden met driekwart mouw van de zijdeachtige stof. De stof voor een jack had ik nog niet gevonden. Toen ik daarna vroeg liep de kleermaker samen met mij geheimzinnig naar achteren. Daar lag een klein baaltje van een soort groene, gladde stof, een dikke stof die zacht  maar ook donzig aanvoelde. De stof was gemaakt van de haren van een soort loopvogel, een hele kostbare stof. Hij vertelde me dat hij gratis welke jas dan ook voor mij zou maken van die stof als hij mijn bontjas kreeg. Ik keek raar op van zijn voorstel maar dat was zo gek nog niet. Na een beetje praten kwamen we tot overeenstemming. Hij zou mij een driekwart jack maken met vele binnen- en buitenzakken en zou mijn bontjas krijgen. We onderhandelden verder ook de prijs voor mijn nieuw kleren en we kwamen tot de prijs van één nikkelen munt en 5 koperen munten en hij deed er dan nog een drietal paar sokken bij en wat lappen van het fijne textiel, die ik als zakdoek kon gebruiken. Alles zou binnen 20 aarduur klaar zijn. Hij scheen te popelen om te bontjas in zijn bezit te mogen hebben. Ik betaalde 2 koperstukken aan en liep met hem weer de winkel binnen. Daar zag ik Natasha in een nieuwe outfit. Ze leek wel de vrouwelijke versie van Willem Tell. Een dartel maar strak pakje met een hoedje. Het was sportief en makkelijk te dragen in de bush. Ze vertelde, dat ze nog een paar dingen had gekocht en ook een rugzak zoals ze Mils en mij had zien dragen. De rugzak had een wat andere sluiting dan de onze, maar was even makkelijk te dragen.

            Opgewekt liepen we terug naar ons pension en zagen Bert en Mils niet meer. Ik hoorde wel een zacht gebrom vanachter één van de slaapkamer deuren, dus waarschijnlijk lagen ze allebei te slapen. Ik liep naar de badkamer en zag, dat er nog warm water in de  stenen kachel stond en vulde daarom terstond het bad. Achter mij hoorde ik de badkamerdeur opengaan en daar stond Natasha helemaal in haar nakie. Goh, wat een mooie meid en ik kreeg spontaan een erectie. Ik kleedde me ook uit en we stapten beiden in het bad, dat zich langzaam met water van een graad of 40-42 vulde. Ze ging tegenover me zitten en kuste me op mijn mond. Daarna bukte ze en nam mijn lul langzaam in haar mond en begon eraan te zuigen en te likken. Ik had van mijn leven nog nooit zo snel een orgasme gekregen en het zaad spoot in haar mond. Dat was niet erg want haar hoofd was al half onder water terwijl het bad zich vulde. Ze spoelde haar mond en ging met haar rug naar me toe tussen mijn benen zitten. Het lichaam vulde zijdeachtig zacht aan. Ik sloeg mijn handen om haar heen en speelde eerst met haar borsten. Daarna zakten ze naar beneden onder water en met mijn wijsvinger drong ik haar kutje binnen op zoek naar haar clitoris. Aan haar reactie van de huid vulde ik, dat ik die had gevonden en ik begon langzaam te wrijven. Ze vond het lekker te merken aan haar ademhaling en het zachte kreunen. Het ging me heel natuurlijk af, een ervaring die ik bijna nooit bij andere vrouwen had gehad. Opeens ging haar kreunen over in een zachte schreeuw en op dat moment kreeg ze ook haar orgasme. Een minuut lang bleven we zo zitten, daarna draaide ze zich om en ging op mijn gespreide benen zitten en kuste me nog een keer. Onze  handen en vingers betasten het hele lichaam van elkaar ook mijn lul en haar kutje. Zij nam mijn lul in haar hand en begon ook pompende bewegingen te maken. En of schoon het nu iets langer duur voor een orgasme, kwam die weer binnen een korte tijd.

Het bad was bijna vol en ze ging ruggelings op me liggen. Met een borstel en soort zeep schrobde ik haar bovenkant en ze ging daarna weer zitten een beetje ruimte latend voor haar rug die ik langzaam dezelfde behandeling gaf. Daarna wisselden we van plaats en zei deed hetzelfde met mij zodat mijn huid flink ging tintelen. Het was een prachtige en fijne ervaring en ik voelde me heel gelukkig . We bleven nog een kwartiertje in het bad liggen, fijn tegen elkaar en elkaar af en toe kussend. Daarna werd het water wat kouder en we besloten uit het bad te gaan en elkaar af te drogen. Ze keek me stralend aan en ik weet niet hoe ik keek, maar dat moet ook stralend zijn geweest. Dat was de lekkerste vrijpartij, die ik ooit had gehad, een vrijpartij zonder spanning en zonder neuken. Daar had ik verder ook geen behoefte aan. Van zoiets weet je de consequenties niet en het was ook niet nodig. Ik was geheel verzadigd door deze seks en voelde me loom en moe. Ik vroeg haar of we samen in één bed moesten kruipen maar ik zag dat ze daar geen behoefde aan had. Als ik had aangedrongen, had ze het gedaan, maar ik vond het ook goed zo. Ik trok me terug in mijn kamertje en ging naar bed. Ik droomde van grote vogels en krokodillen en een beetje van Natasha, een heel klein beetje maar.

8. Bethesda, de kleermaker en een boot

            Ik werd langzaam wakker en zag een schemerlicht onder de deur doorschijnen. Ik trok mijn onderbroek en hemd aan daarna mijn lange spijkerbroek, die een beetje stonk. Ik moest mijn kleren laten wassen maar herinnerde me opeens, dat ik nieuwe kleren had gekocht. Ik wist niet hoe lang ik had geslapen en ging naar onze gezamenlijke kamer en zag alleen Natasha aan tafel met een grote schaal met brood, knollen en vruchten voor zich een grote kan met iets dampends. Ik liep op haar toe en kuste haar op haar wang, een herinnering aan wat voor onze bedgang gebeurd was. Ze zat daar in haar nieuwe pakje. Mils en Bert zijn al op verkenning in de stad, zei ze spontaan, die zijn al een paar Aarduur op. Jij hebt wel 10 aarduur geslapen. Je was er zeer aan toe, geloof ik en ze lachte met een alles veroverend lachje, een lach, die ik al kende en die me zo aansprak. Ik had honger. Voordat ik naar de badkamer ging nam ik een paar hompen brood, wat knollen en wat fruit. Ik smeerde weer van die lekkere jam op het brood en zat echt te smakken zonder verder een woord te zeggen. Natasha herinnerde me eraan, dat we een boot zouden moeten vinden om verder de rivier af te varen richting Noorden. Ja, dat herinnerde ik mij, maar daar hadden we nog de hele Naplet nacht voor en ik wist niet of er ’s nachts wel mensen waren of niet iedereen de hele nacht sliep. Natasha zei me dat er wel zulke mensen waren, maar dat de meerderheid de Napletnacht in 5 delen verdeelde. W waren nu in het 2de gedeelte, het gedeelte, waar de mensen actief werden. De Napletdag was ook in  5 gedeelten verdeeld en dan waren het 1ste , 3de en 5de gedeelte de actieve delen. Overdag had je al het ware twee lange siësta’s en ’s nachts twee lange waakperioden.  Ik at stug door, ik had inderdaad berenhonger. Na 10 minuten voelde in de behoefde opkomen voor kleine en grote boodschap, ik was dat de vorige waakperiode totaal vergeten of ik had in het bad geplast, dat was ook een mogelijkheid. Ik hield het op het laatste want zolang kon ik mijn plas nooit ophouden. Er was een klein hokje naast de badkamer, dat dienstdeed als toilet.  Het leek op een Frans statoilet en ik deed eerst mijn plas, door die in het gat te mikken. Ik vond dat nog steeds moeilijk. Daarna keerde ik me om en een grote aaneengesloten drol verliet mijn kont. Dat was een opluchting. Op de Aarde was ik vaak aan de diarree, maar hier nog niet. Misschien door het type voedsel. Er was geen toiletpapier, maar wel een soort borstel in een pot water. Die borstel zag er nog schoon uit en ik besloot mijn kont daarmee af te vegen. Ik dacht dat dat zo hoorde. Daarna verplaatste in me naar de badkamer en schepte met een kan lauwwarm water, wat nog over was van “gisteren” in een kom en waste me over mijn hele lichaam.  Ik was vergeten een tandenborstel in mijn rugzak te pakken en poetste daarom mijn tanden met mijn vingers en gebruikte daarbij een stukje van de Naplet zeep. Het smaakte niet erg lekker, maar het zal wel een beetje helpen, dacht ik zo. Ik zou Natasha eens vragen hoe ze dat op Naplet deden. Ik had niet op de tanden van mijn reisgenoten gelet, maar me was niets bijzonders opgevallen.

            Vrolijk fluitend stapte ik uit de badkamer waar ik Natasha nog steeds aan tafel bij de olielampen zag zitten. Ze zat in een soort blaadje te lezen. Het bleek het plaatselijk dagblad(weekblad) te zijn, die elke avond bij het pension werd bezorgd. Ik kon het niet lezen, maar Natasha vertelde me, dat er de plaatselijk nieuwtjes in stonden maar ook welke boten er aan de rivierwal lagen en wanneer die vertrokken. Deze krant werd wel in 100 exemplaren verspreid. Hij was met een soort stempel op papier gedrukt en die stempel werd elke dag nieuw gemaakt, hoe wist ze niet en was voor mij in principe niet belangrijk. Ik kan me wel voorstellen, dat het veel werk kostte. Misschien hadden ze een soort plak van een boomstuk, die met een scherp voorwerp werd uitgehold. Er waren 8 bladzijden, dus misschien 8 van zulke plakken. De schriftelijke taal, die ze gebruikten moest ook kort en bondig zijn, misschien een soort steno of nieuwer een soort SMS taal. Goed, ze wist dus iets van de schepen en we moesten mar eens op zoek gaan naar een geschikte boot, een boot die ons in één ruk zover mogelijk naar de Noordrand kon brengen. Aan het einde van deze actieve nachtperiode kon ik dan mijn gekochte kleren ophalen. Dan was er ongeveer 20 Aarduur voorbij. Eventueel kon dat ook nog na de volgende slaapperiode. Vrolijk verlieten we ons pand en liepen het plein op. Het was redelijk gevuld met mensen, die over een soort looppaden liepen en verbleven in de restaurants en de winkels. Tussendoor zag je vervoersmiddelen over redelijk smalle paden, een soort riksja’s getrokken door mensen, vooral door de Gorilla mensen en een soort kleine huifkarren, getrokken door een vogel, zoals ik al kende van de grote huifkarren, die ons naar Bethesda had gebracht. Er waren redelijk veel van die wagens en ik had er een goed overzicht over, omdat ik minstens een kop groter was dan bijna iedereen. Ook Natasha was met haar ruim 1 meter 60 een hele grote meid op deze Planeet en Mils behoorde tot de allergrootsten. Vele mensen staarden naar ons, Natasha in haar sexy Willem Tell pakje en ik met mijn bontmantel, die half openhing. Het was fris, het vroor een beetje, maar het was niet fris genoeg voor een dikke bontjas. Gelukkig had ik die verkocht.

            Ik liep achter Natasha aan richting rivier over één van de vele looppaden. Alle paden schenen éénrichtingsverkeer te zijn. Dat moesten ze op de Aarde ook maar invoeren  want het lopen ging snel en gesmeerd, ondanks een redelijke drukte. Bij het water was het een drukte van belang. Vele boten met goederen waren aangemeerd en sommige boten werden gelost en andere werden geladen. Natasha vroeg aan een bootsman waar de Dragon lag. Volgens haar was dat de meest geschikte boot op mee naar het Noorden te varen, maar ze had nog 2 of 3 boten op het oog mocht dat niets zijn. De bootsman wees de kade af naar het Noorden en zei, dat die op ongeveer een kilometer afstand lag. Gezellig keuvelend liepen we die richting en binnen een kwartiertje zagen we de Dragon liggen, een sierlijke driemaster, die er van buiten verzorgd uitzag. Van de loopplank van die boot kwamen twee stevige mannen afgelopen,, stevig voor Naplet begrippen. Ze waren ongeveer 1 meter 65 en droegen een soort laarzen, grof geweven broeken en dito hemden van een soort kaki stof. Ze hadden een soort Zuid Franse pet op. Natasha staarde de mannen voor enkele momenten aan, slaakte toen een schreeuw en liep op een drafje op de mannen toe en  na enige ogenblikken werd ze omarmd door beide mannen. Die moesten elkaar kennen. Na enige minuten kwam het drietal mijn kant uitgelopen en Natasha stelde ze voor. De donkerharige heet Gerrit en de wat blondere heet Japie zei ze tegen mij.  De namen klonken zo in mijn hoofd via het gedachtepraten. Ik gebruikte die namen ook vaak op aarde om bepaalde mensen aan te duiden en waarschijnlijk ging het via het gedachtepraten ook zo. Ik keek haar vragend aan en zei vervolgde. Het waren mijn maatjes toen ik nog rivierrover was en ik was nog verbaasder. Ik dacht, dat die allemaal gedood of gevangengenomen waren. Ja, dat dacht ik ook antwoordde Natasha, maar op de één of andere manier zijn ze ontsnapt. Gerrit nam daarop het woord. Op die dag vertelde hij, werden we gepakt door de kerksoldaten en die hebben de gewoonte om alle rivierrovers over boord te gooien. In de rivier leven zoveel reptielen en grote vissen, dat je het nooit overleefd en bovendien ligt de oever heel ver weg. Ze gooiden ons dus ook overboord, maar Japie en ik en nog een paar anderen hadden ons daar een beetje op voorbereid. We hadden aan de zijwanden van het schip een uitbouwsel gemaakt en dat met een paar touwen aan die wand verbonden. Het uitbouwsel zat vlak boven de waterlijn. Ik slaagde erin me aan dat uitbouwsel vast te klampen en kon de touwen loskrijgen zodat het in het water viel. Het zag er dan uit als een soort vlot van ongeveer drie  bij  drie meter. De andere waren in de rivier gevallen maar konden naar het vlot en ik haalde iedereen uit het water. Het vlot zat nogal los in elkaar maar met de extra touwen konden we er enig verband in brengen. Hoe nu richting rivieroever te komen. Dat was een moeilijk probleem. We haalden een paar smallere latten van het vlot en trachten te roeien. Dat lukte een beetje, maar we hebben er bijna een hele Naplet nacht en dag over gedaan om de kant te bereiken. Je kunt het grote rivierwater drinken, maar het is enigszins brak en naar zo’n dag ben je bijna geheel uitgedroogd. Je krijgt toch teveel zout binnen. Een paar mannen werden er gek van en sprongen overboord maar Japie en ik hebben het gehaald. Uitgeput en uitgedroogd kwamen we aan de kant, gelukkig in de buurt van een kleine vissernederzetting en daar konden we water en wat te eten krijgen. Ik ken geen mensen, die zo’n avontuur hebben overleefd maar wij wel en Gerrit keek Japie nog eens aan. Volgens mij droomde hij er nog steeds in zijn slaap over. En hoe zijn jullie hier nu terecht gekomen, vroeg ik belangstellend? Nu na enige weken in het vissersdorp te hebben verbleven zijn we verder getrokken. We visten mee met die mensen, maar we zijn geen vissers. We zijn matrozen, scheepslui en we wilden weer varen. In een stad, 100 km van het vissersdorp zijn we aangemonsterd op een vrachtboot, eerst als roeier, daarna als deklui, die de zeilen bedienden. We waren ervaren  rivierlui en daar zijn er niet zoveel van. Nu zitten we op een wat luxer schip, dat zowel goederen maar ook passagiers vervoerd, meestal mensen van de kerk, maar ook handelaars. Het is nogal duur om je op zo’n schip te verplaatsen van de enen naar de andere stad. Niet veel mensen doen dat en de kerk vind dat wel goed zo. Je moet de mensen niet teveel laten zien. Daarom reizen mensen van de kerk redelijk goedkoop, maar moeten particulieren minstens het dubbele betalen.

            Ik vroeg of ze wisten waar het schip naar toe voer en tot mijn verbazing was hun einddoel Natasha’s land en wel de plaats Lanter. Dat was minstens 8000, misschien wel 9000 kilometer van hier. Waarom zover vroeg ik, maar dat wisten ze niet. Ik vroeg of een gezelschip van vier zoals wij waren ook een paar hutten aan boord konden boeken, maar daarvoor moest je bij de kapitein zijn en die zat in een kroegje juist tegenover het schip. Ze zouden aan het begin van de dag vertrekken  dus over zo’n 40 Aarduur.

            Natasha en ik besloten de kapitein op te zoeken en gingen het kroegje binnen. Het was er nogal rokerig en dit was de eerste keer, dat me opviel, dat er op Naplet gerookt werd. Het was een gewoonte van vooral de rivierlui als ze aan land waren. Aan boord rookten ze niet, dat scheen te gevaarlijk te zijn. De kapitein was makkelijk te vinden. Hij was groot en uitgedost als een kapitein op aarde met een soort bruin uniform en een platte pet. Hij zag uitgebreid te eten en had een groot glas bier voor zich staan. Wij vroegen of we aan konden schuiven maar hij zei niks en we besloten maar te gaan zitten. Na een minuut was hij klaar met eten en dronk de laatste slok bier uit zijn glas. Ik vroeg of hij nog een glas bier wilde en hij beaamde dat en ik bestelde twee grote glazen bier en een  wat kleinere voor Natasha. We kwamen een beetje te praten over zijn boot en waar hij naar toe ging en ik vroeg of we mee konden varen met vier personen. Hij zei, dat het niet mogelijk was. Vol? Neen maar particulieren nam hij niet graag mee. En waarom dan niet, vroeg Natasha, wij zijn nette mensen die goed voor een tochtje kunnen betalen. De kapitein spitste zijn oren, volgens mij was hij tuk op geld. Ja misschien had hij nog een grote en een kleine hut, maar dat kostte nogal wat en waar ging de reis naar toe vroeg hij. Nu antwoordde ik, we willen naar de Noordrand en hij keek nogal verrast. Zulke passagiers had hij nog nooit gehad. Zelfs de priesters reisden niet zover. Het was wel een afstand van 11000 kilometer. Dat moesten echt rijke mensen wezen en de jas van de grote mijnheer zag er ook erg bijzonder uit. Hij vertelde ons, dat zijn eindpunt op deze reis Lanter was in Nataha’s land, iets dat we al van Gerrit en Japie hadden gehoord maar dat hoefde hij niet te weten. En wat mag zo’n reis voor vier personen dan kosten vroeg ik inclusief eten en drinken en zo. De kapitein krapte achter zijn oren en keek in het rond. Ik zag hem inschatten hoeveel die mensen zouden willen spenderen voor zo’n reis, een reis, die zo’n 150 Aarddagen kon duren, 150 overnachtingen met kost. Ik dacht er ook over na hoeveel we ervoor wilden ben. Eigenlijk kon het me niet zo interesseren. Voor mij waren koper- en nikkelstukken maar koper en nikkelstukken en vertegenwoordigden weinig waarde. Voor Naplet was dat geld heel belangrijk en er waren hier ook geldwolven, net als op de Aarde en deze kapitein was er één. Hij kwam met een getal van 150 Nikkelstukken, een belachelijk bedrag als je het naar Aardse maatstaven neemt, wel zo’n 70000 Euro. Ik moest de omwisselkoers maar bijstellen. Mils had me verteld, dat een nikkelen stuk wel 500 Euro waard was, maar voor reizen was die omwisselkoers veel lager. Ik bood 50 en we kwamen tot overeenstemming op 110, waarvan ik 5 aanbetaalde om hem onze reservering niet te doen vergeten en om zijn geldhonger een beetje meer op te wekken. Het leek me, dat we misschien ook aan boord een paar bewakers nodig zouden hebben. Misschien waren Gerrit en Japie daar wel geschikt voor. Ze leken Natasha behoorlijk te adoreren. Ik stelde het Natasha voor en zij vond het ook een goed plan. We konden beide ex-rivierrovers misschien ook van een paar wapens voorzien en een beetje soldij geven. Dat maakte het voor hen nog meer aantrekkelijker om ons te beschermen, alhoewel ik ook vond, dat ik mijzelf ook goed kon verdedigen en ik voelde aan mijn messen.

            Japie en  Gerrit waren ondertussen ook het café binnengekomen en wij vervoegden ons bij hen en lieten de kapitein achter met zijn grote bier. Ik bood de beide matrozen ook een bier aan en zij aanvaarden dat aanbod met graagte. Ik denk niet dat het hier gewoon was om een rondje in te doen. Iedereen betaalde voor zichzelf ook al omdat de prijzen toch redelijk hoog lagen. Natasha vertelde hen voorzichtig wat we hadden besproken, om hen als bewakers van ons gezelschap aan te stellen en ze vertelde daarbij dat daar een beloning aan vastzat van een koperstuk per Naplet dag.  Japie antwoordde dat ze dat met plezier zouden doen zelfs als er geen beloning tegenover stond en dat was dus ook geregeld. We dronken ons biertje uit en namen afscheid tot de volgende Naplet morgen, wat nog wel even zou duren.

            Onze wake was al half voorbij en ik had het gevoel van honger-trek, zoals ik rond het middaguur op aarde altijd heb. Natasha had ook wel zin in een hap naar onze succesvolle onderhandeling om mee te varen aan boord van een boot en nog wel tot haar geboorteland. Ze was daar sinds het vertrek uit de kloosterschool in Anter, nooit meer geweest en dat was toch wel 15-20 Aardjaar geleden. We liepen langs de kade en zagen aan één van de straten richting centrum een kleine markt. Daar werden veel knollen, vruchten en een soort groenten verkocht, maar er waren ook kraampjes met vis en gebakken aardappelen, een soort “fish and chips”. Dat zag er ontzettend lekker uit en ik besloot een dubbele portie te bestellen en ook Natasha wilde wel die combinatie proberen. De vis pruttelde in de ene pan met olie en de chips, frietjes in de andere. In bestelde een vruchtensap van de sinaasappelige vrucht en Natasha iets van een soort ananas. Bij het kraampje stonden een paar rieten stoeltjes en tafeltjes en toen ons eten klaas was gingen we daar zitten. Het was me een smikkelen en smullen. De vis op Naplet vond ik nog steeds ontzettend lekker en als op de Aarde ook zo lekkere vis op bijvoorbeeld de markt zou worden geserveerd, dan had ik echt geen vlees meer nodig. Ook Natasha scheen te genieten van haar maaltijd. Ik keek een beetje rond naar de kraampje naast deze eetgelegenheid en zag wat kraampjes met snuisterijen. Eén kraampje scheen allerlei sieraden en dergelijk zaken te verkopen en ook lagen er verschillende typen stenen van allerlei kleur,  waarvan sommige een beetje fonkelden. Ik vroeg Natasha of ze van mij een geschenk zou willen uitzoeken, zomaar want ik vond dat het geld van ons was en niet van mij. Zei voelde zich aangetrokken tot een soort kralen snoer van blauwe stenen en ik begreep, dat het een soort korund was, gekristalliseerd aluminiumoxide. Ik keek er nog eens naar en dacht bij mezelf, dat lijken wel saffieren, maar ik hield verder mijn mond. Voor 2 koperstukken kocht ik dat  voor haar en ze deed het om haar hals. Het stond daar voortreffelijk. Het kleurde bij haar mooi bruine tint en haar witte tanden als de oranje wimpel bij de Nederlandse vlag, of is dat geen goede vergelijking.

            Mijn oog viel op een stapeltje doorzichtige steentjes en ik nam er één in de hand. Alhoewel het steentje zo’n 2 cm doorsnede had voelde het heel licht aan. Ik vroeg Natasha wat het was en pakte het steentje uit mijn hand. Ik denk dat het gekristalliseerde koolstof is, zei ze me. Ik ken het een beetje want het komt in mijn land tamelijk veel voor. Het is tamelijk zeldzaam, maar heeft geen grote waarde want de mensen kunnen er toch niks mee doen. Het is vreselijk hard. Kunstenaars gebruiken het nog wel om hun stenen beelden na te bewerken maar dat is een heidens karwij. Gekristalliseerde koolstof en vreselijk hard, ik schrok, diamant schoot door mijn hoofd. Op deze markt lag een bakje met wel honderd steentjes van afmetingen tussen één en twee centimeter, een bakje met steentjes, neen, een bakje met diamantjes en ik kreeg net zulke geldwolfogen als de kapitein had gekregen bij de gedachte aan ons geld, maar dit was een veel grotere schat. Honderd ruwe diamanten van 5 tot 50 karaat. Alleen zo’n steen van 50 karaat was op de aarde al een vermogen waard. Klaas, misschien kom je nooit op de aarde terug, hoorde ik mezelf zeggen, maar mijn boekhouders instinct won het van mijn verstand. Ik moest en zou die stenen hebben. Het was eigenlijk maar een flinke handvol en ik een mooi leren zakje, oh neen ze hadden geen leer hier, maar dat is niet waar. Ze hadden mooie zakjes van krokodillenleer hier in het kraampje liggen. Ik vroeg naar de prijs van alle diamanten en naar zo’n krokodillenleren zakje met een soort veter, ook van krokodillenleer als afsluiting. De man achter de kraam keek verbaasd. Hij had die stenen al een hele tijd en had het eigenlijk als verloren handel beschouwd en nu kwam er een vreemde grote man, die alle stenen wilde kopen. Dit zou een goed dagje worden en hij wilde niet te hoog inzetten. Hij zei, “Twee Nikkelen munten voor beide samen” en alhoewel ik normaal als boekhouder hier altijd onderhandelde over de prijs, voelde ik in mijn zak, haalde er twee nikkelen munten uit en overhandigde die aan de marktkoopman. Die was nog verbaasder en smakte met zijn lippen. Hij pakte het leren zakje, stopte er de diamanten in, allemaal, en overhandigde mij het zakje. Ik aaide er nog een keer over en stopte het zakje onderin mijn rugzak. Ik was een rijk man, ach was ik een rijk man en ik draaide mijn gezicht richting Natasha en probeerde zo normaal mogelijk te kijken. Ze kon de begeerte van mijn gezicht aflezen, maar ze zei er verder niets van. Ze begreep me ook niet goed ten aanzien van die begeerte. Voor haar waren het maar een zak met stenen, mooie stenen weliswaar, maar toch stenen, zeer harde stenen, waarmee je niets kunt aanvangen. Later bemerkte ik, dat de diamantbewerking op Naplet zich niet ontwikkeld had. De stenen werden weliswaar gebruikt om  te polijsten, maar ze werden niet bewerkt tot sieraden. Bovendien waren er veel diamanten te vinden op Naplet en hadden die stenen geen grote specifieke waarde.

            Zo blij als een kind nam ik Natasha in mijn armen en zoende haar. Gearmd en vrolijk gingen we verder over de markt, maar ik had eigenlijk nergens meer belangstelling voor. Ik dacht aan mijn zakje diamanten en aan de verdere reis hier op Naplet. Mijn gedachten gingen ook uit naar de doelstelling van waarom ik naar Naplet ben gebracht. Waarom moest ik naar de rand, waar alle groten van Naplet, meer specifiek van Rondu zich gevestigd hadden. Waar de hoofden van de kerken hun kloosters en abdijen hadden, waar de presidenten van de verschillende staten hun kastelen hadden, waar een soort parlement, een soort Verenigde Naties bijeenkwam om beslissingen over van alles te nemen. Waarom woonden de presidenten niet permanent in hun land. Al die vragen schoten weer door mijn hoofd toen ik zo met Natasha door Bethesda liep. We keken rond en ik was verbaasd over de ontwikkeling hier. Sommige dingen deden me denken aan West Europa in de 18de eeuw, andere dingen aan Europa eind 19 begin 20ste eeuw. De huizen waren mooi versierd met ornamenten, hadden grote ramen van glas, hoe mooier het huis hoe groter de ramen. Er waren olielantaarns op bijna elke straathoek en het was redelijk licht terwijl het toch pikkedonker was, terwijl het middenin een Naplet nacht was. Ook de huizen waren van binnen verlicht met hetzelfde type olielantaarns, die hingen aan de plafonds en muren of een eigen mooi versierde staander hadden. Elektriciteit was er schijnbaar niet of beter gezegd werd niet gebruikt of was nog niet uitgevonden. Dat was ook niet verwonderlijk door het gebrek aan zwaardere metalen als ijzer, koper, zink, nikkel , chroom en dergelijke. In de huizen was bijna al het meubilair van hout, zware meubels met stoffen bekleding. Er hingen gordijnen voor de ramen, maar die waren over het algemeen opengeschoven. Het leek of de mensen met hun spullen wilden pronken en zeggen: kijk is hoe rijk ik ben, hoe ik het heb.

            We liepen in de richting van ons pension en in de richting van de kleermakerswinkel. Ik was benieuwd of mijn kleding al klaar was. We liepen de winkel binnen en direct werd ik behandeld als een vorst en naar achteren in de winkel gebracht. Daar zat mijn kleermaker al klaar met de bestelde producten, ondergoed, hemden en broeken en als pronkstuk het jack gemaakt van de haren van speciale loopvogels. Het waren eigenlijk veren, die zich tot dunne strookjes ontwikkeld hadden en waarbij de veer pen verdwenen was. Ik kon niet wachten om alles te passen en alles zat als gegoten en voelde wonderlijk prettig aan. Ik besloot al mijn Aardkleren van de hand te doen en hier achter te laten evenals de bontjas, die ik aan de kleermaker beloofd had. Ik was nu van buiten geheel een Naplet mens, weliswaar een beetje groot, maar toch een Naplet mens. Alleen mijn schoenen waren nog Aards, dat waren stevige wandelschoenen, die de voet geheel omsloten. Alhoewel we al een kleine 1000 kilometer hadden gelopen, kon je nog nauwelijks zien of die schoenen al gebruikt waren. Misschien moest ik nog een paar Naplet schoenen kopen, wat lichtere schoenen, die je ook bij warm weer zou kunnen dragen maar dat was van later zorg. De kleermaker kwam ook zoals beloofd nog met een drietal paar sokken en bontgekleurde lappen aan, die als zakdoek zouden kunnen worden gebruikt. Ik trok mijn schoenen uit en probeerde de sokken. Die pasten wonderwel en ik besloot ook mijn oude sokken van de hand te doen en alleen de nieuwe mee te nemen. Ik trok het nieuwe ondergoed en hemd en broek aan en probeerde de rest in mijn rugzak te proppen. Die kwam aardig vol te zitten. Het touw nam nogal veel plaats in beslag. Het kleine pakje met medicijnen en eerste hulp spullen wilde ik niet van de hand doen, hoewel we dat nog niet gebruikt hadden. Natasha was bij de kleine verwondingen die ik had gehad, steeds met een Naplet oplossing op de proppen gekomen. Ik besloot daarom het touw met de metalen haken achter te laten en gaf de hele bundel aan de kleermaker of vroeg of hij het wilde hebben. Ik het touw was hij niet geïnteresseerd, alhoewel het een sterk soort nylon touw was, maar in de haken des te meer, dat vertegenwoordigde een heel grote waarde en daar had in eerste instantie niet aan gedacht. Het waren roestvast stalen haken en pennen. Hij raakte helemaal opgewonden van het glimmende metaal. Zo’n haak was waarschijnlijk meer waard dan een nikkelen munt. Toen ik wilde betalen, wilde hij van geen geld weten, neen hij had al genoeg gekregen, de bonten jas en het vreemde metaal. Neen ik zou en moest nog een hoed of twee hoeden uitzoeken uit zijn mooiste collectie. Hij bracht me naar een grote collectie van allerlei petten en hoeden. De meeste vielen niet in mijn smaak, maar ik zag een kakigrijze safarihoed en ook een soort baseball pet liggen en besloot om die beiden te nemen. De kleermaker was een beetje teleurgesteld in mijn smaak, maar hij wist niet dat we nog meer dan 10000 kilometer hadden te reizen en dat er op die reis nog van alles kon gebeuren. Ik wist ook niet wat, maar wat later bleek zouden er nog vele avonturen komen.

De kleermaker deed ons uitgeleide en toen we vertrokken, boog hij diep. Waarschijnlijk had hij voor de rest van zijn leven uitgezorgd met het metaal, dat hij van ons gekregen had.

            Binnen 10 minuten waren bij ons pension het betraden we onze suite. Bert zat aan tafel een beetje voor zich uit te staren, Natasha vroeg Bert waar hij die hele periode geweest was en hij vertelde, dat hij op zoek was geweest naar familie. Hij had gehoord, dat de berg mensen hem hadden geadopteerd of misschien wel gekocht van mensen hier uit Bethesda. Hij was op zoek gegaan naar eventuele kennissen van hem hier in Bethesda en was daarvoor de wijk, waar de meeste gorilla mensen woonden ingegaan en hier en daar vragen gesteld. Zijn gedachtespreken was heel slecht en bijna niemand had hem verstaan. Een paar spraken de bergmensen taal een beetje doordat ze contacten hadden met die mensen, maar die mensen wisten ook niets van een eventuele Bert uit Bethesda. Hij was wat teleurgesteld en had na een Aarduur of vier het zoeken gestaakt en was in een café terechtgekomen waar een paar mensen zijn taal redelijk spraken. En daar had hij de rest van de tijd doorgebracht. Hij had niet veel gedronken, want hij had niet veel geld bij zich. Daarop deed ik mijn rugzak open en gaf Bert een paar koperen en nikkelen munten. Als hij ons ooit kwijt mocht raken, dat had hij in ieder geval een start. We vertelden van het schip en dat we bij het aanbreken van de Naplet dag zouden aanmonsteren. Misschien moesten we nog wat goederen voor de verdere reis maar op het ogenblik had ik geen zin om daarover na te denken. Bert vertelde verder dat Mils  ook een Aarduurtje geleden weer in het pension was gearriveerd en niets had gezegd. Hij was bijna linea recta naar zijn kamertje verdwenen en we hoorden hem dan ook zachtjes snurken.

            Bert vertrok ook naar zijn kamertje en ik wilde misschien nog wel een beetje vrijen met Natasha zoals we gisteren, de vorige wake gedaan hadden. Ik ging naar de badkamer en zag Natasha daar naakt staan om zich te wassen. Ze was niet in het bad gestapt en ik benaderde haar van achteren en omarmde haar. Op dat moment trok in mij sereen terug. Vandaag moest ik die mooie godin maar met rust laten. Ik had wel een erectie, maar dat kon op een andere manier wel opgelost worden. Ik wachtte discreet tot Natasha de badkamer verliet. Ik betrad de badkamer kleedde me uit, waste me, deed een beetje aan zelfbevrediging zoals ik vroeger altijd gedaan had en trok mijn nieuwe ondergoed weer aan. Het rook anders dan Aards ondergoed maar het rook wel lekker. Daarna stapte ik in bed en mijmerde over diamanten en Natasha in die volgorde voordat ik in slaap viel.

            We zijn in Bethesda en hebben een boot gevonden, de Dragon, die ons ver naar het Noorden brengt, zo gedachtesprak Mils met leider Nielsen. De reis loopt tot nu toe voortreffelijk en Peter blijkt veel meer in zijn mars te hebben dan ik van te voren dacht. Hij heeft tot nu toe alle gevaren bezworen, die op ons pad lagen, mieren, struikrovers en nog andere zaken. Neen, ik heb een goede stap gedaan door hem te kiezen voor de tocht hier naar toe. Leider Nielsen kon dat na de gedachtewoorden van Mils beamen en gaf Mils een compliment voor die keuze. Hij was in zijn sas met die voorspoedige reis. Dit was meer dan waar hij op gehoopt had. In het beging van de reis bij de gevangenneming door de berggorilla mensen had hij het nog somber ingezien, maar nu, nu was de kans heel groot, dat hij Peter hier op de Noordrand kon krijgen en kon gebruiken voor zijn beide doelen, de beide doelen van deze reis. Het langeafstandpraten van Mils werd zwakker en ze besloten een einde te maken aan dit gesprek. Tijdens de bootreis was er nog genoeg gelegenheid om met Mils van gedachte te wisselen en daarmee kwam er een einde aan dit gedachtegesprek.

            De volgende wake stapte ik met mijn slaperige kop in mijn nieuwe ondergoed in onze gezamenlijke ruimte. Het was nog steeds donker zoals ik door de kleine raampjes van deze ruimte kon zien. Mils zat aan de centrale tafel iets in een soort notitie boekje te schrijven. Volgens mij was schrijven een nogal zeldzame bezigheid hier op Naplet. Ik had hem de vorige wake in het geheel niet gezien en dat was de laatste weken niet gebeurd. Toen hij mij aan hoorde komen, stopte hij snel zijn notitieboekje in zijn binnenzak. Hij droeg nog steeds de warme Aardse kleren als toen we vertrokken. Voor de rest zag hij er nogal vrolijk uit, veel vrolijker dan tijdens de voettocht naar Bethesda. In die periode was hij dikwijls in een soort trance geweest. Hij was of hij goede berichten had ontvangen maar ik zou niet weten van wie en hoe. Misschien had hij de vorige wake vrienden of kennissen opgezocht en was hij daar van opgekikkerd. Ik kon niet vermoeden, dat ik dichtbij een soort waarheid zat, maar dat komt later aan de orde. Ik vertelde hem, dat we een schip gevonden om naar het Noorden te varen en schip genaamd de Dragon. Zijn gezicht vrolijkte nog verder op en hij complimenteerde me met het initiatief wat ik had genomen en de goede keuze van een schip  die Natasha en ik gemaakt hadden. Het leek wel of hij de naam en het schip kende. Ik dook de badkamer binnen, deed mijn ochtendstandaard behoefte en waste me een beetje. Ik had nog steeds niets voor het tandenpoetsen gevonden, dus deed het maar weer met mijn vingers en een beetje van de vieze zeep. Ik kwam de badkamer weer uit, zag  Mils weer schrijven en liep snel naar mijn vertrekje om mijn nieuwe stel kleren aan te trekken. Mijn broek en hemd hadden vrolijke kleuren, het hemd was rood en de broek kaki blauw en ook mijn vogeljack was van een donkerrode tint, maar dat jack trok ik nog niet aan. Ik ging weer naar de centrale ruimte met de grote tafel waar Bert en Natasha inmiddels ook gearriveerd waren en ging samen met hen aan tafel zitten. Ik had de tijd goed gepland want nog geen minuut daarna kwam de vrouw van de pension eigenaar met een heel groot dienblad met daarop een paar soorten brood, enkele soorten jam en een soort, honing, een aantal vruchten en twee kannen fruitsap van een gele en een groenachtige kleur. Het zag er heel lekker uit. Ik groette daarom Natasha en Bert heel kort en trok het blad naar me toe. Dat klinkt een beetje egoïstisch, maar zoals gewoonlijk heb ik ’s morgens en naar het opstaan trek in een gezonde boterham en wat fris te drinken. Ik pakte één van de houten nappen en schonk me een glasvol van de geelachtige fruitsap. Die smaakte een beetje naar een combinatie van sinaasappel en ananas en was heel verfrissend. Ik nam een homp brood en smeerde met houten mes, meer een combinatie van mes en lepel een flinke klodder van de honing op mijn brood en begon te kauwen. De anderen sloten zich bij mijn kauwen en drinken aan en zo zaten we in een stief kwartiertje ons ontbijt te verorberen. Je hoorde alleen het smakken en slokken van het ontbijt van deze 2de en laatste wake van de nacht. Ik was het eerste met het ontbijt begonnen en ging het langste door met kauwen. De anderen trokken zich stuk voor stuk maar omstebeurt terug in de badkamer. Het viel me op dat allen zo snel waren. Of ze wasten zich niet of ze waren zeer kort op het toilet. Van het laatste had ik geen last.

            Zo stond dus iedereen klaar binnen een kwartier en vroegen we ons af wat we vandaag zouden doen.. Mils stelde voor om nog eenmaal de Dragon op te zoeken op mijn en Natasha afspraken te bevestigen met Mils erbij. Bert wilde het schip ook wel eens bewonderen. Hij had nog nooit gevaren, laat staan op zulk een groot schip. Ik pakte mijn nieuwe Jack en Mils en Bert keken er bewonderend naar. Dat jack scheen toch wel van een buitengewone stof te zijn. Toen ik nog in mijn bontjas liep, keek iedereen met een zekere nieuwsgierigheid naar de jas. Zoiets hadden ze nog nooit gezien maar de jas maakte ook niet de indruk van rijkdom of zoiets. Die jas was iets bijzonders en meer niet. Nu keken ze met bewondering naar het jack. De stof was bij alle inwoners van Rondu bekend, maar bijna niemand kon zich zo’n jas veroorloven. Hij was alleen voor de super rijken. Die haken waren toch veel waard geweest voor mijn kleermaker, zoals ik die in gedachten had. Ik had ook mijn baseball pet opgezet en zag er heel kleurig uit.

Ik deed mijn rugzak om en we verlieten het pension en liepen allen in de richting van de Dragon, waar we binnen een half uur arriveerden. De kapitein zat als gewoonlijk in het café tegenover en zag ons al vanuit de ingang binnenkomen. Hij snelde op ons toe of als hij door een hond was gebeten en maakte een buiging voor Mils en keek daarna bewonderend naar mijn jack. Mils was een redelijk slappe geweest op de wandeltocht hier naar toe, maar hij scheen toch over veel aanzien te beschikken blijkend uit het feit hoe de kapitein met hem omging. Er was iets in zijn houding, iets in zijn status, iets in zijn gedachtespreken, wat zeer veel indruk maakte. Mils herhaald, was Natasha en ik de vorige dag afgesproken hadden en de kapitein zou ervoor zorgen, dat we een uitstekend onderkomen zouden krijgen en ook passend eten zouden ontvangen gedurende de reis. We zouden een keer of 4-5 aanleggen bij één of andere stad om vers voedsel en handelswaar te kopen en ook om de goederen, die hij meegenomen had uit Bethesda te verkopen. Daar waren al klanten voor. Het schip was grotendeels een vrachtschip met een beetje passagiersvervoer. Er waren nooit veel reizigers, behalve dan misschien van de kerk en de kloosters, maar die brachten niet veel geld op. Er was nog één ander gezelschap, maar daar liet hij zich verder niet over uit. Het leek me een kerk/kloostergemeenschap. Misschien wel de mensen, die met de huifkar uit het Zuiden gekomen waren. Neen, alles zou prima voor elkaar komen. We zouden in de watten gelegd worden. Over het geld praatte hij verder niet, maar ik was iemand, die zich aan afspraken hield. We waren een geldbedrag overeengekomen en dat zou ik betalen.  Ook Mils scheen tevreden te zijn en zo namen we afscheid van de kapitein, en zouden we ons bij het krieken van de Naplet dag melden bij het schip, dat twee Aarduur na zonsopgang uit Bethesda zou vertrekken.

            De rest van de wake brachten we in luiheid door. Mils ging weer zijn eigen weg, maar Bert, Natasha en ik  gingen nog een beetje in Bethesda rondkijken en bezochten hier en daar een café en een restaurant. Op de markt waar ik ook mijn diamanten gekocht had, kocht ik nog twee flessen van een soort wodka. Alcohol was hier in Bethesda vrijelijk en in grote hoeveelheden te koop. Ze hadden dan ook genoeg vruchten, knollen en granen met veel suiker en koolhydraten om daarvan alcohol te maken en van destilleren hadden ze ook veel verstand. Mijn rugzak was nu goed gevuld en aan het eind van de wake gingen we met een blij gevoel en een enigszins licht hoofd terug naar ons pension om voor de laatste maal in Bethesda te slapen. Toen ik in bed lag en net op het punt stond in te slapen, schoof Natasha door mijn deur, geheel naakt. Ondanks de slaap kreeg in meteen een erectie en Natasha kwam bij me en verwende me op verschillende manieren, zodat ik meerdere orgasmen kreeg. Wat een meid, wat een kunstenares in de liefde. Ik viel in slaap en merkte niet dat zij richting eigen bed verdween.