Deel 1: RONDO

 

 

 

 Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 1

9.      De grote B-rivier, de Dragon en de vissen. 1

10.    Kalmeria en de kerk. 16

11.    De rivierrovers en wat er daarna gebeurde. 32

12.    De voettocht naar Nobassil, de vogels en de hagedissen. 45

13.    De reis naar en de vestiging in Tan. 60

14.    De restaurant, de wijn en het vissen in Tan. 74

15.    Opnieuw Mils en de reis naar de Rand en de ontmoeting met Nielsen  87

16.    Nielsen, het doel en het leven op de Noordrand. 104

17.    Natasha, de vlucht met de vogels en het nieuwe zwarte gat 118

SLOT DEEL 1: Naplet, Rondo. 134

 

DEEL 2: Naplet, Hostu

 

Dit is de inhoudsopgave van het boek Naplet, deel 1 Rondo, dat ik in een eerste versie wil presenteren. Er zitten nog verschillende fouten en onregelmatigheden in. Eenieder, die geïnteresseerd is, kan dit lezen en mij van kommentaar omtrent veranderingen kan voorzien, die aangebracht zouden kunnen worden.  Ik wacht dat in spanning af.

 

Klaas Keizer

 

 

 

 

 

 

9. De grote B-rivier, de Dragon en de vissen.

            Er werd op mijn deur geklopt en Bert vertelde me, dat ik op moest staan. Over een half uur vertrokken we en het ontbijt stond al klaar. Met enige haast kleedde in me aan, pakte mijn rugzak in en verdween in de badkamer om mijn behoeften te doen en me een beetje te wassen. Het ontbijt was weer voortreffelijk en binnen een kwartier was mijn buikje weer gevuld. De pension eigenaar stond al bij de kamer te wachten en ik betaalde hem het restant van onze kosten. Ik deed er een paar koperen munten bij als fooi. Dat was hij zeker niet gewend en met veel egards werden we uitgeleide gedaan door hem , zijn vrouw en nog andere personeelsleden, die me tot nu toe niet opgevallen waren. Mils had ook zijn rugzak bij hem. Volgens mij was de inhoud sinds het verlaten van de Aarde niet veranderd en had hij ook nog geen muntstuk uitgegeven. Het was eens tijd, dat hij met zijn portemonnee tevoorschijn kwam. Ik was al door de helft van mijn koperen munten heen en van de nikkelen had ik ook al 15% uitgegeven, als ik de kosten van de bootreis erbij telde. Ik was van plan direct het grootste gros van de bootreis prijs aan de kapitein te betalen. Dan was ik daar van af en misschien was hij dan beter geneigd om ons goed te verzorgen. Een klein beetje moest je altijd aan het eind betalen.

            Na een wandeling van een 15-20 Aardminuten kwamen we bij de Dragon aan, waar de kapitein ons al stond op te wachten. Het was een heel ander Bethesda, wat we hadden gezien. De zon stond laag boven de Zuidoosten horizon, als ik me zo moet oriënteren en gaf een oranjegele gloed over de stad. Bethesda leek door een gouden omhulsel bedekt. Alles gloeide en de kade zag er wonderschoon uit met al die schepen, al die mensen, die als mieren bezig waren. Het was duidelijk het begin van een nieuwe, lange Naplet dag en iedereen scheen er veel zin in te hebben. De nachten waren ook bedrijvig maar de nachtsfeer was toch veel bedompter, de sfeer was pessimistischer in de nacht. Nu was alles optimistisch en als ik naar het water keek zag ik grote vogels vliegen  boven het water, vogels op zoek naar hun kostje. Die vogels waren wel zo groot als albatrossen en toen ik Mils ernaar vroeg zei hij, dat dit middelgrote vliegvogels waren. Er waren er die wel 3 meter hoog en 5 meter lang waren, vogels die mensen zouden kunnen dragen in hun vlucht en hij had gehoord, dat er zelfs mensen waren, die die grote vogels getemd hadden, die er mee gevlogen hadden. Ik was onder de indruk van die vogels. Was hier niet een mogelijkheid om sneller te bewegen, om vluchtdiensten in te stellen met levende vogels. Het zou maar voor een paar mensen weggelegd zijn maar wie weet.

            We liepen achter de kapitein aan over de loopplank naar de achterplecht van het schip. Ik was onder de indruk geweest van het schip, maar het was niet echt groot, niet groter dan een moderne vistrawler in Europa of een vikingschip van de Noormannen. Midden op het dek stonden een paar grote masten waar het zeil aan opgehangen werd. Ik heb geen verstand van zeilen, maar het leek me nogal een simpele ophanging. Langs de reling stond een groot aantal zitbanken, waar misschien 4 personen konden zitten. Op de banken lagen roeiriemen, wel 5 meter lang. Er waren wel 10 banken langs de reling van het schip. Dat betekende dus een man of 80 die roeide en misschien ook nog een reserve manschap. Dat moest een drukke bedoening worden, hier aan boord. Achter op het schip stond een opbouw, met een paar hutten waar stapelbedden in stonden. Ons werd een heel klein hutje, twee bij 1 meter 50 en een iets grotere hut toegewezen. In de laatste hut stonden twee stapelbedden, veel te kort voor mij, maar op een onderste bed kon ik mijn benen doorsteken tot mijn knieën. Het liggen was niet bepaald comfortabel, maar dit reizen was altijd beter dan lopen, 10000 kilometer lopen. Het was ook niet duidelijk waar je je behoefte kon doen. Misschien in één af andere houten pot, die in de hoek op de grond stond en dan overboord kieperen. Nou we zouden wel zien. Er waren nog een vijftal hutten op de achterplecht, waarschijnlijk één voor de kapitein en de anderen voor het andere gezelschap. Die hutten zagen er niet veel luxer uit. Ik begreep nu waarom mensen met tegenzin over het water reizen. Waar zou de bemanning en de roeiers slapen? Na mijn bed geïnstalleerd te hebben, dat wil zeggen mijn rugzak op mijn bed gelegd te hebben, ging ik op verkenning. Natasha had het zelfde idee als ik en we liepen richting voorplecht. Op het dek zagen we Gerrit, de ex-rivierrover, bezig met de zeilen op orde te brengen. Er stroomden ook al mannen toe om op de banken te gaan zitten en de riemen overboord te zetten. Ik vroeg Gerrit of hij even tijd had om ons rond te leiden en hij deed dat met graagte. Zijn taak van het reven van de zeilen kwam wat later. Eerst zouden de roeiers ons van de kade drukken en dan roeien naar het Noorden en het midden van de rivier. Dat zou wel een uur of 5 duren en dan kwamen de zeilen erbij. Als de roeiers geluk hadden en de wind goed stond, hoefden ze dan niet meer massaal te roeien. Er waren alleen drie, vier banken met roeiers nodig om zonodig bij te sturen en de richting in het oog te houden. De anderen sliepen dan of speelden een soort kaart of visten voor de broodnodige proviand. Er was niet genoeg voedsel aan boord voor iedereen, in ieder geval niet voldoende proteïne en die werd bijgevangen. Vruchten, knollen en vruchtsappen waren er voldoende. De mannen sliepen in het vooronder. Daar waren twee ruimtes met vele britsen, een grote ruimte voor de roeiers en een wat kleinere ruimte voor het vaste personeel, waartoe ook Gerrit behoorde. De roeiers bleven niet lang aan boord. Zij roeiden tot de volgende aanlegplaats, een Naplet dag en een nacht en monsterden dan weer af. Dan kwamen weer nieuwe roeiers van die plaats waar aangemeerd werd. De andere roeiers roeiden terug naar Bethesda. Er waren dus zo’n 80 roeiers en zo’n 20 vaste bemanningsleden.  Naast een paar passagiers, meestal niet meer dan twintig, werden er goederen vervoerd, vaak kostbare goederen. Dat konden metalen zijn, maar die kwamen meestal uit het Noorden, textiel, kostbare stoffen, voorwerpen van glas en keramiek en nog meer van zulke zaken. Bulkgoederen werden niet vervoerd. Daar was het schip te klein en het varen te duur voor. Vandaar ook die hoge tarieven voor particuliere reizigers, de mensen van de kerk betaalden een veel lager bedrag.

            Op de voorplecht zag ik een grote stenen pot, met daarin een soort houtskool. Gerrit vertelde me dat die pot werd gebruikt om de gevangen vis te roosteren. Er werden wel vissen gevangen van 5 kilo en die werden in stukken gesneden met stenen messen en dan geroosterd. Er waren heerlijke vissen bij en je kon voor een paar aluminium stukken wel geroosterde vis van de roeiers kopen. Dat deed de vaste bemanning ook en voor de passagiers werd in principe hetzelfde gedaan, maar dan werd hun de vis op borden gebracht, tezamen met gekookte knollen, groenten en vers fruit, zover dat nog vers was. De roeiers hadden dus eigenlijk een dubbele taak. Ze waren ook de koks aan boord en enkelen hadden hier speciale talenten voor en roeiden alleen de eerst paar uur en de laatste paar uur en verder niet. Ik vond het een ingenieus systeem en zou me ogen veel te kost geven ten aanzien van de gebeurtenissen op het schip. Er was verder toch heel weinig te doen. Terug bij onze hut zag ik het 2de gezelschap en zoals ik vermoed had, waren het de priester-monnik en zijn gezelschap met veel vrouwen, veel nonnen en plezier meisjes, zoals Natasha dat verwoordde, zich herinnerend aan haar eigen jeugd. De priester deed of hij ons niet kende, maar keek toch met enig ontzag naar Mils. Dat was al de zoveelste maal, dat ik Mils ervan verdacht een heel belangrijke persoon hier op Naplet te zijn. Hij straalde dat op de één of andere manier uit.

            Ik voelde een schok en zag, dat de roeiers aan de kadekant met hun riemen de boot afzetten van de kade. Het ging moeizaam, maar toen er enige snelheid was, konden ze de riemen in het water steken en langzaam roeiden we van de kade weg richting Noorden en richting het midden van de rivier. Het water had weinig stroming, maar de weinige stroming was ook Noorden gericht, zodat de snelheid tijdens het roeien relatief vlot was, wel een drie-, viertal knopen, zo’n 5 tot 7 km/uur. We waren binnen een kwartier dan ook zo’n 500 meter uit de kant en Bethesda zag er adembenemend uit. Het leek een beetje op Lissabon als je vanuit het Zuiden de Taag oversteekt. Het was niet vlak. De plaats had een heuvelachtig uiterlijk, wat me de vorige nacht niet opgevallen was. We waren echter ook niet meer dan een paar honderd meter van de rivier afgeweest. Er vielen een aantal grotere gebouwen in het achterland op en Mils verlelde me dat de meeste kerken en kloosters, kloosterscholen waren. Het grotere gebouw op de voorgrond was een soort stadhuis, waar het lokale bestuur resideerde, als is resideren een te groot woord.

            Daar de horizon loodrecht op de rivier meer dan tweemaal zo kort was als op de Aarde, verdween Bethesda snel uit het gezicht en vanaf dat moment zagen we alleen maar water, kort water in de richting van de oevers, lang water in de richting van het Noorden, alleen maar water. Neen toch niet, ik zag een reusachtige krokodil drijven langs het schip, een krokodil van wel 10 meter lang, misschien kien op de gedachte, dat er iets overboord viel, maar er viel niets overboord. Gelukkig maar want ik zag niet in, dat iemand zo’n krokodil zou kunnen overleven. Hij was net te klein om iets met het schip te doen. Bert zat ook met grote ogen kijken en ik zag angst in zijn ogen, terechte angst. Dit was ook een reden, dat zo weinig mensen op reis gingen. We zouden 2 hele Naplet dagen varen, totdat we zouden aanmeren in een plaats genaamd Kalmeria. Die plaats lag 50 kilometer van de B-rivier aan één van de dichtbevolkte zijrivieren, die als het ware het centrum van de landen van Rondu vormden. Dat was bijna 200 Aarduren varen ofwel een 2000 kilometer met een snelheid van 5-6 knopen. Daarna zouden we nog tweemaal aanleggen alvorens in Lanter te arriveren, bijna 8000 kilometer van hier. Na een paar uur begon ik me te vervelen, alleen maar water en zon met hier en daar een paar wolken. Dit zou een oninteressante tocht worden.

            Ik zag enige beweging aan dek en de dekmatrozen begonnen te zeilen te hijsen. Er was een beetje wind, die schuin van achteren stond, dus met enig laveren zouden we redelijk snel de rivier richting Noorden varen. Bovendien hadden we de stroom een beetje mee. Ik kon me voorstellen dat de reis in omgekeerde richting een stuk langer zou duren, maar dat was niet onze zorg. Ik liep naar de dekmatrozen en zag Gerrit en Japie met een paar andere mannen de zeilen hijsen. Het was een heel gedoe en ik sloot me aan op een plek waar aan een touw getrokken moest worden. De mannen vonden dat wel fijn, want ik was meer dan een kop groter dan de meeste matrozen en had wel enige kracht. Bovendien waren ze niet gewend, dat passagiers met zoiets meehielpen. Die betaalden immers zeer veel geld op mee te varen, vooral de particuliere passagiers. Maar ik vond het wel interessant en had verder toch weinig te doen. Nadat de zeilen gehesen waren nam de snelheid van het schip aanmerkelijk toe. Er waren twee stuurmannen aan boord, die met duidelijke ervaring het schip laveerden op zo een manier, dat optimaal geprofiteerd werd van de wind. De meeste roeiers waren ermee gestopt en hadden hun spanen binnenboord gehaald. Hier en daar zaten er nog een aantal, die op de maat van het laveren de roeien in het water hielden om overstag gaan iets gemakkelijker te maken. Die streken van rechtuit varen en overstag gaan wisselden zich in een ritme van ongeveer 5 minuten af.

            Ik zag, dat een gedeelte van de roeiers hun hengelgerei uitpakten, wat in het vooronder had gelegen. Het waren lange, buigzame stokken van een soort bamboe, ietwat stijvere bamboe als wat ik op de aarde gezien heb,  Aan de punt van de bamboe stok was een soort lijn bevestigd van een gevlochten touw, niet al te dik, maar door de structuur waarschijnlijk redelijk sterk. Ik dacht aan mijn eigen hengel van een wilgentak, met daaraan een stuk nylon draad en een veiligheidsspeld, waar we op onze tocht langs onze rivier redelijk wat vis mee hadden gevangen. Deze stokken waren steviger en groter en de lijn ook dikker. Ik was benieuwd wat er aan het einde van de lijn zou zitten en welk aas ze gebruikten om vissen te vangen. Ik liep op de roeiers toe en ze weken een beetje uiteen. Deze nieuwsgierige, grote vreemdeling hadden ze niet verwacht. Ik maakte van hun uitwijken gebruik om een hengel te pakken en te kijken naar hun haak. Het was een scherpe stenen haak, die volgens mij moeizaam uit een stuk vuursteen of iets dergelijks gehouwen en geslepen was. Dit was het kostbare deel van de hengel. Ik vroeg, waar ze mee visten en één van de roeiers kwam met een houten emmer te voorschijn, waarin rottende delen van een paar vogels zaten. Ik wendde mijn hoofd af en stonk geweldig en de mannen grinnikten bij het aanzien van mijn walging. Ondanks dit soort aas zou ik graag willen meevissen met de roeiers en mijn eigen hengel hebben. Misschien kon ik mijn veiligheidsspeld gebruiken als haak. Ik zei, dat ik wel 2 koperen munten wilde betalen en opeens vlogen alle mannen mij aan met hun hengel. Twee koperen stukken was bijna de helft van het bedrag, dat ze met zo’n roeitocht verdienden. Ik zocht een mooie hengel uit en vroeg de man, waarvan ik de hengel kocht, of hij mij wilde helpen bij het vissen. Hij had immers geen hengel meer. Hij wilde dat graag doen, vooral het aas aan de haak doen. Dan hoefde ik die stinkende bende niet aan te raken. Er gingen zo’n 20 haken het water in en het duurde wel even voordat iemand beet had. Een beet was ook moeilijk te zien. Ik begreep niet waarom ze niet een dobber gebruikten of zo, maar met een varend schip was dat misschien niet een goed idee. Na een half uur kwam de eerste vis aan boord, een soort paling van wel 2 kilo en wel een meter lang. Ik begreep, dat de paling meestal gevangen werd en dat werd duidelijk toen de eerste 5 vissen allemaal palingen waren met een gewicht van 1 á 2 kilogram. Ik had na een paar uur nog steeds niet beet en probeerde een experiment te doen. Ik liep naar mijn hut en haalde mijn veiligheidsspeld, die ik met mijn Zwitsers mes in de loop der tijd helemaal omgevormd had naar een mooie weliswaar grote haak. Met die haak kwam ik terug en bond die aan het touw. De veiligheidsspeld had het voordeel, dat er een oogje aan zat, waardoor ik het touw kon leggen en vastknopen. Daarna vroeg in om een stuk rauwe paling en schoof dat over de veiligheidsspeld. Het was een redelijk groot stuk. Ik gooide de haak overboord. Nu hoefde ik niet te vissen met die vreselijke, rottende stukken van de dode vogels. Tot mijn verbazing had ik binnen twee minuten beet, en niet zomaar beet. Mijn lijn trok verschrikkelijk strak en niet zomaar strak. De vis rukte de hengel bijna uit mijn handen en ik zag een soort tonijn uit het water springen, een vis van wel een meter maar niet zo smal als die palingen, neen een grote torpedovormige vis. Het spartelde daar beneden, een meter of 4 beneden en ik zou hem nooit aan boord kunnen hijsen. Ik had een vis gevangen en toch niet. Alle mannen hingen overboord om te kijken naar die spartelende vis. Ik kreeg een idee. Ik had mijn klimtouwen en haken achtergelaten in Bethesda maar Mils had er nog in zijn rugzak. Ik vroeg mijn maat de hengel vast te houden en liep terug naar het achterdek om Mils met zijn rugzak te zoeken. Het zat op het achterdek in een trance en ik schudde hem flink door elkaar.. Hij ontwaakte en keek me boos aan. Ik had geen om me daarom te bekommeren en vroeg naar het touw. Hij wees naar zijn rugzak in de hut en in een wip had ik het gevonden, alles touw plus enkele haken. Ik rende terug naar de voorplecht en liet de mannen het touw en de haken zien. Ze keken begerig naar de haken, maar dat had ik geen boodschap aan. Ik legde uit dat ik een haak aan de reling zou bevestigen en dat een man het touw naar beneden moest om de vis vast te pakken of in ieder geval in het touw te verstrikken, zodat we de hele zaak naar boven konden hijsen. Geen man wou eraan maar toen ik met een koperstuk op de proppen kwam, waren er vele kandidaten. Ik koos een jonge, grote en naar mijn mening sterke vent uit en het touw werd om zijn middel geknoopt en via een haak werd hij gevierd tot vlak boven de vis. Hoe die het voor elkaar kreeg weet ik niet maar binnen vijf minuten omklemde hij de hele vis met zijn lichaam en we hezen het tweetal aan boord. De jongeman werd als een held aan boord gebracht. Later bleek, dat dit een gevaarlijk karwij was. Er lagen vele reptielen en ook grote vissen op de loer en het was een wonder, dat de tonijn zolang aan de haak was zonder door nog grotere vissen opgevreten te worden en met de jongeman erbij was het helemaal een smakelijke hap voor een slang, krokodil of haaiachtige.  Met een gejuich van de roeiers kwam hij over de reling rollen samen met de vis. Die vis was bijna even lang als de jongeman, die er een beetje slijmerig en angstig uitzag. Dat laatste kan ik me goed voorstellen. Hij had waarschijnlijk de dood voor ogen gezien. De vis woog wel 50 kilogram en werd naar de vuurplaats op de voorplecht gedragen. Daar paste die natuurlijk niet op. De kleine vissen werden met stenen messen in stukken gesneden en werden daarna op een soort rooster boven het vuur gelegd om te worden gebarbecued, maar deze vis, hoe kreeg je die in stukken, hoe kon je die schoonmaken? Daar hadden de roeiers geen gereedschap voor. Ik natuurlijk wel, ik had mijn grote mes aan mijn gordel hangen en zonder er bij na te denken, maakte ik de houder open en trok het mes eruit. De roeiers deinsden achteruit, verdomme ik had een fout gemaakt, ik moest het mes niet in het openbaar laten zien maar nu was het te laat, nu kon ik beter demonstreren hoe zoiets werkte. Dan had het ook een zekere afschrikking naar de mensen, dan werd de begeerte misschien overtroffen door de angst om het van mij te stelen. Ik deed daarom nogal geheimzinnig met het mes en ging op mijn hurken zitten. Ik aaide over het mes, zwaaide het in het rond en sprak een soort bezweringsformule uit, hardop in het Nederlands. Wat ik gezegd heb, weet ik niet meer, maar het moet wel indrukwekkend zijn geweest, want de roeiers namen eerbiedig afstand van mij, toen ik richting vis liep, die op zijn rug draaide en een diepe snede in zijn buik maakte, een normale manier om een vis open te snijden. De vis was nog dikker dan de lengte van het lemmet van het mes,  maar na enig snijden, viel de vis in twee helften uit elkaar. Ik haalde er de ingewanden en de graat uit en sneed de vis in grote moten van wel 2 kilo. Er waren wel een stuk of 20 van die moten. Na een kwartiertje had ik de hele vis geslacht, misschien niet helemaal als een vakman, maar wel goed genoeg om alle roeiers en ook andere bemanningsleden diep onder de indruk te laten komen. Ik maakte mijn mes schoon met wat water uit een emmer, die naast het vuur stond en borg het mes weer op in de holster aan de riem. Ik hoorde een diepe zucht uit de menigte mensen op mijn heen en hun kakofonie van gedachtespreken begon, waar ik geen wijs uit werd. Toen kwam de oudste man naar voren, boog voor mij en sprak plechtig over de grote man met het wonderbaarlijke mes, die zojuist de grootste vis ooit gevangen, geslacht had. Ik was in één klap een held, een tovenaar en een groot visser. Ik moest daarop iets zeggen en ik bedankte de roeiers en God, dat ik in staat was geweest zoiets te realiseren. Over het mes zei ik verder niks, maar God moest genoemd worden, want op Naplet zijn God en de kerk de meest belangrijke maar ook sterkste krachten. Verder zei ik dat de vis niet door mij alleen gevangen was, maar ook door de jongeman en alle roeiers. De jongeman kreeg de helft van de vis en de rest van de vis moest onder de roeiers/vissers verdeeld worden, waartoe ik nu ook hoorde. Ik wilde wel een stuk van die vis verorberen.

            De braaiers gingen aan de gang en ik zag een paar vissers op mij af komen met een fles in de hand en een paar houten nappen. Waarschijnlijk hadden die wel een borreltje in huis. Ze schonken een paar glazen in en boden mij de volste aan. Ik moest wel meedoen en voorzichtig nipte ik aan het spul. Het proefde verdacht veel naar cider, misschien een beetje sterker, maar ik had niet het gevoel, dat het alcohol percentage de 10 % oversteeg, dus ik dronk met een flinke tuig de hele nap, ad fundum  leeg. Een gejuich ging op. Ze wisten niet, dat ik alcohol goed kon verdragen en met mijn 85 kilogram er ook niet zo gauw last van zou krijgen.

            We dronken nog een beetje door en ik dacht ondertussen na hoe je een grote vis aan boord zou kunnen krijgen, zonder dat iemand tot vlak boven het water moest afdalen. Een sterk net zou een oplossing zijn en misschien konden we daar en stuk van een bamboestok en het klimtouw van Mils wel voor gebruiken. De uitwerking daarvan was voor was voor het volgende dagdeel. De vis was ondertussen gaar en mij werd een groot stuk gebracht, misschien wel een stuk van een halve kilo. Daarnaast kreeg ik nog een paar knollen, die aan zoete aardappels deden denken. Samen met wat cider, waarvan de voorraad onuitputtelijk leek at ik alles. Ik zat vol tot het randje, maar alhoewel de maaltijd eenvoudig was, was het ook heel smakelijk. De voelde me een beetje licht in het hoofd. Misschien was de cider toch sterker dan ik dacht en nam afscheid van de roeiers en vissers en liep naar het achterdak. Om een beetje afgeschermde plaats deed ik mijn behoefte en dat was een grote hoeveelheid in een daar voor bestemde emmer, veegde mijn kont af met een bundel stro, die naast de emmer lag en kieperde de emmer aan een touw overboord. De emmer spoelde in nog een paar maal na met wat rivierwater en zette hem weer om de daarvoor bestemde plaats. Ik moest ik nodig pissen en het achterdek was daarvoor wel geschikt. Ik piste overboord met de wind mee, tegen de vaarrichting in, denk daar maar over na.

            Ik strompelde na onze hut en zag Mils en Bert al liggen. Beide snurkten licht. Ik kleedde mij uit liet me op bed vallen en sliep bijna direct in. Ik droomde van reuzen van vissen en grote krokodillen en van zeerovers.

            Ik werd wakker en de hut was leeg. Ik voelde me vies, ongewassen en moest naar de pot. De pot was bezet en ik moest 10 minuten wachten maar dan was het zover, Mils kwam achter het scherm vandaan en ik groette hem kort. Na mijn behoefte te hebben gedaan, weer een grote hoeveelheid, kleedde ik me uit tot op mijn onderbroek en liep naar de wasplek, waar een paar emmers met gevuld met rivierwater stonden. Ik kieperde een volle emmer over mij heen en ik droop van alle kanten. Ik hoorde giechelen  en zag een paar meisjes uitgebreid naar mij kijken. Het waren de meisjes die bij de priester hoorden, ze waren over het algemeen jong misschien dertien tot zestien Aardjaren, maar enkele hadden al goed ontwikkelde lichamen  en ik voelde enige stijfheid in mijn broek. Gelukkig kon ik dat onderdrukken. Er lag ook een soort borstel met lange steel en ik schrobde mijn lichaam en mijn rug Er had een soort zeep in het water gezeten, want ik zag een beetje schuim. Ik gooide de emmer aan het touw overboord, schepte wat water en gooide de emmer weer leeg over mijn hoofd.  Het was lekker verfrissend en ik wreef wat door mijn gezicht. Verdomme, dat had ik nog niet opgemerkt gedurende de reis. Ik had een baard van wel een centimeter. Zo’n baard had ik bij de standaard Naplettaners nog nooit gezien. Hadden die geen haargroei op het lichaam? Over het algemeen hadden ze wel een beetje haar op hun hoofd en de meisjes, die mij aanstaarden hadden allemaal redelijk lang haar. Een kapper had ik nog niet gezien en ik zag er tamelijk wild uit. De Gorilla type mensen zoals Bert, waren helemaal behaard, maar het haar was niet uitzonderlijk lang en er waren geen speciale plekken waar meer haar zat. De bovenste helft van het gezicht was ook zo goed als onbehaard. Ik zou de haargroei toch een beetje moeten fatsoeneren. Aan mijn Zwitsers mes zat een redelijk schaartje en misschien kon Natasha helpen met dat fatsoeneren en knippen van baard en hoofdhaar.

            Ik rende een paar maal het schip op en neer, erop lettend dat ik niemand omverliep en pakte mijn kleren en ging de hut binnen. Ik trok mijn natte onderbroek uit en trok een schone aan, de natte over een spijl aan het hoofdeind van het bed hangend. Ik voelde me weer verfrist. Ik trok de rest van mijn kleren aan en liep naar uiten. Ik had wel zin om wat te eten. Gisteren had ik de scheepsmaaltijd gemist maar ik herinnerde weer de vis die ik had verorberd. Ik zag Mils in een klein hokje zitten, wat hoorde bij de opbouw op het achterdek. Het was een soort hut met een tafel en een paar stoelen en daarmee was die hut helemaal vol. Op de tafel stonden een paar kannen, mokken en een grote schaal met brood en vruchten en natuurlijk de standaard pot jam. Ik ging naast Mils zitten en nam een flinke van de vloeistof uit de kan. Het was weer een soort vruchtensap, maar niet die met sinaasappelsmaak. Het leek meer op frisse druivensap. Ik nam een homp brood en met een lepel smeerde ik daar een grote lik jam op en verorberde die smakelijk. Mils zat mij aan te kijken of ik van een andere planeet kwam, en dat was natuurlijk zo, maar dat ik niet wat hij bedoelde. Wat heb ik gehoord zei hij mij in mijn hoofd, heb je je ingelaten met de roeiers, met de vissers en de grootste vis ooit gevangen? Ik beaamde dat en hij had een afkeurende blik. Het zijn aardige mensen zei ik daarom en ik verveelde mij hier aan boord toch. Het was een leuke ervaring, maar ik ben geen visser alhoewel op deze reis? Met mijn Aardse creativiteit heb ik al heel wat vernieuwingen ingevoerd, ook bij het vissen en ik heb nog een paar aardige ideeën. Ja merkte Mils op, jij bent toch een ander persoon, dan ik gedacht had, maar dat vissen was nog niet zo erg. Ik hoorde van een metalen voorwerp, een mes, dat de  grote vis in eenmaal doorsneed, dat was niet verstandig om dat te laten zien. Ik beaamde dat, maar het is eenmaal gebeurd, voegde ik eraan toe en nu kan ik dat mes ook wel vrijelijk aan boord gebruiken. Het is hartstikke handig en jouw idee om messen mee te nemen, was één van de beste. Dat compliment aan Mils stemde hem een beetje milder, maar toch het mes gebruiken was niet goed geweest. Ik trok me er verder niet van aan en na het ontbijt trok ik weer naar de voorplecht, waar andere mannen nu stonden te vissen. Ik deel van de mannen van gisteren zaten nu aan de roeiriemen. Toen ik naderde, werd ik met de nodige egards behandeld. Ik hoorde allerlei dingen in mijn hoofd fluisteren, de reus met het mes, de grote visser, de vrijgevige vreemdeling en nog meer van zulke zaken. Ik zag, dat er nu niet alleen palingen werden gevangen, maar dat ook een enkele tonijn aan boord lag. Weliswaar niet zo groot maar toch wel exemplaren van een 5 kilogram. Ik hoorde echter ook sommige mensen, die een stenen haak kwijtgeraakt waren. De gevangen vis was te groot en ze moesten de lijn doorsnijden om de hengel aan boord te krijgen. Er was niemand meer, die overboord durfde om grote vissen op te halen. Het was tijd voor mijn schepnet. Ik sneed het klimtouw dat de vorige dag gebruikt was om de jongen naar het rivieroppervlak te laten, in stukken van ongeveer een meter. Ik vroeg of ik de hengel zonder haakje mocht gebruiken en omdat die man er toch niks meer aan had, gaf hij mij de hengel. Ik sneed het bovenste stuk, ongeveer twee meter af en boog die in een cirkel. Met een stuk touw zorgde ik ervoor dat de twee uiteinden stevig aan elkaar vast zaten. Daarna bond ik verschillende stukken touw aan de bamboe cirkel en verknoopte die op zodanige wijze dat een soort touwen korf ontstond. Na een uurtje zwoegen en opnieuw proberen had ik een soort schepnet zonder steel. Het was primitief maar je kon er iets in vervoeren. De mazen van het net waren in de orde van 5 bij 5 centimeter. Daar gingen de palingachtige vissen doorheen maar de tonijnachtige vissen waren veel dikker en bleven in het ronde net hangen. Als steel gebruikte ik mijn hengel, waarmee ik de vorige dag die dikke vis mee had gevangen. Het was een lange hengel van wel zes meter en ik gebruikte de top van de hengel plus was touw om de steel aan het net vast te maken. De top vlocht ik een beetje door het net heen. Zo ontstond een schepnet met een diameter van ruim 50 centimeter met een steellengte van ongeveer 5 meter. Ik wist niet of het wel functioneerde. Het schepnet zou bij de eerste beste vis boven de 5 kilo wel eens kunnen breken. Gelukkig was dat binnen een kwartiertje te testen. Ik hoorde een schreeuw van één van de vissers en we gingen met ons alleen kijken wat hij gevangen had. Het was weer een grote tonijn, niet zo groot als ik de vorige wake had gevangen, maar misschien wel 20-25 kilo, te groot om aan het haakje op te tillen en ik liep terug om mijn net te halen en te testen bij het ophalen van de vis. De steel was lang genoeg en de vis paste in het net alhoewel een beetje opgevouwen. Voorzichtig trok ik het net uit het water. De vis spartelde, maar het net bleef heel en we trokken de vis aan boord. Een luid applaus ging op en ik hoorde vele stemmen als een soort geroezemoes in mijn hoofd. Ik kon het niet verstaan, maar het klonk aangenaam en blij. Een Aardmens had weer iets uitgedragen aan deze planeet, ach Peter doe niet zo gek, je bent ook maar een eenvoudige boerenlul, maar wel een creatieve. Ik had nooit gedacht, dat ik op deze planeet zoveel initiatief zou kunnen ontwikkelen. Ik was toch maar een eenvoudige boekhouder geweest, één met een beetje vrees voor vrouwen, één, die leefde van de routine omtrent financiële toestanden van kleinere bedrijven en nu dit, creatief en vrijen met de mooiste vrouw van het heelal. Een soort gelukzalig gevoel steeg in mijn hoofd omhoog, een soort gevoel wat ik op aarde weinig had gekend, alleen maar tijdens het drinken van een paar heerlijke Belgische biertjes in het half donker van een bruin café. 

            Dit gedeelte van de dag bracht ik weer door bij de roeiers en de vissers. Ik at en dronk samen met hen, vis en cider, cider en vis, de cider was gelimiteerd maar de vis niet. Ik dacht niet aan de anderen, ik dacht alleen aan mezelf en de mannen op deze boot. De mannen speelden een soort dobbelspel en na enig aandringen mocht ik meespelen. In het begin vonden ze dat leuk want ik verloor bijna elk potje. Het was een soort knobbelen, een spelletje waarbij je moest raden hoeveel muntjes de totale spelers in hun handen hadden. Degene, die goed raadde, kreeg alle muntjes, die de anderen in hun handen hadden en zo ging het door. Het was nogal een grof spelletje waar veel geld in omging, veel geld althans voor de roeiers. Op den duur begon ik te winnen en dat vonden ze minder leuk. Ik was nog de meest populaire met mijn nieuwe methode van vissen en mijn mes, maar dat werd snel minder. Daarom besloot ik na afloop van het spel, de muntjes, die ik gewonnen had te doneren in de pot van de vissers, een geldpot, die bij het afmonsteren van het schip verdeeld werd onder de roeiers. Ook de inkomsten uit de visvangst gingen daarin, een goede bijverdienste voor de roeiers. De mannen konden dat wel waarderen en zo bleef een goede verstandhouding met de roeiers in stand en verveelde ik mij niet gedurende de bootreis.

            De reis was een afwisseling van slapen, wassen, behoefte doen, ontbijten en mengen onder de vissers. Ik bemoeide me weinig met de anderen en Mils vond dat niet erg. Bert had een plekje gevonden bij  Gerrit en Japie en verleende daar hand en spandiensten, maar Natasha, die verveelde zich. Ik ontmoette haar ’s morgens bij het wassen en we betasten elkaar een beetje, gaven elkaar een zoen maar niet veel meer, want de meisjes van de priester waren nogal nieuwsgierig en zo kwam van echt vrijen niet veel en dat vond ik wel jammer. Na het ontbijt kwamen elke keer wat meisjes van de priester bij Natasha alhoewel de priester dat niet goedvond, maar de kerksoldaten lieten het oogluikend toe. Die wilden ook wel wat vrouwelijk schoon bewaken. Natasha praatte met de meisjes en soms hoorde ik een Oh en een Ah in mijn hoofd. Ik geloof, dat die meisjes met stomheid geslagen waren als ze de verhalen van Natasha hoorden.

            Tijdens het nachtgedeelte van onze vaart veranderde er wel wat. Er was wel enig licht op het schip, vooral voor de roeiers en de vissers en ook de hutten hadden een beetje verlichting, maar het was toch tamelijk donker. Tijdens onze wasbeurten was ik veel meer privé met Natasha en kletsnat en naakt pijpte ze mij zodat ik een vreselijk lekker orgasme kreeg en ik vingerde haar, wat tot een soortgelijk resultaat leidde. We waren meestal wel een half uur en vele emmers water bezig. Het was ’s nachts natuurlijk ook een stukje kouder, maar daar merkten we niks van. Het was heel fijn en het maakte de bootreis een stuk aangenamer.

            Zo werd het weer dag en dan weer nacht en de tijd scheen voorbij te vliegen en de Aarde te vervagen. We zagen alleen water, niks dan water, heel ver water voor ons uit en dichtbij water naast de boot, vanwege de horizon effecten van een cilinder, maar je went eraan. In de morgen van de 3de dag bemerkte ik verandering. Alle roeiplaatsen waren weer bezet en we begonnen te varen in oeverrichting van de rivier. Ik stond aan de reling, er werd niet meer gevist en zag de eerste uren geen verandering. Dat kon ook niet, want nu was de horizon aan de reling heel ver en op de voor en achterplecht heel kort. Na  een drietal uren zag ik ineens land en de monding van een zijrivier. Die rivier was voor Aardse begrippen zeer breed wel 3 of 4 kilometer en we voeren de zijrivier op. Dat duurde en duurde maar, maar nu was er veel meer afwisseling. Ik zag de groene oevers, met veel pastelkleuren en hier en daar een paar huizen. In de verte liep het landschap omhoog en er waren vele vlakken met verschillende kleuren, groen, geel, oranje en een beetje paars, waarschijnlijk velden met fruitbomen en andere gewassen. De tijd gleed voorbij en na 5 uur roeien, zag ik de bebouwing sterk toenemen. We naderden een stad, een stad zoals Mils mij beschreven had in Leuven, een cirkelstad met de gorillamensen in het centrum en de standaard mensen aan de rand. De bebouwing was ook aan beide oevers van de rivier en ik zag een aantal bootjes op en neer varen van de ene oever naar de andere. De gebouwen in de buurt van de kade was hier ook veel hoger dan in Bethesda. Er waren vele gebouwen met wel 3-4 verdiepingen. Ik zal ook vele mensen krioelen op de oevers, meestal mensen zoals Bert. Zij waren de neringdoenden, zij onderhielden de mensen op deze planeet. Het leek wel een beetje Zuid Afrika, waar de zwarten alle karweitjes doen wat de witten ze opdragen, maar Mils had me verzekerd, dat dat niet zo was. Dat zeggen ze tegenwoordig in Zuid Afrika ook, maar afgezien van de paart zwarten, die tegenwoordig aan de top zitten, is er niet veel veranderd in het na-Apartheid tijdperk. Tenminste, dat was mijn indruk, toen ik er een keer een boekhoud karweitje moest doen, enkele jaren geleden, ik denk in het jaar 2000.

            Dit was Kalmeria, de hoofdstad van een land, dat sterk op Natasha land leek, dezelfde indeling, dezelfde organisatie, dezelfde opbouw van steden en dorpen. De roeiers gooiden wat touwen overboord en die werden vastgelegd om daartoe bestemde paaltjes. Het leek zeer sterk op Aarde gebeurde met kleinere vrachtschepen in rivierhavens en dergelijke. Er gingen diverse luiken open en tot mijn verbazing waren daaronder talloze            goederen verstopt, veel textiel maar ik zag ook een aantal potten. Gerrit was naast me komen staan en vertelde me dat dat speciale kruiden waren, die alleen in het hooggebergte groeiden. Die waren van Bethesda meegenomen en hadden hier wel de drie-,viervoudige waarde. De kapitein was misschien niet zo’n goede scheepsman, maar hij was een des te betere handelaar. Dat moest ook wel want de kosten waren hoog en er was gevaar van rivierpiraterij. De kapitein had dat al enkele malen meegemaakt. Hij overleefde dat doorgaans, maar de bemanning meestal niet en de passagiers werden dikwijls gevangen genomen en als slaven verkocht aan de grootgrondbezitters, die aan de rand van Rondu leefden. Die hadden wel wat goedkope arbeidskracht nodig, ook voor werkers in de metaal mijnen op het Noordvlak. De vrouwen werkten in de huishouding en op het land, de gezonde mannen in de mijnen. Dat was zwaar werk en werd slecht betaald. Theoretisch bestond er dus geen slavernij op Rondu, maar in de praktijk leek het er wel een beetje op.

            De roeiers waren ook meteen de sjouwers om de goederen aan land te brengen. Voordat wij van boord gingen nam ik afscheid van een aantal van die roeiers en vissers. Ze waren een beetje mijn vrienden geworden. Er zou een nieuwe ploeg aan boord komen met roeiers uit Kalmeria. De roeiers uit Bethesda zouden aanmonsteren op een schip dat terugvoer naar Bethesda. Er waren elke dag wel één of twee schepen die terugvoeren en roeiers nodig hadden. De terugweg was zwaarder en langer omdat de wind en de stroming van de rivier tegen waren. Zeilen was moeilijker en roeien zwaarder.

            We konden aan boord in onze hut blijven, daar hadden we voor betaald, maar dat zag ik niet zitten, ik moest wat meer comfort en ook een warme bad of douche en wat meer privacy. Dan was de omgang met Natasha ook een stuk gemakkelijker. Mils was tegen die verspilling van geld maar voor mij hadden die metalen muntjes geen waarde anders dan eten, drinken , slapen en comfort. Ik zei hem dat hij ook een aantal munten moest investeren in deze reis en hij gaf schoorvoetend toe. In de eerste huizen vanaf de kade was er vele winkeltjes, handwerkzaakjes en dergelijke en er was ook een pension, waar een mooie vrouw op de stoep stond toen wij er aan kwamen. Mils vroeg om logies en ik voegde eraan toe dat het beste van het beste net goed genoeg voor ons was. Ze glimlachte en leidde ons naar een suite als in Bethesda, maar dan veel luxer, luxer inrichting , grotere slaapkamers, meerdere badkamers en meer privacy. Ze noemde de prijs en Mils keek heel zuinig, maar zei de vrouw, dat dat OK was en Mils moest zijn portemonnee trekken. Het was de dubbele prijs als in Bethesda, maar nu hadden we een hele dag om de stad te bekijken en niet een nacht zoals de vorige maal.. De vrouw keek schalks in mijn richting. Misschien wilde ze wat maar misschien was het ook mijn vogeljack, dat de aandacht trok. Op die paar honderd meter van de boot naar dit pension hadden vele mensen, meestal gorilla mensen al met bewondering naar mijn jack gekeken. Daar had ik een goede investering mee gedaan en bovendien zat het jack ook als gegoten. Ik dacht nog terug aan die kleermaker in Bethesda.

            Ik zocht een slaapkamer uit en installeerde me daar door mijn rugzak uit te pakken en schoon ondergoed uit te zoeken en zo snel mogelijk naar mijn badkamer te gaan. Die was kleiner dan in Bethesda, maar bezat ook een klein ligbad, voor mij meer zitbad en er was een bak met warm water aanwezig, waarmee het bad gevuld kon worden. Terwijl ik het bad vulde zag ik een soort vloeibare zeep en een borstel met een lange steel. Ik kleedde me uit en borstelde me helemaal in met de zeep en stapte vervolgens schuimend in bad. Oh, wat lekker, mijn hele lichaam tintelde van frisheid. Weg, die stank van het schip, die doordringende vis en olie stank, waarvan ik nu pas in de gaten kreeg, hoe erg die was. Ik poetste mijn tanden met mijn vingers. De zeep smaakte zelfs niet onaangenaam. Na een kwartiertje in bad trok ik mijn schone ondergoed aan en ook een schoon overhemd en een broek. Met de vieze, stinkende kleren liep ik naar de pension dame en vroeg of er hier een wasgelegenheid voor kleren was. Zij keek weer met een schalkse blik naar mij en zij dat ze ervoor zou zorgen dat alles prima gewassen werd. Dat was goed nieuws en ik liep terug en stelde de anderen ook op de hoogte van de mogelijkheid tot het wassen van de kleren en iedereen zei me dat ze daarvan gebruik zouden maken. Wat me opviel was dat zei lang niet zo erg stonken als ik. Was dat mijn manier van zweten of was dat de omgang met de roeiers annex vissers? Ik hoopte het laatste maar ik dacht misschien het eerste. Ik dronk veel meer dan de Naplettaners ook het lichaamsgewicht in aanmerking genomen en ik ging ook veel vaker uit de broek, plassen minimaal elke vier uur en poepen minimaal elke wake. Ik had het gevoel dat onze Naplettaners misschien maar eenmaal per wake plasten en poepen misschien maar eenmaal per dagdeel. Ik had ze er nog niet op betrapt, dat ze moesten, maar afvalstoffen moeten toch het lichaam verlaten, of niet dan? Ik was veel meer met dat soort zaken bezig en nu ook nog het stinken. Misschien hadden ze iets van een deodorant daartegen. Toen ik Zuid Afrika verbleef gebruikte ik dat als Europeaan ook veel meer. Zuid Afrikanen zeggen, dat Europeanen stinken. Die zijn niet zo gewend aan het warme weer en zweten daarom in de Tropen veel meer.

            Zo was ik nog een kwartiertje aan het mijmeren toen Natasha zich bij mij voegde. Ze zag er schattig uit in haar Willem Tell pakje en haar kittige hoedje. Ik pakte ook mijn basketbal pet uit mijn kamer en zette die op. De zon stond nu laag boven de horizon en na een lange nacht kun je je beter tegen zonnebrand beschermen. Hadden ze op Naplet antizonnebrand of hadden ze zonnebrillen. Daar moest ik achter zien te komen. Ik had toch een beetje last gehad, vooral de vorige Naplet dag op het schip en had hier en daar al wat vervellingen opgelopen door de invloed van de zon.

            Natasha en ik besloten op pad te gaan om Kalmeria wat te verkennen en ook Bert sloot zich bij ons gezelschap aan.  Het was lekker zonnig, nog niet te warm en ik rilde een beetje omdat ik mijn vogeljack niet had aangetrokken. Maar het zou langzaam warmer worden tot wel een graad of 25 in de schaduw, had Natasha mij verteld. Nu was het nog een graadje of tien, twaalf. Het was gezellig druk op straat Het scheen mij dat de eerste ochtendwake het meest actieve deel van de dag was. Alle mensen waren weer blij met de zon. Dit gedeelte van de binnenstad bestond uit vele flatgebouwtjes van drie of vier verdiepingen met op de begane grond een café, een restaurant of een combinatie van beide. Vele mensen zaten daar gezellig met elkaar te kletsen en ik had ook wel zin in een ontbijtje. We hadden het ontbijt van het pension niet afgewacht. We voegden ons bij een vrolijk gezelschap in één van de zaakjes, een soort pastellerie, waar gegeten en gedronken werd. Ik weet niet of het woord pastellerie wel Nederlands is, maar ik vertaal het maar vanuit dat soort zaakjes in de Zuidelijke landen, die gezellige zaakjes waar iedereen zit te ontbijten en de laatste nieuwtjes zit uit te wisselen. We bestelden een flinke hoeveelheid van broodjes, koeken en andere lekkere zoete dingen. Bert was nogal gek op zoet, maar ik was al die jam een beetje zat en zag ook broodje vis op het menu staan. Het leek wel een zure haring op een broodje. Ik was daar in Europa ook heel gek op, ’s morgens lekker vis met zure haring eten. Ze hadden ook een soort gebakken tomaat en vegetarische worstjes en daar bestelde ik ook een paar porties van. Daarbij een grote pot van de Naplet thee en twee karaffen met frisdrank. De dame achter de balie keek een beetje verbaasd over de grote hoeveelheid, die we bestelden, maar maakte alles lekker en snel klaar. Ondertussen zat ik naar buiten te kijken, vanachter het glas van de voorpui. Alle mensen in verschillende outfit, die voorbij liepen. Negentig procent kleine mensen, de gorilla mensen op weg naar hun werk of op weg naar wat anders.

            Het voedsel en de drank werd ons gebracht en we vielen aan, ik in het bijzonder. Ik werkte alle visbroodjes en pasteitjes weg en nam grote slokken thee en frisdrank uit de bijgeleverde nappen en glazen. Na zo schrokken moest ik een flinke boer laten en iedereen in het eetzaakje schoot in de lach en dame, die het eten klaargemaakt had, kwam naar me toe en complimenteerde me met die boer. Het scheen een eer te zijn als iemand een boer liet van jouw klaargemaakte eten. Waar had ik dat op de Aarde meer gehoord. Was dat niet in China of Japan of daaromtrent? In ieder geval was het veel vrijer als in het kuise Europa, met haar ingeperkte maniertjes.

            Verzadigd liepen we na een uurtje het eethuis uit en liepen een beetje richting het Noorden, weg van de rivieroever. Overal de flatjes en de eetzaakjes, maar ineens veranderde het beeld. We kwamen op een heel uitgebreide markt terecht, een markt waar van alles en nog wat te koop was. Voedsel, kleding, huishoudelijke dingen, pannen potten, grote kuipen, die als bad of wasmachine dienst konden doen en nog veel meer. Zelfs levende en dode vogels waren te koop en op een hoek was een overdekte vis en fruitmarkt, alles wat je maar kon bedenken. Ik vroeg Natasha en er ook zoiets als zeep, zonnebrandolie of een zonnebril te koop was en ze wist wel een plekje, waar meestal dat soort kraampjes stonden Het leek erop, dat dit soort markten en vaste indeling hadden, maar ik zag geen orde in de chaos van kraampjes. Ergens aan de rand van de markt stonden enkele kraampjes met allerlei prullaria en ik zag ook een soort zonnebrillen.  De grootste paste me net en verassend genoeg kon ik er goed door kijken. Ik kocht hem direct en kreeg er ook nog een soort textielen hoesje bij, een gebreid soort dingetje dat ik in mijn zak stopte, in de zak met de munten en de zakdoek van de kleermaker. Ik zag nog een klein krokodilleren zakje liggen met een veter als afsluiting. Die zou geschikt zijn voor de munten in mijn zak. Die voelden een beetje onaangenaam aan en in zo’n zakje waren ze goed opgeborgen. Ik deed ook direct de munten erin. Een kraampje of twee verderop stond een vrouwe achter een kraampje met allerlei glazen potjes. Ik vroeg Natasha wat in die potjes, maar ze wist het niet. Ik vroeg de vrouw en ze keek verbaasd. Er kwamen niet vaak mannen aan haar kraampje en in ieder geval niet zo’n grote. Ze wees me beleefd allerlei potjes aan en ik vroeg of ik eraan kon ruiken en waarvoor de inhoud geschikt was. Ze gaf me één voor één aantal potjes en de meeste hadden een bloemetjes geur. Waarschijnlijk echt iets voor dames, maar dat maakte mij niet. Er waren zalfjes of smeerseltjes bij, die je in badwater deed, een soort zeep, er waren erbij om de huid zacht en soepel te maken, om de huid te beschermen om lekker te ruiken. Ik kocht een tiental potjes, van alle soort en schreef met mijn potlood iets op het etiket, iets van huid, zeep, bescherming. Bert zat me vreemd aan te kijken bij maar die koop steeg ik in achting bij Natasha. Ik was een man, die zich verzorgde en ze vroeg of ze ook een paar potjes kon kopen en dat deden we. Ze wist niet dat ik op de Aarde vrijgezel was en vrijgezellen moeten zich zelf verzorgen. Vrijgezellen schenen op Naplet niet voor te komen anders dan in de kloosters en kerken en bij de soldaten, ook in dienst van de kerk.

            Aan de overzijde van het plein, een plein dat over kilometers in een ring uitstrekte en waar de markt en alle handel werd gedreven, stonden deftige gebouwen. Grote kerken en kloosters, een groot lelijk gebouw, wat een kazerne bleek te zijn en ook wat kleinere gebouwen, waar de administratie van de stad werd uitgevoerd. We liepen in een straatje dwars op de markt langs die gebouwen en daarachter stonden huizen, houten huizen zoals je die in vele Amerikaanse steden ziet, woningen met eromheen veel ruimte. Hier woonden de standaard mensen en dat gebied strekte zich ver naar de buitenkant van de stad. Het was een saai gebied met weinig afwisseling en weinig vertier, veel saaier dan bij de gorilla mensen. Neen, hier zou ik niet willen vertoeven. Na een kwartier liepen we terug richting rivier en we kwamen uit bij een veerpont. Ik stelde voor over te steken. De boot voer elk half uur en de oversteek kostte zo’n 20 minuten. Onderweg kwamen we de veerboot uit tegengestelde richting tegen. De veerpont werd voorgedreven door  mannen die met een klos over een touw trokken. Het touw was over de hele rivier gespannen. Indien een boot over de rivier voer werd hert touw gevierd, maar er voeren niet veel boten en slechts op bepaalde tijden, aan het begin en einde van de dag.

De overkant van de stad zag er gelijk uit, dezelfde indeling en na wat in een café gedronken te hebben, voeren we weer terug naar onze kant van de stad. Aan boord van onze boot, de Dragon, werd nog steeds gewerkt. Er werd schoongemaakt en er werden allerlei goederen aan boord gebracht door eenzelfde type mensen als de roeiers, die ik van Bethesda naar Kalmeria had ontmoet. Misschien waren dit wel de nieuwe roeiers. Ik was wat moe. De indrukken hadden me slaperig gemaakt. Ik stelde voor ergens te gaan eten en dan terug naar het luxe pension. Bert en Natasha hadden geen honger, maar ze besloten toch met me samen te eten. Ik at weer eens vis, een andere soort, die een beetje aan zalm deed denken en dronk tamelijk veel bier, voor Naplettaners zeer veel bier. Een beetje aangeschoten liep ik samen met Bert en Natasha na het pension, zocht mijn toilet op en deed een grote hoop en behoorlijk veel plas. Ik ging even in bad zitten en liet wat warm water over mijn kop lopen. Het verfriste een beetje, maar de slaperigheid bleef. Ik ging naakt in mijn bed liggen, niet mijn gewoonte en was binnen 5 minuten weg. Ik geloof niet dat ik ergens over gedroomd heb.

           

10. Kalmeria en de kerk.

 

            In mijn slaap hoorde ik wat gerommel en het leek of mijn gezicht aangeraakt werd. Ik deed voorzichtig open en zag daar onze pension houdster in haar nakie in mijn rugzak rommelen en verlekkerd naar mijn vogeljack kijken. Of ze nu was gekomen voor mij of voor mijn bagage was op dat moment onduidelijk. Ze stond met de rug naar me toe en ineens greep ik haar met twee handen om haar middel. Ze schrok enorm en draaide zich om. Ze was een mooi klein vrouwtje met stevige borsten om zo in te bijten, maar daar had ik op het ogenblik geen zin in. Ik was verontwaardigd, dat een vreemde bij mijn spulletjes zat. Ze had toch kunnen verwachten, dat ik wakker zou worden? Wat moet dat, gromde ik in haar hoofd en als antwoord drukte ze haar lichaam tegen mij aan. Dat is geen goed antwoord, gromde ik haar nogmaals toe en draaide haar om over mijn benen en gaf haar een flinke pets voor de kont. Ze gaf een schreeuw,  ging verschrikt overeind staan en begon te stotteren in mijn hoofd. Ik was toch zo’n mooi grote kerel en ze zag wel iets in mij en nog van dat soort excuses. Waarom dan rommelen in mijn rugzak, vroeg ik haar nu weer een beetje tot rust gekomen. Dat wist ze niet, maar die had er zo verleidelijk uitgezien. Ze zag er ook wel verleidelijk uit en mijn pik begon iets te zwellen, maar ik onderdrukte dat gevoel. Ze was wel mooi, maar ze kon het niet halen bij Natasha en met een dievegge vrijen had ik echt geen zin in. Die had waarschijnlijk al vaker zulke exhibities uitgehaald. Ik had ook geen zin om er veel stennis over te maken. Aan het einde van de dag vertrokken we weer met de Dragon en dan zou ik hier zeer waarschijnlijk nooit meer komen. Ik dreigde haar om nog een paar petsen uit te delen als ze dit weer zou doen en zowaar keerde ze haar bevallige kontje naar me toe. Ze vond het nog fijn ook en dat wilde ik niet. Daarom begon ik over het geld, dat we betaald hadden. Ik zei dat Mils een hoge pief bij de kerk was en de kerksoldaten  zou sturen om haar geld af te pakken en dit pension te sluiten. Dat dreigement hielp en ze zij me dat ze het nooit meer zou doen en voor ons de lekkerste maaltijd zou klaarmaken, die ze had. Ik keek heel boos naar haar en zei, dat ze uit mens gezicht moest verdwijnen. Ze droop af, maar ik had niet het gevoel, dat ze hier iets van geleerd had of haar manieren zou veranderen. Dat was voor mij niet erg. Als ze zich maar gedeisd hield zolang we hier logeerden. Ik besloot ook de anderen niet op de hoogte te brengen van dit incident.

            Ik probeerde verder te slapen, maar dat lukte niet en besloot toen maar om me te wassen, om uitgebreid op de pot te gaan zitten, de andere volgorde en nog een paar dingen. Oh ja, ik had nog wat smerig goed na mijn verblijf in de badkamer liep ik naar de balie waar de vrouw ondertussen een beetje zat te mokken omdat haar plan mislukt was. Ze sprong op toen ze me zag en ik vroeg heel vriendelijk of ze voor ons de was kon doen. Ze beantwoordde die vraag maar al te graag positief en ik zei, dat na het ontbijt een mandje vol met was in onze kamer zou liggen. Ik liep weer terug naar ons appartement en zag dat Mils en ook Bert ondertussen wakker geworden waren en nog een beetje slaperig aan de grote tafel zaten. Ik ging bij hen zitten met mijn kleine notitie boekje en schreef het één en ander op over de reis tot dusver. Het had dat al enige malen eerder gedaan, maar het aantal notities was beperkt gebleven. Ja, het boekje was niet dik, en ik moest me een beetje inhouden met het aantal woorden, maar nu had ik even de tijd om te schrijven, om mijn gedachten te ordenen. Weer dwarrelde die vraag in mijn hoofd:

  • Waarom heeft Mils me in vredesnaam naar Naplet gehaald?
  • Waarom moeten we dat hele stuk naar de Noord rand reizen?
  • Wie is Mils eigenlijk? Wat is zijn opdracht?
  • En nog meer van zulke vragen.

 

Ik werd gestoord in mijn gedachten en pennenvruchten toen Natasha en kort daarna de vrouw des pensions in de centrale kamer van de suite/appartement verschenen. Natasha zag er als vanouds blakend uit en de vrouw verscheen met een dienblad vol lekkere dingen, dingen die ik ook in de pastelleria  van de vorige wake had gezien. Daarna kwam ze met nog een blad en nog een blad. Ze had inderdaad veel werk gemaakt van dit ontbijt en zelfs Mils zette grote ogen op omtrent zoveel en zo lekkere dingen en hij begon te eten. Normaal zag ik Mils niet veel eten, maar de ochtend van de 2de dagwake leek hij wel uitgehongerd zoveel voedsel hij naar binnen nam samen met de thee en de vruchtsappen. Ondertussen deelde ik het reisgezelschap mee dat de pensions vrouw de was voor ons wilde doen en na het ontbijt verscheen er bijna alle kleding, die de reizigers bij hen hadden. Ik verzamelde die in een mand, die de vrouw ondertussen gebracht had en bracht haar de was. Ze was zeer vriendelijk en zei, dat ze onmiddellijk met de was zou beginnen en dat die bij het begin van de 3de dagwake schoon bij ons zou afleveren. Dat was ook nodig, want die dagwake zouden we weer aanmonsteren op de Dragon en weer verder varen.

Wat zouden we deze wake gaan doen. Ik gooide dat in de groep en Mils, die nog aan zijn laatste stukje fruit bezig was, stelde voor om eens een kerk van binnen te bekijken en misschien ook een klooster. Ik voegde daaraan toe om ook een kazerne van de kerk soldaten te bekijken en Mils keek vreemd op, maar hij zei, dat hij zijn best zou doen om daar naar binnen te komen. Hij had wel goede relaties met de kerk en de abt van het klooster van Kalmeria en hij zou er op aandringen om een dergelijk bezoek te organiseren. Dat was dan een vol dagprogramma. Bert en Natasha waren niet zo enthousiast en van Natasha kon ik dat begrijpen. Ze had immers meer dan 5 jaar vastgezeten in zo’n klooster als officiële, gedwongen hoer en dan wil je natuurlijk daar niet weer op bezoek. Maar iedereen besloot mee te gaan en zo gingen we binnen een half uur op weg. Het was een half uur lopen naar het klooster en Mils  zei ons om even in een broodjeszaak te wachten zodat hij misschien het bezoek kon regelen. Nu waren we gewend aan die broodjeszaken, maar na het uitgebreide ontbijt had niemand zin om iets te eten en zo zaten we met z’n allen aan de thee. Mils had nog geen half uur nodig om de zaak te regelen en dat vond ik wel kort. Hij kwam de broodjeszaak binnen en wenkte ons. De abt van het mannenklooster zou ons het klooster laten zien, maar ook het vrouwenklooster, de verschillende scholen en zelfs een deel van de kazerne van de kerksoldaten. Dat had die snel geregeld. Ik vond het een beetje verdacht. De abt begroette ons hartelijk en deed zelfs een beetje onderdanig ten aanzien van Mils en mij. De andere twee keurde hij eigenlijk geen blik waardig. We werden ontvangen in een grote hal met een hoog plafond. In het midden stond een zeer grote tafel, wel met 50 stoelen en langs de wanden ook stoelen met klein tafeltjes daartussen. Voor in de hal stond een kleinere tafel met wat luxer stoelen met hoge leuning, duidelijk gedacht voor de wat hogere in rang  van dit klooster. Daar gingen wij zitten. De abt vertelde, dat dit het belangrijkste klooster van het land van Kalmeria was met duizenden monniken, nonnen en duizenden leerlingen op de kloosterscholen, leerlingen in de leeftijd van kleuter tot student. Alle leerlingen woonden ook permanent binnen de kloostermuren van de leerlingen afkomstig van het standaard mensenras. Die hadden nog nauwelijks contact met hun ouders en boven de veertien jaar helemaal niet meer. De kinderen van de gorilla mensen leefden meestal wel thuis, maar die woonden ook in de buurt van de kloosterscholen en kerken. Ik verbaasde me nogmaals over de invloed, die de kerk had op de kinderen. Dat was een gemakkelijke manier om ze totaal te indoctrineren en niet hun eigen denkbeelden te laten ontwikkelen.

      Het mannenklooster zag er sober uit. De mannen sliepen op zalen met wel 24 bedden met daaraan een wasgelegenheid en een toilet gekoppeld. De hoeveelheid toiletten was beneden pijl, maar ik herinnerde mij, dat de stoelgang van Naplettaners veel minder frequent was dan de mijne of dan van gemiddelde Aardmens. Aan de stoelgang werd niet zoveel aandacht besteed. In andere zalen waren mensen aan het werk met vooral schrijven en heen en weer lopen. De abt vertelde ons, dat de meeste monniken aan het werk waren op de school en in de kloosterboerderijen en landgoederen om boerenwerk te doen. De kloosters hadden hun eigen voedselvoorziening en daar was heel wat voor nodig, niet alleen de verbouwing van het voedsel, maar ook de verwerking, vervoer en andere logistiek om het voedsel op de goede manier op de juiste plek te krijgen. Ik was niet erg onder de indruk van het geheel, maar kon me de organisatie van het geheel wel voorstellen als tamelijk complex.

      Naast het mannenklooster met de tientallen, waarschijnlijk honderden zalen en vertrekken stond de kerk en dat was zeer groot bouwwerk, zoals we de vorige dagwake al hadden gezien. Daar gingen duizenden mensen in. De kerkdiensten waren meestal aan het begin en het einde van de dagwake, maar ook tussendoor waren er verschillende diensten en gebeurtenissen in de kerk. Het was er dan ook tamelijk druk voor zo’n morgen van de 2de dagwake. De kerk had haar zieltjes stevig onder de knoet. Er waren opvallend veel vrouwen, ook een aantal om de kerk netjes te houden. Ik had het gevoel, dat vrouwen op Naplet niet veel in de melk te brokkelen hadden.

      Na het bezoek aan de kerk, gingen we richting school, eerst op een soort kleuterschool. We kwamen in een klas van kinderen van 3-4 jaar. Er waren er wel 50 in die klas. Als onderwijzer was er een monnik, die eigenlijk niks deed en een aantal nonnen, die met de kinderen bezig waren. Er lag speelgoed op de tafeltjes en de vloer, meest houten speelgoed, blokken van verschillende afmetingen en kleuren, een soort wagentjes en nog veel meer. Echter zag ik ook papier en potloden, waarmee verschillende kinderen iets opschreven of tekenden. Een hele grote kleuterklas met opvallend rustige en gedisciplineerde kinderen. Neen, dat was op de Aarde wel anders vooral in Nederland. Daar was het vaak een zootje ongeregeld in zo’n klas van kinderen van die leeftijd. Je kon je niet voorstellen, dat er daar 50 bij elkaar moesten zitten.

      Een paar schoolgebouwen verder waren de studenten, jongens en meisjes in de leeftijd van 15 tot 20 jaar. De theorie klassen, waar echt les werd gegeven, waren nog groter. Wel 200 studenten in een soort banken, die luisterden naar een strenge mijnheer, leraar, professor voor de klas. Er waren vele van zulke klassen, colleges, maar daarna kwamen we in het praktische gedeelte. Eerst een soort ambachtschool, waar allerlei beroepen werden geleerd, veel bouwberoepen als timmerman of metselaar, schilder en dergelijke, dan een soort boerderij, met grote tuinen, waar bomen stonden en allerlei gewassen werden geplant, verzorgd en geoogst. Er waren ook kassen met de meest vreemde vruchten. Dat deel van de ontwikkeling was zeer goed verzorgd. De kennis van bomen, vruchten en planten was hier zeer goed, misschien beter dan op de aarde. Ze hadden hier dan ook geen veeteelt. Daarnaast was een wat kleinere afdeling bestaande uit een hele grote kooi van een soort touw, een heel hoge kooi met daarin allerlei vogels, kleinere vogels, maar ook vogels van ongekende afmetingen met vele kleuren. In de kooi stonden grote bomen en veel struiken, maar ook een paar karren, waar ingespannen werden, het soort vogels wat ons naar Bethesda had gebracht. Die werden hier getraind of liever leerlingen werden getraind om met vogels om te gaan. Dat leek me een heel leuk beroep. Ik zou ook wel met de grote vogels om willen gaan. Ik vroeg me af of de hele grote vliegvogels mensen konden dragen, zodat je ermee kon vliegen. Ik vroeg dat de abt en hij zei, dat er hier experimenten in die richting waren., maar dan in andere kloosters, meer naar het Noorden, al mensen met de grote vliegvogels vlogen, vooral om snel berichten over te brengen. Communicatie was op Naplet voor de meeste mensen nog een probleem en hij keek in de richting van Mils.

      Het omgaan met de natuur speelde een grote rol op Naplet. Ik denk wel dat minimaal 50% van de mensen op een zekere manier bezig was met voedsel en drank en dat had ik ook gemerkt. Het eten en drinken was op Naplet van een uitzonderlijke kwaliteit. Geen MacDonalds, geen Burgerking, neen kleine eetgelegenheden en cafés, maar de mens nog echt kon eten en drinken. Er was dan ook geen haastcultuur hier op Naplet. Dat stond me zeer aan alhoewel ik wel zeer veel tegen had op dat overheersende gedoe van de kerk, een soort Big Brother kerk was hier op Naplet aanwezig. Er waren nog talrijke praktische scholingen op het gebied van vooral de biologie, een manipuleren van bomen en planten. Er was ook nog theoretische scholing op dat gebied. Als laatste liet hij ons een klas zien van serieuze jongemannen. Dat zijn onze toekomstige abten en priesters, daar komen de bisschoppen en kardinalen vandaan, tenminste zo interpreteerde ik het. Deze kerk was niet katholiek, christelijk of Mohammedaans, deze was dat alles tezamen. Er was niets waar deze kerk niet de vinger in had. Dit laatste werd me nog meer duidelijk, toen we de kazerne binnengingen. De kazerne onderscheidde zich niet veel van het klooster. Dezelfde indeling, dezelfde slaapzalen, dezelfde eetzalen. Echter achter de kazerne, waarbij de school de tuinen en landerijen hadden gelegen, daar waren de oefenterreinen van de kerksoldaten, daar waren de stormbanen, de marcheerplekken en daar stonden ook wapens. Die terreinen waren wel 500 meter breed en kilometers lang. Samen met de kerk, de kloosters en de scholen vormden ze een soort ring om de binnenstad, waar overwegend de Gorilla mensen woonden. Een ring om de markten en winkels, die naast de kloosters en dergelijke gelegen waren. Daarbuiten woonden de standaard mensen in hun villa’s van hout en steen.

      De wapens waren relatief primitief en deden me aan de middeleeuwen op Aarde denken, alleen dan zonder de zwaarden en de harnassen van de ridders. Veel slag en gooiwapens, speren over het algemeen, maar ook de pijl en boog van verschillende grootte. Er stonden vele wagens, die door de vogels getrokken moesten worden. Er waren zelfs vogels, die opgetuigd waren en waar mensen op konden rijden. De abt vertelde ons, dat er nog een 2de kazerne buiten de stad was, een hele grote waar de echte soldaten leefden en woonden. Deze kazerne was als een verlengstuk van de school, waar jongemannen hun eerste opleiding kregen. Na die opleiding verhuisden ze naar buiten de stad. Daar waren ook grotere wapens, als grote katapulten, grote strijdwagens en zelfs een soort vuurwapen te zien. De vuurwapens waren echter te groot om door één man ge dragen te worden en waren daarom ook gemonteerd op wagens, getrokken door vogels. Ik vroeg me af of er hier op Naplet een zelfrijdend vervoer was, maar daar hield ik mijn mond maar over dicht. Ik was ook niet onder de indruk van het leger, maar een zo gedrild volk hoefde ook geen sterk leger te hebben. Er waren tenslotte ook geen oorlogen tussen volkeren bekend, tenminste ik had er niet van gehoord. Dit leger vervulde de functie van zowel politie als van het onder de duim houden van kleine opstanden hier en daar en het had waarschijnlijk ook nog een ceremoniële functie. Volgens mij waren de kerksoldaten er ook nog boer of  vogelmenner bij. Je kon het niet vergelijken met een modern leger op aarde.

Ik voelde weer dat hongergevoel in mij en had het hier wel bij gezien. Ik deelde dat de abt mee en de anderen waren het ook met mij eens. De abt zei, dat er een maaltijd was klaargemaakt in één de kleinere eetzalen van het mannenklooster en daar liepen we naar toe. Aangekomen in die kleine, maar knusse eetzaal zagen we de schalen, mokken en flessen al op de tafel staan en daarbij een aantal mannen en vrouwen, die ons persoonlijk bedienden. We aten de eerste minuten stilzwijgend en ze waren onder de indruk, wat ik allemaal kon eten, vooral mijn persoonlijke vrouwelijke bediende. Het was toch raar vrouwelijke bediendes in een mannenklooster en toen ik een beetje verzadigd was vroeg ik de abt: Zijn de monniken celibaateer en toen er een diepe stilte viel, vroeg ik nog eens: Gaan de monniken en priesters met vrouwen om? Zij ze getrouwd, slapen ze samen? In de katholieke kerk is celibaat toch immers de standaard. De stilte werd nog dieper. Ik begreep hieruit wel, dat dit een moeilijk onderwerp was, maar ik wilde toch wel een antwoord en ik herhaalde mijn vraag nogmaals. Ik moest wel van een verre planneet komen om dat niet te weten, had ik het gevoel en dat was nog eens waar ook. De abt stond me nogal perplex te woord. Elke Naplettaan uit Rondu weet toch hoe het hier functioneert. Mils kwam tussenbeide en knikte naar de abt, die prompt zijn gedachtespreken hield. Peter, de priesters en abten en andere hooggeplaatsten kunnen uit een soort “harem”(ik vertaalde het als harem voor mij) van vrouwen putten, die opgeleid zijn in het klooster om mannen te dienen en te behagen. De monniken en nonnen hebben allen een soort relatie, maar die relatie hoeft niet altijd met dezelfde te zijn. Dit had ik niet begrepen. Nu wist ik ook hoe Natasha in een klooster geleefd  had. Ze hoorde bij de harem, de mooiste vrouwen voor de hooggeplaatste personen, een soort slaven om de kerk te dienen en ik hield verder mijn mond, te perplex om verder nog vragen te stellen. De harem was hier een soort instituut voor de bisschoppen en dergelijke. Die hoefden niet te trouwen of een vrouw te hebben. Ze hadden vele vrouwen en de mooiste van de planeet.

Na het eten liep ik met een dood gevoel in mijn kop richting pension en zei niks. Deze idyllische planeet hield er toch rare gewoontes op na, een harem voor de kerk en iedereen vond dat de gewoonste zaak van de wereld en als vrouwen iets buiten de scheef hadden gelopen, zoals Natasha en ze zagen er goed uit, dan gingen ze niet de gevangenis  maar de harem in en ik kan me voorstellen, dat er ook speciale harems waren, voor speciale wensen van priesters en bisschoppen. Een pets voor de kont was daar nog heilig bij en ik grinnikte een beetje over deze vergelijking en de pensionvrouw. Die had misschien ook wel in zo’n harem gezeten.

Met gemengde gevoelens ging ik richting mijn bed, maar ik had daar nog niet veel zin in. Ik had zin om me een beetje te bedrinken, een paar biertjes te nemen en ik deelde dat de anderen mee. Mils had daar geen zin in, zoals ik wel verwacht had, maar Bert en Natasha hadden ook zo’n gevoel om af te kicken van de kerk. Beiden hadden het niet zo op met de kerk. We gingen naar buiten richting schip en zagen een leuk kroegje, meer een kroegje dan een eetgelegenheid. We gingen naar binnen en het was er druk met drinkers. Het was op het laatst van de 2de dagwake en het leek wel of de mensen nu hun meeste energie hadden. Al ongeveer 30 uren zon op hun kop en nog geen zin om te rusten. We vonden een plekje achter in de kroeg en een dame kwam langs om onze bestelling op te nemen. Ik nam de grootst mogelijke bier, zeg maar een pint in Engelse termen en Bert en Natasha namen een halve pint. Opeens zag ik een paar bekenden. Japie en Gerrit waren ook in deze kroeg en we groeten elkaar hartelijk. Ik bestelde meteen twee grote bieren voor hen en dat sloegen ze niet af. De bardame rekende niet meteen met ons af en ik zag haar een briefje achter de bar leggen met onze bestellingen. Welke naam zou wel op dat briefje staan. Dat zou ik nooit weten, maar het kon me niet schelen. Het kon me ook niet schelen of ik een beetje dronken werd, als er maar een pisgelegenheid in de buurt was. Daar waren de kroegen in Rondu niet zo goed in. Ik ging even op zoek, maar vond niets. Ik vroeg de bardame naar zulk een gelegenheid en ze wees naar een gordijn achter in de kroeg en ik keek achter het gordijn. Daar was een houten goot met een soort afvoer. Het stonk een beetje, maar dat was niet zo erg. Naast de goot was nog een hokje met een gordijn ervoor. Daarachter zat een gat in de grond, een soort Frans toilet. Er lag ook een klein stapel papiertjes om de kont mee af te vegen. Ik hoopte niet, dat ik daar gebruik van zou moeten maken. Het zag er niet fris uit, maar pissen ging redelijk en ik was al een halve pint vocht kwijt.

Terug bij ons gezelschap bestelde ik voor iedereen, behalve voor Bert. Die dronk langzaam en was ook niet zo gewend aan alcohol. Natasha dronk even snel als Japie en Gerrit. We dronken nog een tijdje door. Van een gedachten gesprek was niet echt sprake. Ik hoorde veel geroezemoes, maar kom eigenlijk niemand verstaan. Dit type communicatie was niet geschikt in een groot gezelschap zonder gespreksdiscipline. Dan was één op één praten veel geschikter. Er was ook een muzikant, zelfs twee, die op een achteraf podiumpje zaten. De ene had een soort gitaar en de ander een houten blaasinstrument. De muziek klonk een beetje Turks-Grieks, maar er werd niet bij gezongen. Deze mensen waren niet gewend om met hun mond geluiden voort te brengen. Ze hadden ook geen groot frequentie bereik qua geluid. Alleen Bert en ook Natasha spraken echt met elkaar en die hadden een redelijk harmonische stem. Na een stuk of 5, 6 pinten en een twee uurtjes verder met de nodige pis sessies, had ik het wel gezien. Ik riep de bardame, rekende af en slingerde naar de uitgang. Binnen 5 minuten was ik in het pension en op de pot, een beetje draaierig, maar verder OK. Ik had me niet meer om Natasha, Bert en de anderen bekommerd en was in een sombere stemming. Dan kun je ook beter naar bed gaan. Ik viel bijna direct in slaap en droomde van mooie vrouwen in harems, die priesters moesten vermaken. Ik kreeg er een vieze smaak van in de mond, maar raakte ook een beetje opgewonden. Wat er verder gebeurd is, weet ik niet, maar ik moet wel zwaar gesnurkt hebben, want midden in de slaap werd ik wakker gemaakt door Natasha,die een opmerking daarover maakte. Ik draaide me om, toen niets meer tot ik met een beetje harde kop wakker werd.

Het was nog steeds licht zoals ik door het kleine raampje in de badkamer zag en er was warm water in het zitbad. Misschien had de pension dame dat bad wel gevuld. Ik was haar er in ieder geval dankbaar daarvoor. Ik ging in het bad zitten en poedelde mezelf, water over mijn kop gooiend. Dat water stroomde heerlijk langs mijn gezicht naar beneden. Er was ook een soort zeep en een dikke stroop, dat op een soort shampoo leek. Ik probeerde het op mijn armen en het schuimde en het rook aangenaam. Mijn haren waren lang. Die moesten geknipt worden en ik had ook een flinke baard, ook kortwieken. Misschien kon Natasha dat doen. Aan mijn Zwitsers mes zat een redelijke schaar, wat klein, maar scherp genoeg om haren mee te knippen. De mensen op Naplet hadden niet veel haar. Haargroei was hier volgens mij bijzonder langzaam. Dat was misschien ook één van mijn aantrekkelijke punten voor vrouwen hier, een reus met lang haar en een lange baard, of misschien niet. Ik zou Natasha direct bij het ontbijt vragen of ze mijn haren en mijn baard wilde knippen tot een redelijke lengte. Ze had daarin natuurlijk geen ervaring, maar ik heb alle vertrouwen in Natasha.

Na mijn bad trok ik mijn kleren aan en ging naar de gezamenlijke ruimte. Daar zaten de anderen aan het ontbijt en ik had het gevoel, dat ze daar al een tijdje zaten. Naast de tafel lagen mijn kleren keurig opgevouwen op een stoel. Ze zagen er zeer schoon uit. Ondanks de pets had de pension dame vreselijk haar best gedaan om de was zo schoon en netjes mogelijk te maken. Ik pakte het stapeltje was en legde het op mijn bed. Daarna vervoegde ik me aan het ontbijt. Ik had vreselijke trek en vond alles wat er lag erg lekker. Na wat gedronken te hebben, vroeg Natasha waarom ik gisteravond zo maar vertrok. Ik wist het niet, vertelde ik haar, maar ik had geen zin meer. Dat kon ze zich voorstellen. De bardame had haar verteld, dat er nog nooit een gast was geweest, die zoveel had gedronken en ook zo’n grote fooi had gegeven. De fooi was meer dan ze in één dagwake kon verdienen. Ik zou het niet weten, vertelde ik haar. Ik heb haar maar wat munten gegeven. Geld had hier immers geen waarde voor mij.

Na nog een broodje naar binnen gewerkt te hebben, pakte ik mijn riem en opende een foedraal met het Zwitserse mes en klapte het schaartje open. Ik vroeg Natasha om mijn haar en baard te knippen met dat mes en zij keek me verwonderd aan. Ik legde haar uit, dat ik wat gekortwiekt wilde worden en nam al vast een flinke knip haar uit mijn baard. Ze was nieuwsgierig naar het mes met het schaartje en ik gaf haar het mes. Ik ging achter haar staan, met mijn buik tegen haar rug en legde uit wat het mes zoal had, groot mes, klein mes, schroevendraaier, priem, schaartje, blikopener, flessenwipper, zaagje en nog een paar van die nutteloze dingen hier op Naplet. Ze keek met grote ogen alhoewel ik die niet kon zien. Daarna pakte ik een krant, schoof die onder een stoel en ging er op zitten. Ik trok mijn shirt uit en legde nog een krant op mijn schoot. Daarna vroeg ik Natasha om me te knippen. Ze deed wat onwennig en knipte een paar happen haren van mijn hoofd. Ik zei, dat er wel een model aan moest zitten en ze knipte nog wat meer. Ze kreeg er plezier in en met haar puntje van de tong tussen de tanden, ze had wat meer tong dan de meeste Naplettaners, knipte ze ingespannen steeds meer haren van mijn hoofd. Het ging langzaam en ik had geen flauw idee hoe het er uit ging zien, maar dat was niet belangrijk. Na een half uur en nog een paar kleine knipjes, zei ze dat dit wel ongeveer goed was. Ik geloofde haar en vroeg haar met mijn baard aan te vangen. Dat was wat moeilijker. Ze moest op de knieën zitten om te knippen en baardharen vlogen in het rond, want die zijn een stuk stugger dan hoofdharen. Ik moest mijn ogen dichtknijpen om er geen haren in te krijgen. Af en toe deed ik mijn ogen open en zag haar mooi gezichtje. Wat een stuk, dacht ik weer bij mijzelf, wat hebben we geluk gehad om haar te ontmoeten.

Na een uurtje was ze tevreden met haar knipresultaat. We veegden de haren bij elkaar en gooiden die in een emmer in mijn badkamer. Daar hing ook een klein spiegeltje en ik kon het knip resultaat zien. Mijn hoofdharen stonden een beetje rechtop en hadden afmetingen van twee, drie centimeter, een beetje de haarstijl hier op Naplet. Mijn baard was een beetje stoppelig, geen haar langer dan één centimeter. Ik zag er jeugdig uit en ik complimenteerde haar met haar voortreffelijke knipwerk De glimlachte en dat vertederde mij zeer. Ik zag er nu meer uit als een Naplettaner, maar dan een hele grote.

De rest van de dag zwierven we een beetje door Kalmeria,  namen nog eens de veerpont, aten nog een beetje en gingen terug naar het pension om onze spullen op te halen. Ik pakte alles netjes in mijn rugzak ervoor zorgend dat het zakje met diamanten een goede plaats kreeg. Ik had mijn hengel en de rest van het touw in de hut op de Dragon laten liggen. Daar had ik waarschijnlijk geen functie voor. De pension dame stond bij de deur om afscheid van ons te nemen. In een opwelling gaf ik haar een zoen op de wangen en een klapje voor de kont. Ze lachte en zoende me terug. Van seksuele intimidatie hebben ze hier op Naplet, in ieder Rondu, nog nooit gehoord, denk ik zo. Opgewekt liep ik en de anderen naar de Dragon. De kapitein stond al voor het schip op ons op te wachten en leidde ons weer naar onze hutten. Het leek wel of het schip een stuk schoner was. Ik stonk niet meer zo erg en de dekens op het bed roken zelfs aangenaam. De zon stond laag aan de horizon. Over een paar uur zou die langzaam in de rivier zakken. Waarschijnlijk was het landzicht dan al verdwenen alhoewel we moesten eerst nog over deze zijrivier terugvaren tot we bij de B-rivier aangekomen waren. Ik had een vredig gevoel in mij. Het doorzakken van de vorige avond van de 2de dagwake was toch ergens goed voor geweest. Ik moest de moraal van Naplet maar aanvaarden alhoewel die mij tegen de borst stuitte. Daar ik een man was, had die moraal ook aangename punten. De vrouwen hadden hier weinig te zeggen en als ik wilde, kon ik zo met iedere vrouw naar bed. Waarschijnlijk bestond er ook niet zoiets als aids, maar dat wist ik niet.

De priester met zijn vrouwelijke gevolg en de paar soldaten was inmiddels ook aan boord en we werden van de kade afgestoten en de nieuwe roeibemanning zette ons in beweging. Het ritueel van het roeien was al bekend van het vorige deelstuk. We zagen weer de uitgestrekte velden van het land van Kalmeria met in de verte de bergen. Ik was al gewend aan de zeer verre horizon, maar ik was er nog steeds van onder de indruk. De dagen in Kalmeria waren aangenaam geweest en nu op naar de volgende plaats, Laporto, dat meer dan twee hele nachten en dagen varen was. Daar zouden we ongeveer de 2de dagwake aankomen en aan het einde van de 3de dagwake vertrekken. Het verblijf daar was wat korter dan hier in Kalmeria. De afstand was zo’n 1500 km. Met de 1000 kilometer lopen en de vorige vaart van zo’n 1500 kilometer waren we dan zo’n 4000 kilometer van de bergen ofwel 8000 kilometer van de rand. Onze eindbestemming, Lanter, lag op 2500 kilometer van de rand dus na Laporta moesten we nog 5500 kilometer. Tussen Laporta en Lanter lagen nog twee stops maar ik wist niet hoe die plaatsen heetten. Ik kon het aan Gerrit of Japie vragen, maar op het ogenblik had ik er geen behoefte aan om nog iets te weten. De zon zakte langzaam, tergend langzaam onder de horizon en ik kreeg een déjà vu van mijn villa in het Zuiden van Europa. Daar zag ik ook dikwijls de zon achter de bergen zakken. In het Noorden was dat zeldzaam. Daar was het meestal bewolkt. Hier op Naplet had ik nog weinig wolken gezien. Alleen aan het begin van de nieuwe dag regende het, maar na een paar uur daglicht klaarde het op en begon de zon weer volop te schijnen. Ik liep naar de hut en hoorde Mils en Bert al slapen. Ik kleedde mij uit en in mijn kleine bedje met de voeten op de grond, sliep ik langzaam in, een droomloze slaap, in ieder geval herinnerde ik me bij het begin van de 1ste nachtwake geen dromen.

Het was een stuk kouder geworden aan het begin van de 1ste nachtwake, maar toch besloot ik mij op de wasplaats op het achterdek uit te kleden en een emmer met koud water over mijn lichaam te gooien. Het maakte me niet veel meer uit of de meisjes van de priester oogluikend naar mij keken. Ik was dat wel gewend van trip van Bethesda naar Kalmeria. De wasplek was redelijk donker dus veel zagen ze niet. Ik had een handdoek uit de hut meegenomen en droogde me af, trok een schone onderbroek aan en ging terug naar de hut. Ik hing de natte onderbroek, die ik tijdens het wassen had aangehouden over de voorreling van mijn bed zodat die kon drogen. De rest van mijn goed was schoon en ik trok een Naplettaans hemd en een broek aan. Voordat ik de hut verliet trok ik ook mijn vogeljack aan. Dat jack hield me altijd op de goede temperatuur hoe koud of warm het buiten ook was. Het ontbijt was zoals gewoonlijk in een overdekt gedeelte op het achterdek, waar een tafel en vier stoelen stonden. Zoals gewoonlijk was ik de laatste aan tafel met de grootste dorst en honger. De vorige reis had ik veel aandacht besteed aan de roeiers annex vissers. Dat zou ik op dit gedeelte van de tocht ook doen, maar ik besloot toch wat meer aandacht aan mijn reisgezelschap te schenken, meer te praten met Mils en Natasha, maar dan wat later. Het trok me toch naar de roeiers, die ondertussen grotendeels vissers en braaiers op het achterdek waren geworden.

Ik liep in hun richting en stelde me voor als Peter, die op reis was naar de rand. Ze waren onder de indruk, waarschijnlijk meer door mijn lengte en mijn vogeljack dan door mijn verhaal over het doel van de reis. Deze roeiers waren van Laporta en hadden dus al de tocht naar Kalmeria gemaakt. De terugtocht was voor hen een makkie vanwege de goede stroming en de wind gemiddeld in de rug. Ik zag ook, dat ze op de traditionele manier als de roeiers uit Bethesda visten en vertelde daarom wat ik ontdekt had op het vorige gedeelte van de boottocht. Niet iedereen geloofde mijn verhaal, maar een paar van de jongere vissers waren wel onder de indruk en namen een stuk vis om als aas te gebruiken. Dat hielp bijna onmiddellijk en vanaf dat moment werden er niet alleen meer palingen gevangen, maar ook de tonijnen en zelfs platvis, die op dit gedeelte van de rivier meer voorkwam. Het rivierwater bevatte hier wat meer zout dan stroomopwaarts waardoor de vis populatie wat van karakter veranderde. Ik ging zelf niet meer vissen. In principe was ik een uit nood geboren visser om voedsel te vangen. Het vissen als sport interesseerde me minder alhoewel ik het wel leuk vond om naar het vissen van andere mensen te kijken, een passieve visser dus.

De mensen uit Laporta spraken met een ander accent al is het vreemd dat over gedachtenpraten te zeggen, maar er waren nuance verschillen. Misschien ging het wat meer over de inhoud. Ik had de indruk, dat naar het Noorden toe de mensen wat minder rauw waren, misschien wat beschaafder en meer op hun gedachten woorden lettend, dus ook wat minder open. Met deze mensen zou ik minder snel bevriend raken dan met de mensen uit Bethesda. Bethesda lag ook aan de B-rivier zelf en was geen hoofdstad of belangrijke stad van een land. Bethesda was eigenlijk een stad op zichzelf geweest, een stadstaat, die de verbinding vormde tussen de bergen, de bergbevolking en de “beschaafde” wereld. De invloed van de kerk was daar ook kleiner dan in Kalmeria en waarschijnlijk Laporta.

Na een tijdje en na het verorberen van een paling en een potje bier had ik het wel gezien en liep weer naar het achterdek. Mils zat nog aan de tafel in de eethut en zat zoals gewoonlijk weer in trance. Bert was niet weg te slaan bij Japie en Gerrit en hielp hen met de karweitjes, die zo aan dek gedaan worden. Hij had veel belangstelling voor de zeilen en het tuig waarmee nu grotendeels de vaart erin werd gehouden. Er waren maar weinig roeiers op de banken en alleen maar om te helpen bij plotselinge veranderingen van richting.  Natasha zat bij de eethut van de priester en zijn gevolg en was aan het praten met de priester meisjes. Ik pakte een stoel uit onze eethut en schoon aan bij Natasha. De priester meisjes, volgens mijn schatting variërend in leeftijd van 12 tot 18 jaar, keken verschrikt naar mij. Mannen en zo’n grote man waren om naar op te kijken, naar te luisteren en te gehoorzamen, maar ik gaf te kennen, dat ik alleen maar naar hun praten wilde luisteren maar verder niets.

Het gesprek zal wel een andere toon hebben gekregen, maar het ging grotendeels over de toekomst als leerling bij de kerkschool , de omgang met vriendinnen en wat geroddel over de priester met wie ze op stap waren. Hun einddoel was ook Lanter, alwaar ze een opleiding in de verpleging zouden krijgen. Daarna zouden ze weer teruggaan naar hun eigen omgeving om het geleerde in de praktijk toe te passen. Ze kwamen allen uit afgelegen dorpen en steden uit de streek aan de voet van de bergen en waren door rondreizende priesters geronseld voor die opleiding. Over het algemeen waren zei de knapste leerlingen van de scholen in de bergstreek, knap aangaande uiterlijk en intelligentie. Ze hadden nog niet dat onderdanige van de leerlingen, die ik in Kalmeria had gezien.

Ik drong erop aan bij Natasha om ook iets van haar eigen levensloop te vertellen en ze keek me vragend aan, zonder daarbij te gedachtespreken. Ach Natasha, je weet wel, de eerste jaren, de rivierrovers en wat er daarna gebeurde bij de priesters en bisschoppen en toen bij de bergmensen. Over de twee laatste moet je een beetje voorzichtig zijn. Je moet de meisjes niet teveel verontrusten, maar je mag ze wel waarschuwen. Hun doelstelling is niet de harem, maar terug naar hun dorp, waar ze een belangrijke functie in hun gemeenschap gaan vervullen. Natasha begon het verhaal te vertellen wat ik in het kort al in de bergen gehoord had, haar 1ste opleiding in Natasha’s land, de bootreis en rover en wat bij de rovers gebeurde. Sommige van de meisje gruwden bij het aanhoren van het verhaal bij die rivierrovers maar anderen hingen aan haar lippen en vonden het heel spannend. Het verhaal over de kerksoldaten en wat daarna gebeurde in het klooster en bij de bergmensen overgoot ze met een sausje zodat het niet zo negatief klonk aangaande de kerk, maar de meisjes, vooral de ouderen, kregen de strekking van het verhaal wel mee, de gedwongen prostitutie in de harem en daarna bij de bergmensen, ze rilden ervan. Het verhaal was uitgebreider dan ik in de hut in de bergen gehoord had en ik was weer zeer onder de indruk van haar vertellen en haar persoonlijkheid. Ik raakte er zelfs seksueel opgewonden.

Na haar verhaal ging ik samen met haar naar haar kleine hutje en vrijde met haar op onze eigen manier. We kleedden ons uit en drukten de lichamen tegen elkaar, toen begon ze mij te pijpen en ik kreeg binnen vijf minuten een zaadlozing. Daarna vingerde ik haar en zij kreeg ook heel snel een orgasme en dit herhaalden we wel drie maal totdat we uitgeput in elkaars armen lagen in het kleine bedje, je kreeg er een zere rug van. We besloten ons te wassen en liepen schaars gekleed naar de wasplaats. Ik gooide een emmer water over haar heen en met mijn handen en een beetje van de lokale zeep wreef ik over heel haar lichaam, waarbij ze weer nabij een orgasme kwam maar dan anders. Ik ging zitten en zij deed hetzelfde met mij. Het was koud hier op het schip maar wij voelden de koude niet. We voelden alleen de warmte van de ander en van onszelf. We waren twee in een eenheid en dat duurde wel een half uur totdat de koude ons overmande. We droogden ons af en liepen naar Natasha hut waar ik mijn kleren aantrok. Waarschijnlijk hadden de anderen wel wat van deze vrijpartij meegekregen, maar dat interesseerde mij niet. Natasha kon met mij vrijen, zoals ik heel mijn leven op de aarde niet had meegemaakt. Alleen hierdoor was deze reis al de meest aantrekkelijke,die ik heel mijn leven had gedaan. En dan nog Naplet zelf en de nieuwsgierigheid naar het doel van de reis. Het was eigenlijk te mooi om waar te zijn. Op de Aarde had ik me al een oude vent gevoeld, een midveertiger, die gesetteld was in zijn beroep, met weinig hoogtepunten en weinig intensieve kontakten. Hier voelde ik me een jonge begindertiger, die alles kon, de hele wereld aankon, het mooiste vrouwtje van de wereld in mijn armen hield, ik was toch een geluksjongen ondanks de jaren in een weeshuis, maar dat vergat ik direct.

Op de rest van deze bootreis verdeelde ik mijn aandacht tussen de roeiers en Natasha. Eén van de oudere meisje, ik denk 17, 18 jaar was ook in de ban van Natasha en durfde zelfstandig met mij te praten al ging het in het begin nergens om. Ze had waarschijnlijk Natasha en mij bij een vrijpartij bij de wasplaats gezien en was ook een beetje verliefd op mij geworden. Onze gesprekken gingen langzaam die kant uit en Brigit, zoals ze zich  in mijn hoofd noemde, probeerde in lichamelijk contact met mij te komen. Ik probeerde dat zoveel mogelijk te vermijden maar deze oude bok heeft ook zo zijn libido. Ik vond het wel aangenaam wat ze deed, maar nogmaals, het leek op een soort kalverliefde, die nog niet verder ging dan elkaar aanraken en misschien hier en daar een kusje. Natasha zag dat vanuit de verte maar ook van dichtbij aan. Ze had niet dat van een jaloerse vrouw, integendeel, zei vertelde Brigit zachtjes hoe je mij, Peter, in een opgewonden staat kan brengen. Ik weet zelf niet hoe dat moest maar de vrouwelijke intuïtie is tot veel in staat.

Al met al was dit net als de vorige keer een aangename reis en binnen de kortste keren waren we Laporta aangekomen. Deze stad zag er indrukwekkender uit dan zowel Bethesda als Kalmeria, maar het was er niet zo gezellig als Kalmeria. De mensen waren wat stijver, het pension was wat kaler maar zelfs iets duurder. Brigit ging met priester en meisjes mee en zij logeerden in het nonnenklooster. Dat leek me niet zeer aangenaam, maar de meisjes waren het gewend, zoals ze gewend waren met ze allen in een kleine hut te slapen aan boord van het schip.  We keken in beetje rond in de stad, maar de structuur en opbouw van Laporta was hetzelfde als van Kalmeria er gebeurden geen bijzondere dingen, die de moeite van het vertellen waard zijn en zo gingen we aan het einde van de 3de dagwake weer aan boord van de Dragon. De routine van het varen werd een beetje saai, maar ik vergaapte me nog steeds aan het uitzicht en de vergezichten toen we deze rivier weer afvoeren richting de B-rivier. Ik had me in Laporta een nieuw aantekeningen boekje aangeschaft en ook een stapeltje potloden. Ze hadden een stenen puntenslijper bijgeleverd, maar ik prefereerde het met mijn Zwitsers mes de punten aan te slijpen. Er was weer een andere roebemanning, maar ik bemoeide me niet meer met het vissen. Ze moesten het zelf maar uitzoeken. Af en toe ging ik wel richting kookpot om wat vissen te kopen en ook Natasha, Bert en zelfs Brigit waren gek op de gebarbecuede vissen. Mils maakte het allemaal niet uit. Brigit ging zich steeds meer bij ons gezelschap vervoegen en ik zag dat de priesterbegeleider dat niet goed vond, maar hij zij er niks van. Het was mij niet duidelijk waarom hij dat niet deed, maar ik vond het gezelschap van haar wel zeer aangenaam. Ze was nog een onbedorven meisje, jonge vrouw, die aan je lippen lag als je iets vertelde en ook zeer spontaan reageerde. Ik besloot ook een beetje over mijzelf te vertellen, dat ik van verre oorden kwam en vele avonturen had meegemaakt. Ik had het gevoel, dat ze dacht dat ik van Hostu, het Zuidland, kwam en dat ik met een grote vogel over de bergen was gevlogen. Ze kende de bergen, maar ze wist niet hoe hoog die wel waren en dat op die hoogte vogels niet meer konden vliegen. Ik liet het maar bij die fantasie. Ik eigenlijke verhaal zou ze nooit geloofd hebben.

Schrijvend en keuvelend bracht ik zo de nachtwakes en dagwakes door. Af en toe een beetje vrijen met Natasha en een beetje friemelen met Brigit. Ze was, geloof ik, een beetje verliefd op mij geworden, maar het was een soort kalverliefde en dat heb ik, geloof ik, al gezegd. Ze verwarde volgens mij liefde een beetje met bewondering voor mij als persoon, maar voor mij als grote kerel en ervaren reiziger. Alhoewel ze uit de bergstreek kwam, was ze nauwelijks buiten haar dorpje geweest en was dit haar eerste grote reis in het onbekende en die reis was verder niet zo interessant, behalve dan de contacten met ons groepje.

We kwamen in Salonica aan bij het begin van de 2de dagwake en onze routine van een pension zoeken en daar overnachten slaagde weer. Al deze riviersteden bij het begin en het einde van een grote rivier als de B-rivier hadden dezelfde structuur. We hadden hierna nog één halte voordat we in Lanter zouden aankomen. We waren op de helft en waarschijnlijk al over de helft van onze reis naar de Noordrand. De reis verliep vlot en in Lanter zouden we na een ander schip moeten zoeken om de laatste 2500 kilometer naar de rand te reizen. Mils vertelde, dat er aan de rand allerlei treinvervoer langs de rand was. We hadden dan nog een kleine 1000 kilometer om op de plaats van bestemming aan te komen, maar met de trein duurde dat nog geen dagdeel, dus minder dan 50 uur. Ik vond dat niet snel, maar de treinen werden met mankracht aangedreven. Een soort locomotief werd via een ingewikkeld raderstel door mensen in beweging gebracht. De rolweerstand was, eenmaal in beweging zijnde, niet erg groot van de houten raderen op de stenen rails, zodat een man of 5 makkelijk twee rijtuigen met 40 passagiers in beweging kon houden. Alle vervoer op Naplet werd met mankracht of grote loopvogels gedaan of er moest gezeild worden als op dit schip.

Salonica leek weer veel op Laporta alhoewel ik de indruk had dat de invloed van de kerk en kloosters hier groter was dan in Laporta of Kalmeria. Er waren meerdere grote kerken op de rand tussen de gorilla mensen en de standaard mensen. Er waren meer kloosters en de kazerne leek veel groter. Ons verblijf was heel luxueus . Er was zelfs een delegatie aan de kade van dat pension. Net of ze ons verwachten. En de prijs was ook belachelijk laag voor wat we in Kalmeria en Laporta betaald hadden. Ik had alleen voor mezelf een suite met slaapkamer en badkamer en Mils had ook zo’n suite. Bert en Natasha hadden een gezamenlijke suite maar wel eigen slaapkamers.

Mijn badkamer had continu warm water en ik maakte daar ruimschoots gebruik van. Dit bad was zo groot, dat ik er ruimschoots in kon liggen zelfs tezamen met Natasha. Ze deed de eerste keer dat we samen lagen in bad lagen een spelletje, wat onderwaterpijpen heette. Ze was in staat enkele minuten mijn lul met haar mond te bewerken, zonder ook maar één keer adem te halen Ik kreeg een zaadlozing, zo groot, zo groot had ik het nog nooit meegemaakt. We konden uren in bad liggen vrijen, rustig praten en dan weer vrijen. Het was een zeer aangenaam verblijf in Salonica alhoewel ik van de stad niet teveel heb gezien.

Het was weer tijd om de Dragon op te zoeken en Brigit stond al op de reling om naar ons uit te kijken. Ze begroette ons uitbundig met een zoen en zelfs Mils kreeg er één. Mils zag Brigit waarschijnlijk ook wel zitten en hij was ook in een aanmerkelijk betere stemming dan in het voorafgaande deel van de reis. De roeiers waren al aan boord, maar ik keek ze verwonderd aan. Ik was niet zo’n zooitje ongeregeld als de vorige keer. Ze hadden allemaal nette kleren aan, het leken wel uniformen en ze leken meer discipline te hebben dan de vorige roeiers

Aan het einde van deze 3de dagwake wilde ik wel weer een visje proeven. We waren weer op de B-rivier aanbeland en de roeiers zouden wel weer aan het vissen zijn op het achterdek. Tot mijn verbazing was niemand aan het vissen en was het vuur nog koud of er was helemaal geen vuur. Ik vroeg aan een paar roeiers, hoe dat zat, waarom ze niet aan het vissen waren. Ze wilden toch wel iets bijverdienen? Ik viel helemaal om toen ze vertelden, dat ze geen vishengels bij zich hadden. Dat was dan de 1ste keer dan we het met de standaardkost moesten doen, die aan boord geserveerd werd en dat was niet veel bijzonders. Het was vooral vegetarisch met een tamelijk vlakke smaak. Ik wist, dat mijn hengel nog in mijn hut lag en ging die halen. Gerrit had nog een beetje vis, die ik als aas kon gebruiken. Ik vroeg Gerrit of hij het niet vreemd vond dat deze roeiers niet kookten en vis barbecueden. Gerrit vond het ook een vreemd stelletje. Als dit roeiers waren, dan was hij een priester voegde hij er aan toe. Met deze roeiers was iets aan de hand. Maar niet getreurd, ik pakte mijn hengel en het aas en na een uurtje vissen had ik drie redelijke grote vissen gevangen. Ik legde een vuurtje aan in de vuurpot op het achterdek en fileerde de vissen met mijn grote legermes. Een paar roeiers kwamen nieuwsgierig aangelopen en keken verbaasd naar mijn mes. Ik deed of ik niets zag en legde de filetjes op het vuur en maakte mijn mes schoon met en stuk textiel, wat bij de pot achtergebleven was. Na een half uurtje waren de filetje gaar. Ik pakte een houten bord legde de filetjes erop en liep naar het voordek en de eetplaats. Er was al opgediend, maar mijn vis trok direct de aandacht en ieder van ons peuzelde een stuk vis, ik at het meeste. Nog verbaasd over de roeiers ging ik naar bed en sliep bijna onmiddellijk.

Zo ging het de hele nacht door en ook de volgende dag. Aan het einde van die dag gebeurde er iets, dat onze reis helemaal veranderde. Gedurende de hele reis op de Dragon had ik nog geen ander schip gezien. Aan het einde van die dag hoorde ik een geschreeuw vanuit één der posten, die hoog in de mast zat. Ik hoorde zoiets als “schip in zicht” en bijna iedereen ging naar de bakboord reling om dat schip ook werkelijk te zien. En ja, naar een paar minuten zag ik een zeilboot varen, die duidelijk in onze richting voer. Het schip naderde snel en op een gevaarlijke manier. Als het zo door ging, zou die ons rammen, zou die boot ons rammen? Dat was niet normaal. Het leek of de roeiers dat ook beseften en enkelen stormden naar het achteronder, het verblijf waar ze sliepen. Binnen enkele tellen waren ze terug met knuppels en speren in de hand en de rest van de roeiers volgens aldra hun voorbeeld. Zouden dat rivierrovers zijn? Ik hoorde geschreeuw van de andere boot en Natasha rende ook op me toe. Dat zijn rivierrover, dat zijn rivierrovers schreeuwde ze me toe en ik realiseerde me, dat dit wel eens een cruciaal moment in onze reis zou kunnen.

11. De rivierrovers en wat er daarna gebeurde

 

            De rivierrovers kwamen steeds dichterbij maar de roeiers kwamen in groten getale richting de reling, waar de rivierrovers het schip zouden rammen. Japie en Gerrit renden in onze richting en schreeuwden in mijn gedachten over een roeiboot, die ze aan stuurboord verstopt hadden voor zulk een gelegenheid, verstopt in die zin, dat die roeiboot onder een zeil aan dek lag en vermomd was als een soort deklading.  Ze wilden met dat bootje vluchten, maar dachten dat wij ook wel met hun mee wilden vluchten, niet alleen omdat we zulke goede vrienden waren maar ook om wat meer roeiarmen te hebben. Waarom zouden we vluchten vroeg ik me af, maar Natasha vulde meteen mijn gedachten. Vluchten voor de rivierrovers, want die maakten meestal korte metten met passagiers of namen ze gevangen en verkochten ze aan de mijnen op het Noordelijk vlak. Dat was geen pretje. Maar ook vluchten voor de roeiers. Dat waren geen roeiers, dat waren kerksoldaten en waarom waren die aan boord in plaats van de echte roeiers? Waarschijnlijk om ons gevangen te nemen. Ik had geen tijd om er over te denken. Gerrit en Japie hadden ondertussen de roeiboot ontdaan van zijn ballast en sleepten hem naar de reling aan een paar touwen, toen er een geweldige schok door de Dragon ging, die ons allen van de voeten wierp. Ik stootte mijn elleboog op het dek. Dat deed zeer, maar ik was vliegensvlug weer op de benen, rende naar mijn hut, pakte de rukzak met hengel en liep vliegensvlug naar de roeiboot om die met behulp van Japie, Gerrit en Bert overboord te tillen. Dat ging moeizaam, maar het lukte en we vierden de boot aan de touwen vijf meter omlaag totdat die op het water dreef. Gerrit en Japie klommen over de reling en langs het touw omlaag, het touw, dat ik nog stevig in de hand hield. Ze waren stuk voor stuk niet al te zwaar maar het touw glipte toch langzaam door mijn handen. Ook Bert en daarna Natasha gingen snel langs het touw omlaag. Natasha moest het laatste stukje springen want het touw was me nu totaal ontglipt. Hoe kwam ik beneden. Ik klom over de reling, maar springen in de boot was te gevaarlijk. Daarom liep ik een stukje verder en sprong pardoes in het water. Dat was gevaarlijk met de krokodillen, de vreetvissen en de grote slangen in deze rivier, maar ik nam het risico. Ik kon goed zwemmen, maar met de rugzak was dat moeilijk. Het was echter maar een paar meter naar de boot en met vereende krachten trokken ze me aan boord waar ik kletsnat inviel, kletsnat?, mijn vogeljack was helemaal niet nat, het was zeer waterafstotend. Er lagen alleen waterdruppels op, als waterdruppels op een kwikoppervlak, als waterdruppels op de veren van een eend.

            Toen hoorden we nog een plons in het water en in het schemer zagen we Brigit spartelen. Die meid was me nagesprongen, die meid was niet bang en wilde met ons mee. Haar kopje ging onder maar vliegensvlug pakte Japie een roeispaan en stak die haar toe ze greep die met beide handen en we trokken haar aan boord. Ik was één en al verbazing. Die meid had moed, maar dit was toch wel een overmoedige daad. De rivierrovers zouden haar niet aan de mijnen verkopen, maar misschien als slavin aan één of andere rijke stinker. Misschien was het ook wel een verstandige daad van haar om met ons mee te gaan, maar ik wist niet of we het zouden overleven. Roeien naar de oever van de rivier, dat was wel 25 kilometer roeien in een klein bootje met zes mensen aan boord, dat was een heel eind roeien.

Het tumult aan boord van de Dragon hield nog steeds aan. De Dragon lag een beetje scheef in het water, een teken, dat er een lek in het achterdek zat, de plek waar de Dragon was geraakt door de ram van de piraten. We moesten snel maken, dat we van de boot wegkwamen en ik pakte al een roeiriem. Er waren vier roeiplaatsen en ik zei Japie, Gerrit en Bert om ook riemen te pakken en op een plaats te gaan zitten en te roeien. Ieder deed dat snel. Maar het roeien waren we niet gewend, in ieder geval niet gezamenlijk. We plonsden een beetje heen en weer en ik zei Bert van plaats te verruilen met Japie. Wij waren te onevenwichtig. Een grote en een kleine naast elkaar, neen beide kleineren voorop en de groteren achter. Dat ging beter. We slaagden erin tientallen meters van de Dragon af te varen. En keken in die richting. Op het achterdek was een vuur ontstaan en het leek me, dat niet vele mensen die aanval zouden overleven en ik dacht aan Mils, wat Mils. Tijdens de reis hadden we niet veel aan hem gehad en  ik dacht na, waarom ik met Mils was meegegaan. Het was het de verveling en de niet-gebondenheid op/aan de Aarde, het was de nieuwsgierigheid om iets nieuws te doen, het was de hekel aan de meeste Aardmensen, die schepping, die verkeerd in mekaar zit. Die mensen, die alleen maar naar macht streefden om zichzelf te presenteren. Maar op Naplet was het eigenlijk niet anders. Mils was ook zo’n karikatuur van een machtmens, de kapitein was gek op geld en sommige vrouwen presenteerden zich om seks te hebben. Maar ik had Natasha gevonden, daar zou ik mee kunnen leven, maakt niet uit wat, zelfs zou ik boer, boomgaardhouder willen worden, als het samen met haar was. Daar dacht ik over na, terwijl we van de Dragon weg roeiden, terwijl het langzaam donker werd.

Na een uurtje roeien hield ik er mee op. Mijn spieren deden zeer , ik was nog koud en naten de richting stond me ook niet aan. We moesten overleggen wat te doen en bovendien had ik honger en dorst. De anderen hielden er ook mee op en ik stelde mijn vragen. De richting scheen geen probleem te zijn. Gerrit zei, dat we met de stroom moesten mee roeien, maar dan onder een hoek van ongeveer 45 graden. We roeiden dan naar de linkeroever van de B-rivier de afstand die we moesten afleggen lag dan zo tussen de 60 en 80 kilometer, een flink eind roeien. De roeitijd zou dan ongeveer twintig tot dertig uur beslaan, iets wat gemakkelijk te doen moest zijn. Ik vroeg of er voedsel aan boord was en of het rivierwater te drinken was. Dat laatste scheen geen probleem te zijn, maar toen ik een slonk nam was het tamelijk ziltig. Ik moest maar zo weinig mogelijk drinken en eten, misschien kon ik een vis vangen, daar had ik wel ervaring mee. Die zou dan rauw opgegeten moeten worden want vuur hadden we niet en een vuurtje aan boord van deze roeiboot was bovendien veel te gevaarlijk. Mijn hengel lag wel in het bootje. Die had ik van de reling in het bootje gegooid alvorens ik in het water sprong. Ik rilde nogmaals en keek toen verbaasd naar mezelf. Ik had toch nog een rugzak, waar kleren in zaten en misschien waren die nog wel droog. Ik trok mijn vogeljack uit en daarna ook de rest van mijn kleren en dook in mijn rugzak tot mijn verbazing was alles nog droog, dus trok ik mijn ondergoed uit om daarna andere droge spullen aan te trekken. Dat was een hele opluchting, maar toen zag ik Brigit ook rillen. Zij had ook nog haar natte kleren aan en die nacht zouden die slecht opdrogen. Mijn ondergoed was wel erg groot voor haar maar een hemd zou haar wel kleden tot aan de knieën en ik had ook nog een warme pull-over. Ik zei haar, haar kleren uit te trekken, maar ze scheen nogal preuts te zijn, wat ik voor die tijd niet gemerkt had. Natasha overreedde haar echter, maar ze hield haar onderbroekje aan. Dan mijn hemd en de pull-over. Ze rilde niet meer zo en scheen me toch dankbaar te zijn.  De natte kleren legden we voor op de plecht van het bootje. Die kleren hadden we weer nodig. De zon was ondergegaan, maar de Dragon was nog steeds te zien. Het scheen er wat rustiger te zijn en er was geen vuur meer te zien alhoewel en nog wel rookpluimen opstegen. Nadat ik overboord had gepist besloten we verder te roeien en dat hield ik zo’n twee uur vol. Bert, Gerrit en Japie schenen uit taaier hout gesneden te zijn. Ik meldde Natasha van mijn moeheid en ze duwde me aan de kant om de roeiriem over te pakken, wat een meid toch. Ik ging op de achterplecht zitten en pakte de hengel. Misschien was er wat te vissen, maar had ik aas. Ik snuffelde in mijn rugzak en vond nog een kleinstukje gedroogd vlees in een papiertje, een stukje, dat waarschijnlijk tussen de kleren was terechtgekomen. Ik bevestigde dat aan de veiligheidsspeld, die goede oude veiligheidsspeld en gooide het touwtje overboord. Na een kwartiertje had ik beet, een tonijnachtige, niet te groot, maar toch wel 2 kilo. Ik haalde de vis aan boord en pakte mijn Zwitsers mes. Brigit, die de hele tijd naast me had gezeten, zelfs tegen  mij aangedrukt,  keek met grote ogen naar het mes, zoals iedereen dat tot nu toe gedaan had. Ik sneed de vis open en haalde ingewanden en graad eruit en gooide die overboord. Ik hoorde een flinke deining naast het bootje en tot mijn schrik zag ik een grote krokodil, die naast ons zwom en de graat en ingewanden verslond. Ik moest voorzichtig zijn met dingen overboord te gooien, maar wijdde me verder aan het schoonmaken van de vis. Ik gebruikte het grote mes om de visfiletjes in dunne plakken te snijden. We hadden ongeveer zeven porties van 150 gram, waarbij ik twee porties voor mezelf rekende. Ik had de vis immers gevangen. Het zag eruit als de sashimi, die ik wel in Japanse restaurants had gegeten. Ik proefde een stukje en het smaakte voortreffelijk. Ik stelde de anderen voor even te stoppen met roeien en ook een stukje van de heerlijke vis te nemen. Brigit keek me verschrikt aan maar de anderen. Wisten hoe lekker vis kon smaken en smulden ervan. Ik drong er bij Brigit op aan ook een stukje te proberen. Ze hoefde het niet te eten, want ik lustte wel voor drie, maar ze had vertrouwen in mij en beet in een stukje. Ze gaf een gilletje, niet dat ze het niet lustte, maar vanwege de heerlijke smaak. Ik had weer iemand voor de rauwe vis gevonden.

Ik moest opeens heel nodig poepen, maar hoe doe je dat aan boord van een roeibootje met bovendien krokodillen, die niet ver van je afzwemmen en graag in je billen willen bijten. Ik deed mijn broek uit en ging met mijn bips over de achterrand van het bootje. Iedereen keek me verschrikt aan maar je hebt weinig keuze als je nodig moet en bovendien ook nog aan de diarree bent. Het liep er vlot uit maar de kont werd wel smerig. Met mijn handen schepte ik steeds een hoeveelheid water uit de rivier en spoelde daarmee mijn kont, mijn handen als schoonmaakborstel gebruikend.  Het stond wel raar en ik was opgelucht toen ik mijn broek weer omhoog deed. Mijn kont was weliswaar wat nat, maar dat zou wel opdrogen. Ja de Aardmensen moeten veel te veel poepen en pissen in vergelijking met de mensen van Naplet en ik ben ook nog een bijzonder exemplaar, die wat vaker die behoefte heeft.

Het roeien was weer begonnen ik nam de plaats van Bert in, zodat die kon uitrusten. Het ging al een stuk gemakkelijker en omdat ik naast Natasha zat, kreeg ik er ook een beetje lol in, vooral om me met haar te vergelijken. Ik was dan een relatief grote vent en zij een relatief klein vrouwtje voor Aardse begrippen, maar ze was een stuk taaier dan ik. Zo roeiden we nog een tijdje door, maar na een uur of acht was iedereen wel zo’n beetje op en besloten we ons een beetje met de stroom te laten drijven en wat rust te nemen. Voor het eerst merkte ik, dat het wat begon te regenen. De eerste keer dat ik dat op Naplet meemaakte en dan op het moment, dat je in een onbeschutte boot zat. Iedereen schuilde een beetje bij iedereen in dit pikkedonker. De saamhorigheid werd er wel een stuk groter door. Ik vroeg me af of er een maan of zoiets op Naplet was, maar bij dit weer  kon je die toch niet zien. Merkwaardig, dat ik me dat juist nu afvroeg. We hadden toch al ’s nachts heel wat uren in de open lucht doorgebracht en nu die gedachte. Ik vroeg het aan Natasha en zij bevestigde, dat Naplet een maan had, maar die was zelden te zien. De priesters wisten hoe die maan om Naplet draaide en als hij al eens te zien was, werd dat gevierd met een kerkdienst en een feest, maar dat kwam dus weinig voor.

We dommelden zo nog en paar uurtjes en daarna werd het roeien weer opgepakt. Japie was nu de vrije man en hij probeerde net als ik had gedaan, een visje te vangen. Hij deed daarom een stuk van de vorige vis aan de veiligheidsspeld en gooide het aas overboord. Eerst gebeurde er weinig. Je hoorde alleen het plonsen van de roeiriemen in het water. Ineens had hij beet en het moet wel een groot exemplaar zijn geweest want de hengel werd bijna uit zijn handen gerukt. Hij hield stevig vast en hij schreeuwde, dat hij de hengel niet kon houden. Op dat moment schreeuwde ik hem toe, dat hij de hengel moest loslaten. We waren die stok dan wel kwijt, maar beter de stok dan Japie. Dat was hem echter zijn eer te na en hij vocht als een leeuw. Hij ging recht opstaan en ineens plons. Iedereen liet de riemen los en keek verschrikt wat er gebeurde. Gerrit wilde hem achterna springen, maar ik hield hem tegen en dat was maar goed ook. We zagen een schim opduiken en Japie begon in doodsnood te schreeuwen en na 10 seconden hoorden we niks meer, Japie was niet meer. Verslagen zaten we met z’n allen in de boot. In het duister hadden we niet alles gezien, maar we konden er wel iets bij denken. Waarschijnlijk had zo’n grote krokodil hem te grazen genomen. Japie, ons taaie mannetje, onze zeeman, die alles aankon, maar te trots was om een grote vis de eer te gunnen. Een uurtje treurden we allen voor ons heen, maar toen nam ik het commando en zei: roeien! En we roeiden, we roeiden of ons leven ervan af hing en dat was ook zo. Deze droeve gebeurtenis had onze gedachten opgeschud, had ons adrenaline gegeven om door te gaan om de oever te bereiken. Uren roeiden we door, zonder te eten, zonder te drinken. Af en toe een rustpauze en dan weer roeien tot we er bijna bij neervielen. We waren het type drenkelingen, dat het nog even probeerde en dan in apathie verviel en langzaam stierf.

We waren volgens mij nu vier nachtdelen op het water. Iedereen was koud, moe en wilde niet meer, maar vooral Natasha hield de spirit erin, vooral die van Brigit, die helemaal depressief werd en huilde en schreeuwde dat we dood gingen. Het roeitempo was duidelijk minder geworden, maar vooral Gerrit bleef doorgaan net alsof hij de dood van zijn vriend wilde weg roeien en vergeten. Zo zaten dit ellendige gezelschap in het kleine bootje. Iedereen verlangde naar de zonopkomst, maar die bleef maar uit, bleef maar uit.

We waren weer aan een rustpauze toe, toen heel langzaam de ochtendschemer begon en de stemming verbeterde ietwat. We keken richting de oever en tot onze verbazing doemde die in de ochtendschemer op. De rivieroever was nog geen 500 meter van ons vandaan. Hernieuwde krachten kwamen in ons op en in een machtige ruk aan de riemen vlogen we naar de kant van de rivier. De oever was redelijk vlak, maar wel sterk begroeid met struiken en de soort treurwilgen, die ik al bij de eerste beek vanuit de bergen gezien had. Het was opgehouden met regenen, het wel 20 uur geregend, en een klein schijfje van de zon stak zijn kopje over de rand van de rivier. We trokken de boot aan de kant op het droge en vielen daarna uitgeput tussen de struiken en op het gras. Na een uurtje daar gelegen te hebben stond Natasha op, kleedde zich bijna geheel uit en hing haar kleren in de wilgen om te drogen. Ik stond ook op en deed hetzelfde. Samen met Natasha liepen we verder het land op op zoek naar knollen en fruit om onze honger en dorst te lessen. We hadden ongeveer twee Aarddagen niets fatsoenlijks gegeten. Toen we echter uit zicht waren van de anderen, drukte Natasha zich tegen mij aan. Ik voelde haar koude lichaam en warmde het op door met handen en lichaam erover te wrijven en snel waren we in seksuele extase. Echt neuken deden we niet, dat hadden we nog nooit gedaan, maar met handen en mond is er ook veel op te wekken. Wij kregen beide binnen tien minuten een orgasme en kort daarna nog één. Het verdreef de spanning in onze lichamen en bracht nieuwe energie. We moesten Japie maar zo snel mogelijk vergeten. Er was toch niets meer aan te doen. We moesten deze boottocht in onze geest achterlaten. Het was een spannend avontuur geweest, dat we hadden overleefd.

Dichtbij stonden vele fruitbomen, vol van vrucht en Natasha zag ook een aantal struiken, die eetbare knollen hadden. Die waren moeilijk uit te graven en in mijn onderbroek had ik de messen niet bij me. Daar moest ik voortaan wel aan denken. We plukten enkele vruchten en verorberden die. Tjonge, wat had ik een dorst merkte ik nu. Ik had nog nooit zulke heerlijke vruchten geproefd, de gelegenheid schept de heerlijkheid. Na onze eerste honger en dorst te hebben gelest, liepen we met handenvol vruchten terug naar onze oeverplaats. De anderen treurden nog steeds, maar bij het zien van de vruchten, klaarden hun gezichten een beetje op en begonnen ook zei te eten. Ik leegde mijn rugzak en hing alle kleren in de wilgen, de rest gooide ik in de boot. Ik pakte mijn gordel met de messen, deed mijn rugzak om en liep samen met Natasha terug naar de bomen en struiken met hun eetbare lading. Met het grote mes groef ik een aantal knollen en ondertussen plukte Natasha nog een aantal verschillende vruchten. Ze plukte ook wat kruiden, die in de buurt stonden. Ze scheen behoorlijk verstand van kruiden te hebben, maar in mijn ogen wist Natasha alles. Ik verafgoodde haar, haar lichaam, haar taaiheid, haar kennis, haar eeuwige optimisme. Tezamen liepen we naar onze plek bij de boot en legden we onze voorraad in de boot. We hadden eigenlijk vuur nodig en ook vers water, verser dan uit de rivier kwam. Dat was werkelijk een beetje veel brak. Hoe kwamen we aan vers water en hoe konden we dat vervoeren. Ik gooide dat in de groep en verassend genoeg wist Gerrit wel hoe aan vers water te komen. Na zo’n regen waren er altijd plekken aan de oever, waar water bleef staan, vooral in de buurt van de wortelpartijen van de wilgen. Die hadden als het ware een kom binnen hun wortelpartijen, waar wel een emmer water bleef staan. En ja bijna elke wilg had zo’n kom. Maar hoe het water in een mok of een kom te krijgen en te vervoeren. Ik dacht eraan om onze hoeden te gebruiken, maar mijn baseball pet was niet waterdicht. Natasha had haar Willem Tell hoedje ook nog, maar dat was een klein ding.

Eerst losten we onze eerste honger en dorst met de knollen en vruchten, daarna scheen eenieder op stap om iets van een beker, kom of iets dergelijks te vinden. We verdeelden ons in twee groepen, Natasha, Brigit en ik en Bert en Gerrit als andere groep. We liepen rond en Natasha verkende de omgeving, nu en dan kruiden plukkend, die ze in mijn rugzak deed. Ik kon me geen voorstelling maken van wat we zochten, maar de temperatuur werd aangenamer en lopen met twee fantastisch mooie dames in bijna hun blootje was ook zeer aangenaam. Opeens gaf Brigit een kreet. In de nabijheid  een grote rots, die aan de voorkant geopend was, het was meer een overdekte galerij met een opening, misschien wel een grot. Op deze kale oever was dit wel iets bijzonders. We liepen in die richting en keken in die grot. Het stonk er en het was een groot rotzooitje. Een broedplaats voor de grote struisvogel merkte Natasha op, maar die grot wordt nu niet meer gebruikt. Ik liep naar binnen en kneep mijn neus dicht. Het stonk naar rotte eieren, zwavelwaterstof gas en dat was heel gevaarlijk, alhoewel zolang als je het rook was het nog niet dodelijk. Bij de broedplaats lagen een groot aantal eierschalen, eieren wel tweemaal, driemaal zo groot als van de Aardse struisvogel. Verassend lagen er nog twee eierenschalen, waar weliswaar een groot gat inzat, maar verder nog heel waren. Ik pakte die schalen en verliet snel weer de grot. Buiten haalde ik een paar maal diep adem en liet Brigit en Natasha mijn vondst zien. De eierschalen waren relatief dik met aan de zijkant een gat waar het jong was uitgekomen. Ik had als ware een ovaal in mijn handen, een schaal van 25 cm lang en 15 cm breed in het midden meer bovenin een rafelig gat. Ik pakte mijn mes en sloeg voorzichtig de scherpe rond het gat af. Dat ging niet makkelijk, de schaal was tamelijk taai en hier en daar moest ik snijden of zagen met mijn Zwitserse mes.  Er bleef een kom over van zo’n 12 tot 15 cm hoog en de vorm als al genoemd. Ik berekende snel de inhoud. Het was ongeveer het volume van een halve ovalen bol met een diameter van 20 cm, 2 decimeter.  Mijn wiskunde was nog wel paraat. Dat is dus 0,5 x éénzesde  maal pi maal de diameter(2 decimeter) tot de derde. Dat is dus ongeveer twee liter, als het ware een klein pannetje. De andere schaal was iets verder afgebrokkeld maar kon toch ook wel nog anderhalve liter vocht bevatten. Ik was zo blij als een kind met mijn vondst uit de stinkende grot. Vrolijk liepen we terug naar onze rustplaats, maar Bert en Gerrit waren nog niet terug. We vulden de schalen met fris water en zochten wat stenen bij elkaar waar ze op konden rusten. We hadden nu fris water maar het was koud. Natasha was van plan een soort thee van de kruiden te maken, maar daarvoor zou het water opgewarmd moeten worden. We hadden geen vuur. Ik had mijn aanstekers al gebruikt bij het verdrijven van de mieren, had ik dan helemaal niks meer. Verwoed zocht ik in alle vakjes van de rugzak en zowaar in één van de voorzakjes bleek nog een aansteker te zitten, gebruikt weliswaar, maar nog niet helemaal leeg. In mijn onderbewust had ik die waarschijnlijk teruggestopt. Het was een plastic aansteker en na enig proberen kwam er een vlammetje. We verzamelden wat kleine, dorre takjes en probeerden een vuurtje te maken. Dat lukte wonderwel en na een kwartiertje hadden een vuurtje groot genoeg om een met water gevulde eierschaal op te zetten. Ik wist niet of die eierschaal hoge temperaturen kon verdragen en zette daarom de schaal om nog een rij stenen, zodat die verder van het vuur kwam. De schaal leek wonderwel tegen warmte te kunnen, waarschijnlijk ook omdat die met water was gevuld. Natasha stroopte wat kruiden en strooide die in het langzaam warm wordende water, af en toe roerend met een takje. Ondertussen waren Bert en Gerrit ook terug. Ze waren teleurgesteld, dat ze niks hadden gevonden, maar hun gezicht klaarde op toen ze onze eierschalen en het vuurtje zagen.

Na een half uurtje was de eerste kruidenthee getrokken en lekker warm. Natasha pakte de schaal van het vuur en dronk een slok. Toen gaf ze schaal aan Gerrit en die dronk ook een slok en zo verder totdat iedereen gedronken had en de schaal leeg was. Ik kreeg een lekker warm gevoel van binnen en zag aan de andere gezichten, dat er eenzelfde soort effect optrad. Ondertussen zette maakte Natasha al een 2de schaal kruidenthee, waar ze een andere combinatie van kruiden indeed. Ik vroeg Natasha, waar ze de kennis over die kruiden opgedaan had. Dat was bij de priesters zei ze. Toen ze als hoer optrad voor de priesters was ze wel eens beroerd en dat gold ook voor de andere meisjes in dezelfde rol. Er was toen een oude non, die haar onderwezen had omtrent die kruiden. Die non had een eigen tuintjes met meer dan honderd verschillende kruiden, waarvan ze dit soort thee maakte. Zij had het weer geleerd van nonnen in het klooster enzovoort. De priesters, bisschoppen en andere hooggeplaatste kerkmensen moedigden dit gebruik van de kruiden ook aan. Dat maakte de meisjes gezonder en dan waren ze beter tegen hun taak opgewassen. Het was een naar verhaal met een positief punt omtrent de kruiden.

De zon klom wat hoger aan de horizon en de kleren aan/op de wilgen begonnen behoorlijk op te drogen. Ik had een schone onderbroek, broek,hemd en overhemd aangetrokken en deed ook mijn vogeljack aan. Dat was naast de zak diamanten mijn kostbaarste bezitting van Naplet en natuurlijk mijn messen, die ik van de Aarde had meegenomen. Ik dacht even aan Mils. Hoe zou het die vergaan zijn tijdens de aanval van de rivierrovers. Zou iedereen dood zijn, zouden er mensen gevangen genomen zijn, ik kon het niet weten. Mijn opdracht was nu voorbij, de terugkeer naar de Aarde was nu onmogelijk geworden. Ik moest iets anders verzinnen. Ik zag wel iets in een landleven met Natasha. We moesten een ander doel hebben voor deze reis en daar moest over gepraat worden. Ik zag Gerrit somber voor zich uit staren. Hij was het verlies van zijn vriend nog lang niet vergeten. Brigit zat geanimeerd met Natasha te praten. Ik had het gevoel, dat ze nu zeer goed in haar velletje zat. De reis met het roeibootje was onaangenaam maar interessant en avontuurlijk geweest en zij hield volgens mij wel van avonturen. Aan die meid konden we nog veel plezier beleven. Zei was ondernemend, creatief en kon wel tegen een stootje. Bert keek ook heimelijk haar kant uit. Hij vond haar, denk je, een mooi meisje, weliswaar van de normale soort, maar toch één om van te houden, om mee te slapen. Ik wist niet hoe dat tussen de twee rassen ging, maar ik had in de steden toch enkele koppels gezien van een combinatie van beiden. Rassendiscriminatie scheen op Naplet niet echt te bestaan. De twee soorten mensen hadden elkaar nodig. Dat was op de Aarde ook zo. Ik had in Zuid Afrika ook zulke combinaties gezien, maar dan heerste het witte ras over de gekleurden, terwijl de gekleurden al het harde werk deden, in de mijnen, langs de wegen , in de fabrieken. Dat moest eigenlijk beter beloond worden dan het werk wat de witten deden. Die deden eigenlijk niks productiefs, behalve misschien de boeren.

Hoe lang zouden we op deze plek moeten verblijven? Ik dacht bij mezelf dat we na de volgende nacht moesten vertrekken en een doel moesten hebben. De plannen over het doel konden we wel tijdens de nachtwakes maken. Nu moesten we genieten van onze rust en omgeving en moesten we uitrusten van de reis met de roeiboot. Ik voelde al weer de honger in mij opkomen. Ik had hier veel meer zin in eten dan op de Aarde, misschien door de inspanningen maar misschien door het hoge zuurstofgehalte in de lucht. Ik voelde me hier veel fitter dan op de Aarde. Maar alleen knollen en vruchten waren te weinig. Ik verlangde weer naar een stevig stuk vis als op het schip tijdens de eerste vaart van Bethesda naar Kalmeria, mm, lekker! We waren de hengel kwijtgeraakt dus hoe nu weer vis te vangen. Ik kon van een tak van een treurwilg wel een stok maken en ik had ook nog een klein stukje touw, weliswaar wat rafelig, maar het kon gebruikt worden. Ik had alleen geen haakje en ook geen aas. Ik gooide mijn verlangen in de groep, maar Gerrit wou er niets van weten. De anderen stemden met mij in om vissen te vangen. Brigit was zelfs zeer enthousiast naar haar eerste stukje sashimi aan boord van de roeiboot. Een haakje, Bert wist misschien wel iets en ik ging samen met hem op pad. Tijdens hun zoektocht naar een schaal waren Gerrit en Bert een bosje gepasseerd met struiken, die stekels bevatten als een weerhaak. We gingen kijken en inderdaad grote stekels. Daar moest je er niet één in je been krijgen. Met mijn grote mes sneed ik een paar stekels af. Ze waren niet alleen hard maar ook taai. Met mijn Zwitsers mes sneed ik een stekel een beetje in een vorm van een haak. Het was een haak van wel drie centimeter kromming en een lengte van een zeven, acht centimeter. Het steeltje was redelijk plat en had een breedte van één centimeter. Met de priem van mijn Zwitsers mes kon ik daar een gaatje in boren, waar een touwtje door kon. Ik was heel tevreden over het haakje en was Mils eeuwig dankbaar, dat hij had gesuggereerd om twee van die messen mee te nemen. Dus haakjes waren geen probleem maar nu het aas. In de vogelgrot van de schalen, had ik veel rottende massa gezien. Misschien was daar iets bruikaars bij en Bert en ik liepen die richting op. Bij de grot was er een probleem, de grote loopvogel was terug. Het was een reuzenvogel, wel zo groot als een giraf alleen de nek wat was korter. De vogel lag daar voor de grot een beetje te dutten, er zat niet veel beweging in. In een hoekje lag een gedeelte van een karkas. Daaraan had hij/zij waarschijnlijk gevreten en na verzadigd te zijn, was de vogel in slaap gevallen. We konden niet precies zien wat het karkas was geweest, maar er lagen wat kleinere stukken bij, die misschien als aas voor de vissen kon dienen. Ik had geen zin om te wachten tot de vogel weer wakker werd en zou vertrekken. Met getrokken mes en op mijn tenen sloop ik richting grot, pikte snel een stuk van het karkas en liep rustig tot achter de bosjes, waar Bert een beetje stond te huiveren. Ik had dit gedaan zonder erover na te denken. In mijn onderbewuste was ik niet bang voor vogels, ook niet voor grote vogels. Als daar een leeuw had gelegen, misschien veel kleiner, had ik dat nooit gedurfd. En er was ook niets gebeurd. Bert onderzocht het stuk karkas en zei, dat het van een grote hagedis was, zo’n hagedis, die je op de Aarde ook wel in natuur filmen ziet. Ik had er zelf nooit één in levende lijve gezien. Bert wees ongeveer de grootte aan van zulk een hagedis en ik kwam tot de conclusie, dat die wel twee meter van kop tot staart was. Er zaten nog stukken vlees aan en ik sneed die eraf. Bert liep iets verder, pakte een groot blad van een boom, een soort bananenblad en we rolden de stukken hagedis in dat blad. Het was nog niet aan het rotten, dus het was nog vers. Ik wist niet of vissen van hagedissen hielden, maar het was te proberen. Op onze weg terug naar ons kamp, dacht ik nog eens aan grote hagedissen. Zouden er hier op Naplet ook dinosaurussen zijn? Op de Aarde waren die uitgestorven, maar hier zou het best kunnen.

De communicatie met Bert was sterk verbeterd. Hij had ook een beetje gedachtespreken geleerd en ik kon enkele woorden van zijn gesproken taal verstaan. Bert was een toffe kerel ondanks zijn kleine lengte van 1 meter 30. Hij was oprecht,taai en had doorzetting, een belangrijke pion in ons gezelschap. Terug bij onze kampplaats zag ik dat de meisjes een soort tent aan het maken waren. Tussen twee treurwilgen hadden ze dunne takken van de wilg geknoopt en daar bovenop hadden ze bananenbladeren gespreid. Dat tentdak was wel 15 vierkante meter en als het ging regenen, zaten we in ieder geval droog. Ik liet aan de meisjes en Gerrit mijn haakje en het aas zien en ging aan de gang om een hengel te maken. Ik gaf Bert het grote mes en vroeg hem een geschikte tak van een wilg af te snijden. Hij vond het een hele eer om mesdrager te zijn en liep opgewonden op een paar grote wilgen af. Ik vond dat Bert het verdiend had om zo’n taak uit te voeren. Hij was bij de berggorilla mensen niet belangrijk geweest, maar nu was hij wel belangrijk. Binnen vijf minuten kwam Bert terug met en tak van wel vier meter en hij zwaaide met het mes. Met dit wonderding was er geen moer aan om zo’n tak af te snijden meldde hij mij trots. De punt van de tak was iets te slap en ik sneed die af. Ik bevestigde het touw en het haakje aan het touw en deed er een flinke homp hagedis aan en gooide het aas in het water en dan maar wachten.

Na een uurtje had ik het gevoel dat vissen niet van hagedis hielden, maar toen voelde ik een ruk. De top van de hengel boog flink door en ik liep achteruit en sleepte als het ware de vis de oever op. Het was een flinke joekel, misschien wel 5 kilo maar leek niet op de tonijnen midden op de rivier. Het had meer de vorm van een snoek, slank met een grote bek vol tanden. Het was volgens mij een aasvis, die op jacht was naar kleine reptielen en insecten bij de oevers van de rivier. Ik onthaakte de vis en vroeg Bert om verder te vissen. Ik wist niet hoeveel filetjes aan zo’n vis zaten. Ik sneed de vis open en er zaten veel en grote graten in maar er waren ook wel vleesachtige delen in die vis. Ik wist niet of die lekker smaakte, of hij wel gezond was voor mensen maar ik verlangde zeer naar een vismaaltje. Ik zocht was takken, puntte ze en stak moten van de vis aan die takken. Het vuurtje smeulde nog lekker en ik legde de vis aan de stokken op een paar stenen, die ik naast het vuur opgestapeld had. De temperatuur van het vuur was niet al te hoog en het zou nog wel even duren voor de vis gaar was.

Ineens hoorde ik een schreeuw. Bert had beet. Hij worstelde met de hengel en ik liep vlug naar hem toe en hielp hem de vis op het droge te brengen. Het was een groot soort brasem, één van wel twee kilo. Dat was de eerste vis die Bert ooit had gevangen en hij was er trots op. Hij aaide de vis zachtjes en mompelde iets wat ik niet kon verstaan, maar waarschijnlijk was het iets van lief visje of zo. Bert was opeens een fervent visser geworden en ik liet hem dat maar blijven. De vissen moesten ook schoongemaakt en gegrild worden.

Bert was een betere visser dan ik. Binnen twee uur had hij nog vijf uit de kluiten gewassen vissen gevangen, alle van een ander soort. Er zat ook nog een klein soort tonijn bij. De eerste vis was ondertussen gaar en ik probeerde een stukje. Het smaakte wel, maar was lang niet zo lekker, dan die tonijn van op het schip. Misschien was dat ook wel vanwege de omstandigheden. Ik bood de anderen ook stukken vis aan en Natasha en Gerrit aten er karig van maar Bert, Brigit en ikzelf aten de snoek schoon op. We barbecueden ook de andere vissen, gevangen door Bert en ondertussen zaten we gezellig in de zon. De vermoeidheid na alle inspanningen van de afgelopen nacht en het landleven aan de oever van de rivier daarna begon de overhand te krijgen. Ik liep naar de tent en ging onder de bladeren liggen en was binnen vijf minuten vertrokken in een droomloze slaap.

Ik schrok wakker doordat er een plens water in mijn gezicht gegooid werd. Ik deed verschrikt de ogen open en zag het lachende gezicht van Natasha. Slaapkop, riep ze tegen mij. Ik keek om het randje van de bladeren naar de zon en verrek, die was al een heel eind naar het Westen gedraaid. Volgens mijn schatting was deze dag al 35 misschien wel 40 uren oud. Je hebt minstens 15 Aarduren geslapen klonk het in mijn hoofd. Ik was het gedachtepraten al heel goed gewend, maar nu viel het mij ineens weer op. Ik was moe voegde ik haar toe, heel moe van al dat roeien, dat zoeken naar een schaal, het vissen en al die zaken. De anderen zaten in de zon te luieren en Bert was bezig met zijn nieuwe hobby, het vissen. Er lag al een stevige stapel op de oever. Dat was natuurlijk ook niet de bedoeling. Ik zou hem moeten leren de vissen schoon te maken en de barbecuen, andere werd het een rottende bende. Maar eerst moest ik mijn behoefden doen, ik moest heel nodig pissen, me wassen en de was doen, mijn vieze kleren uittrekken en schone aan. Na de behoefden gedaan te hebben, trok ik me geheel naakt uit. Brigit keek met grote ogen, maar ik had daar geen boodschap aan. Ik schepte water uit de rivier met de vogelschaal en gooide dat over mij heen. Natasha kwam aangelopen met een stuk vettig mos, wat ze de vorige dagwake gevonden tijdens het verzamelen van de kruiden. Het voelde aan  alsof ik een spons en een zeem tegelijkertijd over mijn huid haalde en bovendien schuimde het een beetje, een soort zeepachtige schuim. Dat was precies iets waarmee ik mij kon wassen, een schoon gevoel kreeg. Opgefrist liep ik naar de treurwilg waar mijn kleren lagen te drogen. Alles was droog. Het had naar de bui in de late nacht en de vroege morgen niet meer geregend. Schoon en verfrist liep ik naar het stapeltje kleren wat ik daarstraks had uitgetrokken en spoelde die in de rivier uit. Daarna schrobde ik die met het stuk mos en spoelde ze opnieuw uit en hing die natte  kleren in de wilg. Ik had als gewoonlijk weer honger en keek of het vuur nog brandde. Warempel stuk er nog iets gloeiing in en met wat dunne takjes kreeg ik het vuurtje weer aan de praat. Ik liep naar Bert en zei hem te stoppen met vissen. We hadden er genoeg en die vissen moesten worden schoongemaakt voor ze begonnen te rotten. Ik pakte mijn grote klapmes en sneed de buik van één van de vissen open en haalde er de ingewanden en de graat uit. Bert keek ingespannen toe met zijn tong tussen de lippen. In tegenstelling tot de standaard mensen hadden de Gorilla mensen wel een stevige tong.. Ik nam mijn Zwitsers mes en schraapte de huid van de vis om te grote schubben te verwijderen. Daarna sneed ik de vis in stevige moten. Toen gaf ik een vis aan Bert samen met de messen en zei hem ook een vis te slachten en schoon te maken. Hij huiverde een beetje maar pakte het grote klapmes aan en sneed voorzichtig de buik van een vis open. Hij was één al verbazing, dat dat zo gemakkelijk ging. Ook de rest van de handelingen bij het schoonmaken van de vis ging hem gemakkelijk af. Hij was een verbazend goede leerling. Een gedachte vonkte in mijn hoofd. Nu we van Mils en de opdracht af waren moest er iets gebeuren met mij en misschien ook met de anderen vooral met Natasha en Bert. Er moest een doel komen in dit nieuwe leven en ik zag een relatie met Natasha wel zitten, maar dan moesten we ook iets doen, iets rustigs en ik dacht aan een boerderij, misschien teveel werk, of een beroep als visser. Met mijn messen was ik de andere vissers een heel eindje voor, vooral bij het schoonmaken van de vissen. Ja, een klein dorpje aan een meertje met een vissersboot, visgereedschap en een huisje voor ons. Het dorp moest wel een café en een restaurant hebben. Misschien moesten we onze vissen wel in zo’n restaurant klaarmaken en verkopen aan eetgrage personen. Ja een vissersboot, een huis en een klein visrestaurant. Ik dacht aan het dorp waar Natasha geboren was, om daar zoiets te beginnen, een landleven, wel rustig, maar ook iets te doen. De rol van Brigit en Gerrit wist ik zo niet. Toch wel, Gerrit kon samen met Bert gaan vissen en Brigit zou in het restaurant geen gek figuur slaan. Ik zou deze gedachte na het eten in de groep gooien. Dat flitste door mijn kop, toen Bert de vissen schoonmaakte. De dames hadden wat water op het vuur gezet en waren vruchten gaan plukken en misschien ook wortels gaan zoeken. Ik reeg ondertussen wat moten aan de halfverkoolde wilgentakken, die we de vorige keer ook gebruikt hadden en legde een paar stukken naast de schaal op het vuur. Na een half uurtje kwamen de dames weer terug. Het water was ondertussen behoorlijk warm geworden en Natasha pakte een paar van haar verzamelde kruiden en gooide die in het water. Ze had ook een paar takjes bij zich die ze onder de huid van de moten vis prikte. Het was waarschijnlijk een soort dille of een ander kruid om de vis meer op smaak te maken. Samen met het fruit, de schoongemaakte wortels en de kruidenthee hadden we weer een voortreffelijk ontbijt en vis smaakte bijzonder lekker, zelfs Gerrit smulde ervan. Gerrit was altijd een levendige man geweest, maar na de dood van Japie was hij wel erg stil en deed niet veel. Hij moest een afleiding krijgen, hij moest weer een doel in zijn leven krijgen, hij moest iets belangrijks gaan doen.

Nadat bijna al het eten naar binnen gewerkt was, begon ik te praten over mijn gedachten omtrent de doel van deze reis en ik vertelde mijn verhaal zoals dat een uurtje geleden in mijn kop vastgelegd was. Ik vertelde omtrent mijn verlangen om een vissersbedrijf te beginnen met daaraan gekoppeld een visrestaurant. Ik vertelde over mijn verlangen om dat te doen in Natasha’s land aan het meer waar Natasha gewoond had, in de plaats Tan. Ik vertelde dat ik hierover een visioen had gehad, een beetje overdreven en dat dat waarschijnlijk mijn bestemming zou zijn. Iedereen behalve Gerrit begon door elkaar te praten. Uit hun gepraat maakte ik op, dat iedereen enthousiast was over zo’n plan en dat ze met mij mee wilden doen omdat dat te realiseren. Ik schreeuwde even hardop, dus niet via gedachtepraten en iedereen was ineens stil. Ze hadden me niet verstaan, maar wel in de gaten, dat ik weer het woord wilde nemen. Ik vroeg aan Gerrit wat hij ervan vond. Gerrit vond het wel een goed plan alleen zag hij het niet zitten eraan mee te doen. Hij was een matroos., die wilde varen, die wilde vergeten, wat zijn maatje Japie was overkomen. Ik kon me wel indenken waarom Gerrit er zo over dacht, maar ik vroeg hem op de man af of hij ons mee wilde helpen om in Tan te komen, om ons te begeleiden op die tocht door de bergen. Ik had zo ongeveer uitgerekend, dat we nog wel 2500 kilometer moesten trekken, over 2 bergruggen over een zijrivier in het land ten Zuiden van Natasha’s land. Hoe we die tocht zouden maken, wist ik nog niet, maar de eerste 600-700 kilometer zouden te voet zijn door een onbekende bergketen en door een jungle, die Naplet op veel plaatsen nog had. Gerrit beloofde plechtig, dat hij zich ten volle voor ons zou inzetten, wat er ook gebeurde. We waren tenslotte vrienden geworden en hij had veel vertrouwen in mij, voegde hij eraan toe.

Toen iedereen weer rustig was geworden begon ik opnieuw met mijn plan. We moesten naar Tan in Natasha’s land. We hoefden geen enkele grote rivier over te steken, wat een groot voordeel was. We moesten 2000 kilometer naar het Noorden en 1000 kilometer naar het Westen, we moesten heel Belgrijk doorsteken, het land ten Zuiden van Natasha’s land. Belgrijk was niet een erg beschaafd land. Het was bekend, dat er vele bendes struikrovers waren, misschien geen struikrovers, maar wel mensen, die niks meer met de kerk te maken wilden hebben. Dat vertelde Gerrit en hij had dat gehoord van zijn medemaatjes aan boord van de Dragon. Het was ook het land van de grote vogels, zowel loop- als vliegvogels en ook het land van de grote hagedissen, zo groot als de kleine dinosaurussen, die eens op de Aarde gevlogen en gelopen hadden. Ik grinnikte een beetje. Het leek een land, waar ik mij wel zou thuis voelen, maar ik hield die gedachten voor me. De hoofdstad van Belgrijk was Nobassil, een stad waar Gerrit verschillende malen was geweest. Die stad was nog wel betrouwbaar voor kerk en mensen en daar was ook een groot leger kerksoldaten gevestigd. We zouden van hier naar Nobassil moeten treken en van daaruit of een schip moeten nemen of verder door de bergen tussen Belgrijk en Natasha’s land moesten trekken. Die beslissing konden we later wel nemen, maar eerst naar Nobassil, dat was al ver genoeg.

We besloten bij het aanbreken van de volgende dag te vertrekken. Dan hadden we nog een klein stukje dag en de hele nacht voor ons. Wat hadden we nodig voor de tocht. In ieder geval voedsel en wat te drinken, maar we hadden geen veldflessen of iets dergelijks om water mee te nemen, maar daar scheen niemand zich om te bekommeren. We vinden wel water onderweg of anders eten we zo veel mogelijk vruchten, die onze dorst lessen. De Naplettaners hadden dat relaxte, maar ze hadden ook veel minder water nodig dan ik met mijn snelle stoelgang en het vele vochtverlies. Maar ik moest me erbij neerleggen. Wel zouden we gebraden moten vis meenemen. Die konden we misschien wel een dag en nacht goed houden en die waren koud ook heel goed te eten. Bert pakte alweer zijn hengel, maar ik zei hem, dat hij pas in de 2de helft van de nacht moest beginnen en dat we dan die vissen zouden barbecuen. Met kleding zat het anders. Zowel Bert, Gerrit als Brigit hadden geen reserve kleding bij zich. Natasha en ik pakten onze rugzakken uit en ik kwam aan 3 reservestel ondergoed, twee broeken en een paar hemden, een trui en mijn vogeljack voor alle klimaten. Ik kon mijn goed wel met Gerrit en Bert delen, maar vooral voor Bert waren die kledingstukken belachelijk groot. Ik keek alle vakjes na van mijn rugzak en tot mijn verassing vond ik nog een aansteker, die werkte en nog een veiligheidsspeld. Daarmee kon je geen kleren verstellen, maar ik was wel blij met de aansteker. Gerrit kreeg één stel ondergoed van mij en een broek, een hemd en de trui. Mijn vogeljack was voldoende voor de trektocht. Brigit deelde de kleding met Natasha. Alhoewel Brigit wat kleiner, pasten de kleren van Natasha haar redelijk. We besloten onze draagkleren nu te wassen, nu er nog zon was om ze te drogen en iedereen trok zijn kleren uit en wasten die met rivierwater,. Natasha had wat meer zeepmos gezocht en gevonden en dat was zeer geschikt om ook de kleren te wassen. Ze roken weer fris en al het natte spul werd op de treurwilgen gelegd ter droging. Het was me een vreemd stelletje, maar het gaf ook een grote saamhorigheid, al die naakte, halfnaakte mannen en vrouwen.

Natasha en ik gingen er nog op uit om kruiden en andere planten te vinden, die onderweg van nut zouden kunnen zijn. Op onze tochtje in de omgeving bedreven we nog eens de liefde zoals we dat al een aantal keren hadden gedaan en ik hield steeds meer van haar. Na onze liefde opperde ze, dat ze ook Gerrit maar moest troosten vannacht. Hij moest opgepept worden en een vrouw zoals zij kon dat het beste doen. Ik vond het eerst een vreemd voorstel, maar kon er wel inkomen. Natasha was niet monogaam. Ze kon meerdere mannen met evenveel liefde bevredigen. Ik kon haar niet claimen. Als ik maar af en toe met haar kon praten en de liefde bedrijven, dat was het goed en met die gedachte zochten we verder en vonden vele kruiden en zeepmos en ook een paar vreemde planten, die Natasha aanduidde als geneeskrachtig voor bepaalde beten en kwaaltjes. Ik voelde me gelukkig ook al was Natasha niet alleen voor mij en kon ik haar niet bezitten. Wat bezitten, dat was een typisch Aards begrip. Dat begrip moest ik overboord gooien.

Terug bij onze plek zagen we, dat de hut verder volmaakt was. Hij was wat meer waterdicht gemaakt met grote bladeren en mos en er waren ook een paar zijkanten in geplaatst. Gerrit vertelde me, dat het bijna altijd regende aan het eind van de nacht en dat we niet nat moesten aan het begin van onze voettocht de volgend morgen. De zon stond vlak tegen het rivierwater, deze ondergaande zon van een vreemde planeet, die ik begon lief te hebben.

 

12.    De voettocht naar Nobassil, de vogels en de hagedissen

 

            Die nacht sliepen we veel met af en toe een nachtwake. Natasha hield zich veel met Gerrit bezig, maar in het donker zag ik daar niet veel van. Brigit kroop tegen mijn aan in haar halfnaakte staat en dat jeugdige lichaam voelde prettig. Ik had echter geen behoefde om enige seks met haar uit te oefenen. Als Aardling stootte seks met minderjarigen toch een beetje af. We waren opgevoed om dat verkeerd te vinden, pedofielen waren het uitschot van de maatschappij. Bert lag aan de andere kant ook dicht tegen haar aan. Het was relatief koud, maar zo in een groepje liggen gaf zeer veel warmte. Naarmate de nacht vorderde werd het alsmaar kouder en ik gooide het vogeljack zo’n beetje over ons drieën heen. Dat hielp zeer en ik was nog steeds verbaasd over de kwaliteiten van dat jack. Een vijf uur voor de zon zou opkomen gaf ik Bert een stoot en vroeg hem te beginnen met vissen. Het was nog pikkedonker en het weer stond naar regen. Ondanks die duisternis en de kans op regen zocht Bert zijn visspullen bij elkaar en met het aas dat we nog bewaard hadden , begon hij te vissen alhoewel hij niks van beet of zo zag. Ik probeerde het vuurtje op te stoken met de houtjes die ik de vorige dag verzameld had en in de tent had gelegd vanwege de late nacht regen. Ondanks de licht drizzel wakkerde het vuurtje toch snel op en hadden daarvan wat licht en beelden, die Bert en mij als spoken weergaven. Spoedig ving Bert de eerste vis, een kleine tonijnachtige, één van de lekkerste vissen, die ik op Naplet had gegeten. Ik fileerde de vis en reeg de filets aan enkele stokken en legde die over een paar stenen op het vuur. Bert ving verschillende vissen, waarvan de meeste voor ons een goede smaak hadden en al die vissen werden gefileerd en gebarbecued op het houtvuur. Natasha had wat kruiden klaargelegd en ik probeerde enkele soorten van de kruiden door ze tijdens of na het barbecuen op de huid van de vis te smeren of als de kruiden in de vorm van stokjes waren, die in de filets te steken. Na een paar uur hadden we al heel wat gebakken filets en Bert, die ondertussen met vissen gestopt was, pakte die filets in de grote bladeren, een soort bananenbladeren en bond die vast met de dunste twijgjes van de treurwilg. Na 4 uur hadden we een grote vis maaltijd bij elkaar voor de eerste dag en misschien nacht van de tocht naar Nobassil. Het was misschien wel 10 kilo aan filets. Die werd verder verpakt in een aantal grote bladeren en een stevige boomtak, dienend als stok werd  onder de knoop van de samengebonden bladeren geschoven. Zo kon iemand, die grote vismaaltijd vervoeren en Bert wilde dat graag doen. De laatste uren van de nacht dommelden we nog een beetje om uit te rusten voor de voettocht van morgen.

            Bij het krieken van de dag werd iedereen ineens wakker. Het tikte nog een beetje van de regen, die de laatste acht uur zachtjes op de bladeren van onze primitieve hut kletterde, maar de regen werd minder sterk. Ik kleedde mij uit en pakte de halve eierschaal, die dienst deed als waterkom. Ik schepte water uit de rivier en goot die over mij heen. Daarna pakte ik wat zeepmos en wreef over mij hele lichaam, waardoor een lichtschuimende film op de huid verscheen. Daarna nog een keer spoelen en ik stond er weer fris bij. De anderen volgden mijn voorbeeld, ook de dames waardoor enige hilariteit ontstond en ik was blij, dat iedereen ik een goede stemming was. Ik voelde wel een zekere spanning, ook een nieuwsgierigheid over wat deze dag zou brengen, de voettocht richting Nobassil. Iedereen had honger en de beide dames gingen vruchten en knollen zoeken, terwijl ik een schaal fris water op het langzaam uitdovende vuur zette om er kruidenthee van te zetten. Er was nog net genoeg kruid om één schaal thee van te zetten. Misschien vond Natasha wel meer van die kruiden of misschien kwamen we tijdens de voettocht wat verschillende soorten kruiden tegen.

            De dames bleven nogal een tijdje weg en ik kreeg steeds meer honger. We hadden nog een paar niet ingepakte visfilets en begon daarvan te eten. Ook Bert en Gerrit namen een stuk en een slok van de kruidenthee. Eindelijk kwamen de dames terug, bepakt en bezakt met knollen vruchten en zowaar een bananenblad vol kruiden. We waren een beetje beschaamd, dat we al met eten begonnen waren, maar Natasha zei, dat ze het niet erg vond. Ze kende mijn vreetlust en was al gewend, dat wij Aardmensen wat vaker en meer moesten eten. De dames legden de vruchten en de knollen bij het vuur en ik begon de knollen te schillen. De Naplettaners vonden dat vreemd. Die aten de knollen in zijn geheel op, maar ik was een West Europeaan, die niet van schillen hield en bovendien een mes bezat om de knollen te schillen. Ik reikte iedereen een geschilde knol aan en samen met de vis, de kruidenthee en de lekkere vruchten hadden we een uitgebreid ontbijt. Na het ontbijt was iedereen klaar om aan de voettocht te beginnen. Natasha en ik hadden onze rugzakken, Bert droeg de vis en ook de vishengel en Gerrit had een bundeltje kruiden op zijn rug. Bovendien had ik hem het grote klapmes gegeven eventueel geschikt om een beetje mee te kappen en vijanden op een afstand te houden. Hij was de leider en de voorste van de groep, terwijl ik de achterhoede vormde. We hadden besloten om eerst maar de B-rivier langs de oever te volgen. Er was niet een echt pad en we vorderden maar langzaam in de toenemende warmte van de dag. Vijftienhonderd kilometer lopen was niet niks en Gerit en Brigit waren dat lopen nog niet echt gewend, zodat we elke 3-4 uur wel een pauze van een uur inlasten. In de eerste 10 uur legden we nauwelijks 30 kilometer af en vooral Brigit begon te klagen over haar voeten, die zo zeer deden. We besloten maar om een langere pauze in te lassen en een beetje te slapen en uit te rusten. Het zou nog een zeer lange tocht worden. Het landschap was niet veel veranderd. De bergen in de verte waren niet veel dichterbij gekomen.

            Zo regen we de dag aaneen tot het duister werd. We namen een uitgebreide avondmaaltijd en legden ons te ruste, waarbij we een aantal bananenbladeren over ons heen trokken. Langs de oever stonden veel van die bananenachtige bomen samen met veel treurwilgen. Die dag was saai geweest en vermoeiend vooral voor Brigit. Zij bepaalde ons tempo en we hadden die dag nauwelijks meer dan 100 kilometer gelopen, niet veel voor een dag van vijftig uur. We besloten ook ’s nachts een beetje te lopen. Om vijftig uur te slapen was een beetje veel. We rusten die nacht ook veel en Natasha verzorgde Brigit haar voeten zo goed als dat mogelijk was, prikte blaren door, werkte haar schoenen wat bij en legde er een zacht kussen van bladeren en kruiden in. Dat hielp wel een beetje, maar door de nacht heen liepen we niet meer dan vijftig kilometer.

            Bert sloeg weer aan het vissen tijdens de grote rustpauzes en ik legde dan een vuurtje aan om ze te bakken. Vis was wel het hoofdbestanddeel van ons voedsel tijdens de tocht langs de grote B-rivier. De volgende dag, de zon was nog geen uur boven de horizon, konden we niet verder langs de rivier. Er stroomde een rivier, een grote beek, van wel tien meter breed in de grote rivier en niemand had veel zin om door die beek te waadden, waarschijnlijk te zwemmen, ook al vanwege krokodillen en andere beesten in de grote rivier. Na ampele overweging besloten we de beek te volgen. De begroeiing langs die beek wat was lichter en de voettocht kon iets sneller ook al omdat Brigit zich wat beter voelde. Haar voeten deden niet meer zo zeer en de moeheid was ook een stuk minder. Na de ellende van de eerste dag en nacht lopen fleurde de stemming van ons gezelschap wat op. Ook Gerrit was in en wat betere stemming. Hij had tijdens het eerste gedeelte van de tocht Brigit geholpen bij het lopen en haar met woorden aangemoedigd om verder te lopen. Ze luisterde naar hem ook al omdat hij haar wat spannende verhalen van zijn bestaan als rivierrover en zeeman had verteld. Af en toe blikte Brigit naar Natasha. Waarschijnlijk had Gerrit haar geroemd in zijn verhalen als rivierrover en wat heldinnendaden verteld. Natasha glimlachte een beetje terug. Ze wilde niet opgehemeld worden en zeker niet ten aanzien van Brigit.

            De tocht verliep voorspoedig en we begonnen al een beetje te stijgen in de richting van de bergen, die dit land van Belgrijk scheidden. Het ritme van onze tocht bleef eigenlijk hetzelfde, lopen, rusten, lopen, rusten, eten en Bert aan het vissen. In deze rivier zaten veel kleinere vissen, tot maximaal een kilogram, vissen, die me aan brasem deden denken. Ze waren wel eetbaar maar met veel graten en moeilijk te fileren. Daarom gebruikte we eerst onze voorgebakte vissen uit de grote B-rivier alvorens we aan deze vissen begonnen en dan ook nog met mondjesmaat. De vele vruchten en knollen, die onderweg gevonden werden, waren nu onze hoofdmaaltijd en samen met verschillende soorten kruidenthee ging dat ook best goed.

            Er waren nog een paar obstakels zoals een mierenkolonie. Met de ervaring van de vorige en een paar vuurfakkels kwamen we daar bijna ongeschonden door. Het was maar een kleine kolonie van misschien 500 meter diameter. Voor Brigit was het wel even schrikken, maar na die ervaring lachte ze erover en zei dat het maar peanuts was geweest, misschien?, maar ze was een flinke meid, die snel leerde.

            Na nog een dag en een nacht lopen en 250 kilometer verder, waren al echt in de bergen aangekomen. Hier was het wat koeler en ik trok mijn vogeljack weer aan. De dag vorderde langzaam, zoals elke dag, maar opeens schreeuwde Gerrit en wees naar boven. Daar vlogen een paar vogels in cirkels, niet al te hoog. We liepen verder, maar de vogels daalden in hun vlucht en kwamen angstwekkend dicht bij. Die vogels waren wel tweemaal zo groot als struisvogels, misschien nog wel groter en hadden vervaarlijk grote snavels. Dat zijn ramboovogels schreeuwde Gerrit mij in mijn gedachten toe. Die heb ik wel eens in een kooi gezien maar nog nooit in het wild. Ze zagen er behoorlijk agressief uit en met elke stap, die we deden werden ze agressiever. Misschien zaten er verderop wel jonge vogels, dacht ik bij mijzelf en wilden ze niet, dat wij die naderden. Eén van die vogels landde vlak voor ons en kwetterde alsof die wou zeggen: Tot hier en niet verder! Wat te doen, een grote boog maken? Het leek me niet mogelijk om de vogels te passeren. Waren die vogels te paaien? Bert had nog wat van de rauwe brasem en ik pakte zo’n vis en liep langzaam richting de vogel, die als een giraffe met wat kortere nek, boven mij uittorende. Ik hield het grote mes in aanslag in mijn ene hand en strekte de andere hand met de vis richting. Nogmaals ik ben niet zo’n moedige kerel, maar wat kan een vogel mij in hemelsnaam doen. Ik ben geen Afrikaner, die omging met struisvogels en zo’n man had me kunnen vertellen, dat grote vogels wel degelijk gevaarlijk kunnen zijn maar op dat moment had ik dat besef niet. De vogel was ook een stuk rustiger geworden alsof hij/zij nieuwsgierig was naar de rare snaak op twee benen zonder vleugels en met een lekker hapje in de hand. Die snaak rook ook een beetje naar vogel. En ineens besefte ik, dat mijn vogeljack hier ook wel eens debet aan zou kunnen zijn. Ik rook een beetje naar vogel. Ik zag eruit als een beetje vogel en opeens stapte de vogel naar voren en pikte de vis uit mijn hand. Ik voelde een scherpe pijn en er vloeide een beetje bloed, maar ik hield me groot. Ik schreeuwde naar Bert om me nog een vis toe te gooien en pakte die vlug van de grond en stak die de grote vogel toe, de vis bij de staart beetpakkend om niet opnieuw de scherpe snavel te voelen. De vogel stapte kwiek op me toe en pakte de vis nu voorzichtiger aan. Een 2de vogel was geland en ook die gaf ik een vis, maar toen was onze voorraad op. Ik stond naast de eerste vogel en kroelde met mijn hand onder een vleugel, die ter hoogte van mijn hoofd zat. Het was een standaard reactie van mij, die ik bij alle soorten huisdieren deed zonde erover na te denken. Ik had waarschijnlijk direct het goede plekje te pakken, want de vogel draaide zijn hals om en wreef met zijn snavel langs mijn hand, net alsof hij wilde zeggen, doe dat nog eens een keer. Ik beantwoordde zijn vraag en bleef wat langer onder zijn vleugel kriebelen. De andere vogel kwam erbij en wilde ook een kriebelbeurt en zo gezegd zo gedaan. We waren een beetje vriendjes geworden. Ze zagen er indrukwekkend uit en ik vroeg mij af of je met zo’n vogel kon vliegen, net als Nils Holgerson  op zijn zwaan.

            Ik liep langzaam terug naar de anderen en stelde voor hier een kamp op te slaan voor een langere rustpauze. Eenieder zette zijn bagage op de grond en Natasha keek trots in mijn richting. Je hebt wat met dieren, vertrouwde ze me toe. Een Naplettaner was hard weggerend. Die vogels kunnen gevaarlijk zijn. Ik dacht maar niks, maar was toch een beetje trots op mezelf. Ik vertelde haar niet dat voor mij vogels vogels waren en niet iets gevaarlijk. Dat was ook al gebleken bij het veroveren van de eierschaal.

            Het was midden op de dag en de temperatuur was behoorlijk opgelopen. Ik vroeg mij af of ik in dit beekje, inmiddels versmald naar zo’n 5 meter, wel kon zwemmen. De Naplettaners raadden het mij af, maar ik verlangde naar een waterbad en kleedde me uit, ging voorzichtig in het water, niet zo diep, maar stak mijn hoofd wel onder water met de ogen open. Ik zag een waterslang op de bodem liggen en verplaatste me snel iets verder. Ik wist niet of die giftig was. Natasha zou het misschien weten. Na een seconde of dertig stapte ik weer uit het water, zeiknat, maar wel verkwikt. Ik ging in het gras in de zon liggen en droogde langzaam op. Het was lekker hier in Naplet, het was relaxt en je hoefde niet veel, geen boekhouden, geen agenda, wel een doel. Natasha kwam naast me zitten en aaide mijn lichaam, zodanig dat ik een redelijke erectie kreeg, maar dat was dan ook alles. Aan seks had ik niet direct de behoefte. Ik had genoeg aan het gelukzalige gevoel.

            Het was weer tijd om ons eten te maken. Bert was al weer aan het vissen en de grote vogels stonden op een afstandje toe te kijken. De vangst wilde niet vlot en na een uurtje had hij 3 brasems gevangen, die op het vuurtje werden klaargemaakt. Dit keer kregen de vogels niks. Brigit en Natasha hadden weer wat vruchten en knollen gezocht, maar de knollen leken rauw niet erg eetbaar. Daarom legde ik ze in ons vuurtje en na een half uur waren ze lekker kruimig, net als onze aardappels. Ze smaakten een beetje flauw, jammer, dat we geen zout hadden. Ja zout?, zou ik geen gebrek aan zout krijgen? Dit beekje bevatte zoet water en ik wist niet hoe ik zout zou kunnen binnenkrijgen. Misschien via de knollen of de vis? Ik had in ieder geval geen last van zoutgebrek en had daar ook nooit over nagedacht. Een beetje zout zou wel aangenaam zijn en ik vroeg Natasha daarnaar. Ja zout was wel op markten te koop in de grote steden, maar was wel duur zodat weinig mensen dat kochten. In Nobassil hadden ze zeer zeker zo’n markt waar ze zout verkochten en ook specerijen wat in mijn gedachten klonk als peper, Spaanse peper of paprika. Ik zou wat van dat spul kopen als we in Nobassil waren.

            We rusten lang en deden een dutje zodat we vertrokken in de late namiddag van deze mooie dag met de vogels. Die bewaakten hun kroost toen we er voorzichtig voorbijliepen, maar ze waren niet meer agressief. De stemming was opperbest en we liepen vlot verder, Brigit zelfs voorop. Ze had geen last van haar voeten meer en de vermoeidheid scheen ook verdwenen. We liepen totdat het helemaal donker was en nog verder. Opeens verbreedde zich het beekje. We waren bij een bergmeertje aangekomen, een meertje van wel een kilometer diameter en we besloten daar te stoppen en een nachtplaats te zoeken. Aan de overkant van het meertje scheen een rotsformatie te wezen, die zwart afstak tegen de donkere lucht en ik hoorde het gekletter van een waterval vanaf die rotsen in het meer. Daar gearriveerd zagen we ook een overhangende rots, waaronder we zouden kunnen slapen. Het was nog niet koud, maar de bergwind was tamelijk sterk en onaangenaam. Hier onder de rots merkte je nauwelijks iets van die wind en iedereen was dan ook tamelijk snel vertrokken in een slaap inclusief mezelf.

            Ik werd onrustig wakker, net of er hier andere personen of andere dieren waren. Mijn ogen waren nog niet gewend om ergens naar te kijken, maar langzaam zag ik schaduwen van beesten, het leken krokodillen, die aan onze rugzakken en vooral voedsel voorraadden snuffelden. We hadden nog enkele vissen en één beest leek die gevonden te hebben en probeerde de bananenbladeren open te snijden met een soort tanden. Ik trok mijn grote mes en stootte de anderen aan zonder daarbij geluid te maken. Eén voor één werden ze wakker en in gedachten sprak ik hen toe niet te schrikken en voorzichtig op te staan en in mijn richting te lopen. Iedereen keek angstig althans dat voelde ik zo. De gezichtstrekken kon ik in het donker niet zien. Wat doe je in zo’n geval, voorzichtig weglopen? Maar ik wilde de rugzakken niet achterlaten. Het voedsel en de hengel waren te vervangen, maar onze kleren, onze munten, mijn diamanten niet. Voorzichtig sloop ik met mijn mes in de aanslag naar de rugzakken, die tegen de rotsen waren gezet. Dat was nog geen 5 meter van het visetende beest af. Ik pakte vlug alle rugzakken en gooide die in de richting van de anderen. Opeens draaide het beest om en kwam met een soort piepen in mijn richting. Ik liep achteruit het mes in de aanslag. Het beest stonk, maar het was geen krokodil, meer een hagedis van vier meter lang. Ik werd wat rustiger. Evenals vogels zijn hagedissen niet gevaarlijk, tenminste niet in mijn hoofd. Ik zwaaide met het mes. Het leek wel een ridder, die vocht met een klein soort draak. Het beest deed zijn bek open en ik schrok. In het donker zag ik een soort tanden, die leken op die van een krokodil. Ik zwaaide nog eens met mijn mes en liep wat vlotter achteruit. De anderen waren ondertussen al weggelopen, behalve Gerrit en ik pakte mijn Zwitsers en gooide Gerrit het grote mes toe om mij te helpen. Loop naar de achterkant van het beest, schreeuwde ik hem en er gebeurde wat ik hoopte. Er waren nu twee personen van verschillende richtingen, die het beest belaagden en het beest aarzelde, het wist niet wat te doen. We waren al een honderd meter van de rotsen verwijderd en het leek erop, dat de hagedis niet verder wou. Hij dacht waarschijnlijk nog aan de vis en draaide zich om om terug te lopen. Gerrit sprong snel opzij en de hagedis verdween in het donker. Verderop stonden Natasha, Brigit en Bert in angstige afwachting van wat er gebeurd was. Eigenlijk was er weinig gebeurd, behalve dat we onze proviand, de hengel en de eierschalen kwijtwaren. Zouden we moeten wachten totdat het licht werd om die spullen op te halen? Eigenlijk was niemand daar voorstander van en we wilden verder maar welke richting uit? Omhoog zei Natasha, de pas over en het treurige gezelschap liep door het donker naar omhoog.

            Die nacht kregen we weinig te eten, alleen wat rauwe knollen en vruchten en er was verder ook weinig te drinken. Het was één van de moeilijkste nachten hier voor mij op Naplet, misschien nog lastiger dan tijdens de roeiboottocht. We liepen en liepen en wisten niet of de richting goed was, maar Natasha hield er de moed in en midden in de nacht werd het terrein vlakker en schenen we boven op de pas aangekomen te zijn. We zochten daar een rustplaats en iedereen was te moe om maar gedachten te praten en we vielen uitgeput in slaap, zonder er op te letten of hier ook beesten waren, maar die heb ik niet gezien en al waren ze er geweest, we waren er niet wakker van geworden.

            Ik werd een beetje stijf en vochtig wakker en Natasha was al een beetje aan het rommelen. Ook de anderen waren wakker maar nog een beetje slaapdronken. Het avontuur van de vorige nachtwake was niet in onze koude kleren gaan zitten, maar iedereen was wat minder depressief dan de vorige avond. We hadden zoiets kunnen verwachten en we moesten blij zijn, dat er niemand gewond was geraakt of nog erger gedood was. Voedsel hadden we niet meer en vooral ik had behoorlijk honger en dorst, maar daar moest nog maar even mee geleefd worden. Het zou niet lang meer duren voordat het licht werd en dan waren er meer mogelijkheden om aan voedsel en drinken te komen.

Enigszins opgewekt liepen we langzaam de berg af. Dit was minder vermoeiend dan bergop en ons tempo lag dan ook beduidend hoger. Na een paar uur begon het heel langzaam licht te worden en ik zag het landschap voor me ontrollen, het wijde landschap met gebrek aan een horizon. Het was nog een beetje vochtig, de gebruikelijke nacht regen had ons kil en nat gemaakt, maar nu klaarde het op. Een soort dauw hing boven het landschap, een donzen deken, die tot in het dal reikte. Uit de donzen deken staken hier en daar bomen met donkere takken, maar kleuren waren nog niet te zien. Het waren alleen maar grijstinten van licht wit naar donker zwart, zoiets en zover had ik dit nog nooit gezien en mijn mond stond open van verbazing en ongeloof over zo’n beeld. Iedereen was onder de indruk van zo’n mooi, grijs getint landschap en we bleven even staan om het landschap te bewonderen. Na een uurtje lopen lichten de eerst kleuren op, vooral de tinten van groen en geel en de mist werd snel dunner. Ineens zagen we het landschap zoals het werkelijk was met bomen, bloemen en veel verschillende soorten gras en in de verte blauw, daar was een meertje. Hoe ver kon ik niet schatten omdat er in die richting geen horizon was. Iedereen was het er over eens om richting het meertje te lopen en het tempo van lopen verhoogde zich aanmerkelijk. In deze weidse wereld van de bergen voelde ik me thuis, kon ik nadenken over de zin des leven, kon ik gelukkig zijn met de mensen van dit gezelschap, iedereen was een vriend of vriendin geworden. Met Mils had ik die band nooit zo sterk gevoeld.

            Even verderop borrelde helder water uit de grond, een soort bron en ik dronk met volle tuigen van dat water, lekker fris en tintelend op je tong ook de anderen dronken van het water en we besloten hier een stop re maken om wat voedsel te zoeken. De natuur tierde hier weelderig, vele struiken met bessen, bomen met verschillende typen vruchten. Ik zag een grote boom waaraan zeer grote vruchten zaten. Dat type vruchten had ik op Naplet nog niet eerder gezien. Het leken wel kokosnoten, maar dan met een diameter van wel 20-25 centimeter. Ze hingen een beetje hoog en ik was niet zo’n boomklimmer. Bert echter wel en die klom gewapend met mijn mes in de boom en langs enkele takken. Hij hakte de grootste vruchten af, die met een dreun op de grond vielen. Zo hadden we binnen de kortste keren een stuk of 5-6 van de grote noten. De schil was hard, maar met mijn Zwitsers mes met elzen en zaagjes maakte ik een gat in de noot. Er zat inderdaad vocht binnen de schil en zonder er bij na te denken dronk ik er van. Het vocht was zoet en verfrissend als het bronwater en zulk vocht in een vrucht kon niet slecht zijn, kon niet giftig zijn. Ik maakte het gat iets grote en zaagde de noot met enige moeite in twee stukken, daarbij wel een groot deel van het vocht verliezend. Het was een kokosnoot, maar het vruchtvlees had een lichtoranje kleur. Het leek op een kruising tussen een kokosnoot en een perzik  of op een omgekeerde mango, in dit geval de pit aan de buitenkant en het vruchtvlees in het midden, als ik het zo mag zeggen. Ja het vruchtvlees smaakte meer naar mango dan naar perzik al was het wat steviger, meer richting kokos. Ik brak het vruchtvlees uit de noot en er bleven twee houten schalen over met een inhoud van wel 3-4 liter, dus kon er makkelijk 2 liter water in om thee van te maken. Het was alleen wel duidelijk, dat zo’n halve noot niet direct op vuur kon worden geplaatst. Je had een platte steen of iets dergelijks nodig op het vuur waarom dan zo’n kokosschaal gezet kon worden. Ik slachtte alle zes noten en schonk het vocht van die noten in de eerst twee schalen. Iedereen vond het lekker smaken en de positieve stemming steeg met de minuut. Niemand had nog nooit van zo’n noot gegeten. De bomen kwamen wel regelmatig voor en ook de afgevallen noten lagen maar op de grond maar bij de meeste gezinnen onbrak het gereedschap om zulke noten open te maken. Bovendien gingen de afgevallen noten snel rotten en de stank ontmoedigde iedereen om er van te eten. Het was dus zaak frisse noten te nemen en onmiddellijk te slachten. Met wat bessen en andere vruchten hadden we nu een feest maaltijd. Bovendien droogden onze kleren in de vroege morgenzon en voelden we weer een warme gloed in ons lichaam.

            Natasha ging op zoek naar de grote bladeren van de bananenboom, maar die bomen stonden hier niet. Wel waren er struiken met grote bladeren en die werden gebruikt om de rest van het vruchtvlees in te pakken en mee te nemen. Het kokos/mango vocht was moeilijk te vervoeren en er werd besloten  om het meeste vocht hier maar achter te laten. Ik zocht wat van de schalen uit, schalen met verschillende grootte zodat die in elkaar pasten. Er nam er een stuk of vier mee en die werden ook in de bladeren geknoopt. Met een stok onder de knoop, kon je het vruchtvlees en de schalen gemakkelijk vervoeren. Gerrit en Bert namen die taak op zich en ze leken wel vagebonden met een bundeltje op de rug. Hun kleren waren ook wat afgetakeld. In Nobassil zouden we iedereen weer in nieuwe passende kleren steken. Ik had immers nog munten genoeg. Ik had misschien net 20% van mijn totaal aan munten uitgegeven.

            Opgewekt liepen we de berg af, eerst langs een stroompje van nog geen meter breed maar allengs kwam er meer water in het beekje en werd het langzaam breder. We liepen de hele dag met nu en dan rustpauzes, maar het meertje in de verte werd nauwelijks groter. Die afstand was toch veel verder dan we gedacht hadden, maar het maakte ons niet uit, helemaal niet toen Bert vissen in het inmiddels drie meter brede beekje zag. Hij was niet meer te houden. Het waren geen brasems dit keer, maar meer een type forellen, ik denk van de grootte van 300 tot 1000 gram. Bert speurde naar wilgenbomen, die misschien geschikte takken hadden om een hengelstok van te maken. Er waren hier geen wilgen maar in de verte zag ik bij het water wel  bos staan wat volgens mij varens of misschien wel bamboe was. Binnen een half uur waren we bij een soort poel terechtgekomen, waar het beekje in stroomde en er aan de andere kant breder uitstroomde. Dit was een plek met verschillende waterbronnen en de grond was er erg sompig. Toch besloten we hier een tijdje te rusten. Het was het laatste deel van de dag en de zon raakte reeds  de horizon in het westen. Bert rende op het bos met de varens af, maar het waren geen varens. Het was een kruising tussen varens en bamboe. Eerst groeiden dunne sprieten met bladeren de lucht in. Sommige van die sprieten waren wel vier meter lang en dunner dan een centimeter en wiebelden in de lucht. Meer naar het midden van het dichte varen bos stonden dikkere sprieten zonder bladeren. De kleur veranderde van groen naar geel en weer verder in het bos stonden lange stokken, wel zes meter hoog, aan de voet wel een duim dik met nog steeds een wiebelende top. Dat waren uitstekende hengels en ik sneed er een stuk of drie af. Ook van de dunne varens sneed ik er een aantal af. Misschien waren die dunne varens na ontbladeren wel geschikt als een stuk touw waaraan een haakje en aas vastgemaakt kon worden. Over dat laatste moesten we nog nadenken. Hoe kwamen we aan haakjes en aas en wat voor aas. Veiligheidsspelden of zoiets had ik niet meer en onze oude uitrusting was achtergebleven bij de hagedissen.

            Bert zag er helemaal opgewonden uit. De hengel was zo gemaakt, maar het haakje, de aas? We gooiden dat in de groep. Een haakje zou kunnen worden gemaakt van stekels maar die moesten dan wel stevig zijn. Misschien waren er zulke struiken in de buurt. Natasha en Brigit gingen op zoek met meeneming van mijn Zwitsers mes. Aas? Ik kon me herinneren, dat we op de Aarde vaak maden gebruikten, maar waar kon je die vinden en waren de vissen hier er wel dol op? Bij de ondergaande zon zochten we naar maden maar die waren niet te vinden. Wel was er een relatief grote mierenhoop en ik dacht aan de slechte ervaring met mieren. Hier was echter een geïsoleerde hoop en in die hoop waren zeker miereieren. Misschien kon dat als aas gebruikt worden. We waren echter geen van drie bereid om in die hoop te graven en teleurgesteld liepen we terug naar onze rustplaats. Brigit en Natasha waren er reeds en hadden inderdaad een soort weerhaakjes gevonden en er wel een stuk of twintig meegenomen. Bovendien had  Brigit een dode slang gevonden, die half aangevreten was en een beetje rotte. Waarschijnlijk had een hagedis die slang te pakken genomen of misschien wel een grote vogel. Bij mij kwam de gedachte op om slangenvlees als aas te gebruiken. Ik sneed stukje af met af en toe toegeknepen neus. Er zat een sterke misselijk makende geur aan dat vlees.

            Zo hadden we een hengel voor elkaar maar het was reeds zeer schemerig. De zon was net onder en vanuit het westen was er nog enige gloed. Bert wilde toch vissen en gebruikte deze primitieve hengel. Hij had bijna onmiddellijk beet, maar bij het binnenhalen van de vis gleed die van de haak af. We hadden een schepnet nodig voor het binnenhalen en ik herinnerde mij, dat ik ook zo’n net aan boord van de Dragon gemaakt had. Met de overgebleven varens en bamboe maakte ik zo’n net maar dat kostte wel een paar uur, zodat het al heel donker was voor het net klaar was.  Bert wilde het in het donker toch proberen en gooide de hengel weer uit met binnen 5 minuten succes. Het manipuleerde met het net en gaf een schreeuw zoals alleen Bert dat kan, niet gewend aan gedachtepraten. Even later spartelde een mooi forel op de wal, wel één van een halve kilo. Nu moest er een vuurtje gemaakt worden en de vis moest schoongemaakte worden. Met de spaanders van de varens en stukken bamboe kreeg ik een vuurtje aan de praat. Ik had mijn aansteker nog steeds, dus een vlammetje was geen probleem. We zouden iets anders moeten verzinnen als die aansteker leeg was. Onder een grote boom bij het water had ik nog een paar takken gezien en daar maakten er een mooi vuurtje van. Ik maakte de eerste vis schoon, maar inmiddels had Bert alweer een vis gevangen en zo ging het een uurtje door tot er wel tien vissen op de wal lagen. Die Bert was een goeie visser en ik was trots op hem en bovendien had hij goeie ogen. Hij zou een belangrijke rol kunnen spelen binnen ons idee om een visserij en een visrestaurant in Tan te beginnen. Hij was dè vissersman. Het barbecuen van de vis ging zo door en af en toe proefde iedereen een stukje. Samen met de mango/kokos en wat water was dit een heerlijke maaltijd, die wel een uur of twee duurde. Ik zag de vlakkerende schaduwen van ons reisgezelschap, waarvan een ieder zich langzaam terugtrok en zich te ruste legde. Ik bleef nog het langst doordenken in deze donkere nacht, in deze vreemde omgeving, op Naplet. Was ik hier beter dan op de Aarde. Hier was ik iemand, ik was belangrijk, ik was inventief, sterk en nog veel meer. Op de Aarde was ik boekhouder en verder niks, niemand om van te houden, maar ja het was mijn geboorteplaneet met als zijn slechte dingen, maar mijn geboorteplaneet en zo doemelde ik langzaam in een droomloze slaap al weet ik het niet zeker.

            In de ochtendschemer zag ik de mist over het landschap drijven. We waren al behoorlijk gedaald en aan de voet van de bergen aangekomen. Door de mist heen zag ik het blauwgroene water van het meer. Ik was een beetje klammig, maar de eerste zonnestralen verkwikten mijn stramme botten. Na alle avonturen van de vorige nacht was deze dag een blij begin van de rest van mijn leven. We hadden tot nu toe alles zonder kleerscheuren overleefd. We konden deze wereld aan en deze wereld was ons goed gezind. De anderen werden ook wakker en Bert pakte zijn hengeltje al weer om voor het ontbijt te zorgen. Ik kleedde mij uit en verfriste mij in de beek, die al bijna tot een rivier was uitgegroeid. Ik probeerde het bijna uitgebrande vuurtje aan de praat te krijgen en dat lukte wonderwel. Ik was hadden nog een beetje mango/kokos en  ik pakte de grootste schaal, vulde die met water en zette, die op een paar stenen, die ik  op het vuurtje had gelegd. Zo kon het water langzaan warm worden zonder dat de kokosschaal verbrandde. Bert had de eerste vissen al weer gevangen en deze mooie forellen werden door mij gefileerd een beetje gekruid met Natasha’s kruiden en ook op de stenen gelegd, naast de schaal. Dit was niet barbecuen, maar meer grillen op die stenen alhoewel de temperatuur van de stenen daarvoor een beetje laag was. Hinderde niet als de vis maar gaar werd. Natasha kwam aanlopen met een aantal knollen, die ze vlakbij gevonden en uitgegraven had en die knollen legde ik aan de rand in het vuur. Zo hadden we weer een zeer gevarieerd ontbijt. Het had ons tijdens deze reis niet ontbroken aan lekker eten. We hadden zeer goed eten weten te vinden op deze planeet, dit Naplet. Ik kon me niet voorstellen, dat op deze planeet mensen waren, die honger moesten lijden. Overal was voedsel in overmaat te vinden. Dat was op de aarde wel anders met zijn wisselende klimaten en droge gebieden. Hier viel overal regen en ook nog zeer regelmatig.

            Na het ontbijt braken we op en liepen over de langzaam dalende helling langs de rivier richting meer. Het leek niet zo ver meer, maar met het ontbreken van de horizon in die richting kon ik moeilijk afstanden inschatten. Het landschap leek meer gecultiveerd alsof hier mensen bezig waren, die boomgaarden hadden aangelegd en ook knollenvelden. Langs de rivier was een soort pad ontstaan waar meer mensen gelopen hadden of nog liepen. Hoe verder we daalden hoe gecultiveerder het werd en in de verte zagen we dan ook snel mensen, die op het land werkten. We waren in de bewoonde wereld beland aan de rand van de bergen in Belgrijk.

            Het was nog een paar uur lopen naar het meer en we kwamen steeds meer mensen tegen, die nieuwsgierig naar ons keken, een beetje uitgelept gezelschap met twee mooie vrouwen, een klein bergmannetje, een matroos en een grote kerel met vreemde gelaatstrekken. Bij het meer was een concentratie van huizen, een klein dorpje aan het meer aan de rand van Belgrijk. Er waren wat kleine winkeltjes, er werden ambachten uitgeoefend. Ik zag zelfs een schoenenmaker en er was een kroeg annex restaurant, waar we neerzegen. Na deze voettocht van vier lange dagen, meer dan 400 uur had ik behoefte om eens op een stoel te zitten en die behoefte kon hier vervuld worden. Ik vroeg om een bier, het grootste biertje wat maar te krijgen was en het hinderde mij niet, dat het nog vroeg in de morgen was. De  anderen wilden ook wel wat alcohol in hun lichaam. Zelfs Brigit die niet gewend was om alcoholische dranken te drinken. De kroegdame had verder niet veel te doen en kwam maar bij ons zitten. Ik wilde het één en ander van haar weten en vroeg haar de kleren van het lijf. Ze was ook een tante die graag praatte en vertelde ons dat zij kamers verhuurde, de was kon doen en dat er naast de schoenmaker ook een kleermaker was, die ons kleren op maat kon maken zo veel we maar wilden. Over het vervoer naar Bonassil moesten we ons niet druk maken. Elke morgen en elke avond vertrok er een trein naar Bonassil, ja een trein over een vast spoor. De trein werd getrokken door een paar vogels van hier naar Bonassil was het langzaam omlaag en was de tocht redelijk snel, iets minder dan een nacht of een dag. Ik rekende snel uit, dat de gemiddelde snelheid dan bijna 20 kilometer per Aarduurbedroeg. We waren nog ongeveer achthonderd kilometer van Bonassil verwijderd. Iedereen haalde opgelucht adem bij het horen van dat goeie nieuws. We hoefden niet meer te lopen, we konden met de trein. Ik vroeg haar of we een rijtuig konden reserveren en ze keek me verwonderd aan. Een rijtuig voor maar 5 personen. Dat was wel heel luxueus maar ze zou er naar informeren. We huurden ook alle beschikbare kamers van de kroeg. Dat waren er vier waarvan de dames samen de mooiste kamer kregen. Er was ook een wasruimte met een tobbe om in te baden en een soort toiletruimte. Iedereen had behoefte om zich lekker in bad te zetten, eerst de twee dames,  die wel een uur baadden en daarna de drie heren in schoon water wat lauw warm was. We waren heerlijk aan het relaxen. Na deze uitgebreide  badpartij gingen we in het dorp rondkijken in de schoonste kleren, die we nog hadden. De rest werd door de kroeg annex herbergdame in de was gezet. Het dorp was niet groot, maar wel met alle dagelijkse voorzieningen. Langs het meer lagen een aantal vissersboten, kleine roeiboten met ruimte voor 2 personen en voorzien van netten. Het deed me herinneren aan verlopen tijden in de Middellandse Zee landen, tijden waarin de vissers met hun roeiboten de zee opgingen. Ik had nog veel roeiboten gezien in het dorpje waar mijn relaxhuis stond, maar de boten waren nu voorzien van buitenboord motoren. Die hadden ze hier niet in het land, in de wereld waar metaal schaars was. Dat gebrek aan metaal stond toch een heleboel ontwikkelingen in de weg, maar het voorkwam ook de vliegende haast die op de Aarde, vooral in de Westerse landen gewoon was geworden. Dit had toch echt wel mijn voorkeur.

            Ik keek naar iedereen zijn voeten. De schoenen waren niet veel meer, behalve dan die van mij, mijn Aardse schoenen van een combinatie van leer en rubber, dat hadden ze hier op Naplet niet. In de steden had ik echter wel schoenen gezien van krokodillenleer, vooral bij de voorname mensen. Ik stelde voor om eerst naar de schoenmaker te gaan om voor iedereen nieuwe schoenen te laten aanmeten, ook voor mij. Ik wilde ook wel van die Naplet schoenen. De schoenmaker was verheugd met zoveel klandizie en mat iedereen zijn voeten nauwkeurig op. Ik zei hem het beste van het beste materiaal te gebruiken en hij beloofde dat. Hij zou meteen aan het werk gaan. Zo’n grote klant had hij nog nooit gehad. Bij de kleermaker was het van hetzelfde laken een pak. Veel nieuwe kleren in allerlei soorten en maten, zelfs een beetje Zondagskleren en ook voor iedereen een rugzak, naar voorbeeld van de mijne. Dat kon hij gemakkelijk maken vertrouwde hij mij toe met smakkende lippen kijkend naar mijn vogeljack. Opnieuw had ik in de gaten hoe bijzonder die was. De kleermaker en schoenenmaker beloofden beiden plechtig, dat de spullen die dag klaar zouden zijn en ik betaalde bij beiden een paar munten aan om druk op de ketel te zetten. De liepen nog een beetje door het dorp rond en toen terug naar de kroeg. De kroegdame informeerde ons over de trein en zei dat het mogelijk was een rijtuig te huren, maar niet helemaal tot Bonassil. De laatste paar honderd kilometer langs de rivier was het veel drukker en moeste we ons rijtuig delen met andere mensen. Daar hadden we geen bezwaar tegen en treinkaartjes werden gekocht voor de trein van deze nacht. De prijzen van logies en eten en verdere diensten waren hier laag, veel lager dan in de grote steden langs de belangrijke rivieren. Het kon me niet schelen ook was het kostte, ik voelde mij fijn, ontspannen en had een beetje behoefte aan seks. Het was er tijdens de voettocht van de rivier naar dit dorp niet van gekomen. Ik vroeg Natasha of ze die behoefte ook had. Ze zei graag, maar of dat waar was wist je niet. Bij haar zat seks ingebakken door haar kerkverleden, maar ze deed het met graagte. We waren minstens een uur lang bezig op mijn kamer, pijpen, voelen, aaien en nog veel andere dingen maar geen directe seks. Dat kon ik niet, zeker niet met haar, maar ik kreeg door pijpen wel driemaal een orgasme achter elkaar. Dat was me nog nooit gelukt. Ook bij haar zag ik een paar orgasmen, weliswaar op andere momenten dan ik, maar toch. We waren goeie maatjes maar verliefd? Ik wist het niet. Ze was zo natuurlijk alsof ze er altijd was geweest, alsof we gewoon bij elkaar pasten zonder woorden, zonder gedachten, gewoon. Uitgeput sliep ik in mijn nakie in en ik merkte niet dat ze zachtjes de kamer verliet.

            De schoenmaker en de kleermaker hielden zich aan hun woord en bij de ondergaande zon had iedereen zijn nieuwe rugzak met kleren en nieuwe mooie schoenen die wonderwel pasten. Die schoenmaker was een tovenaar.  Alles werd direct gepast en omdat we niet meer hoefden te lopen, trokken we wat modieuzer kleren aan. We zagen er nu uit als een rijk gezelschap, helemaal in het nieuw, van de fijnste stoffen. Onze kroegdame slaakte een verrukte kreet toen ze ons zo zag aankomen. Dat waren nog eens nette mensen en nog rijk ook. Ik betaalde haar en ze kreeg ook nog een groot deel van onze oude kleren en schoenen. Ik had nu alleen nog mijn schoenen, die aan de Aarde verwant waren. Voor de rest was ik Naplettaan geworden. We namen verder niets mee, maar Bert wou zijn oude hengel behouden. Ik nam Bert mee naar een visserswinkel waar ze hengels en ander visspul verkochten. Bert klakte met zijn tong zoals Bert dat alleen kon. Hij had een grote tong in tegenstelling tot de standaard mensen op Naplet en bekeek alles tot in de puntjes. Op het laatst kocht hij 2 bamboehengels bestaande  uit vier delen, met daarbij ingenieuze haakjes en snoer van een soort vogel garen, heel sterk en tamelijk dun. Trots liep hij met zijn hengels naar de anderen op zijn nieuwe uitrusting te laten zien. Die was veel belangrijker dan zijn nieuwe kleren.

            De trein bestond uit vier wagons, van een 10 meter lengte met een dubbel stel loopvogels ervoor. Ik had begrepen, dat die elke 100 kilometer werden gewisseld net als vroeger gedaan werd bij de postkoets. De stations waren niet alleen opstap/uitstapplekken maar ook vogel wisselstations, restaurants en alles waar je maar behoefte aan had tijdens een lange reis. Ons rijtuig was heel luxueus, met een lounge en een slaapgedeelte. De andere rijtuigen zagen er normaal uit, als in een 2de klas in een standaardtrein. De meeste mensen reisden ook niet zover, meestal tot het volgende station of één verder. De kroegdame was nog nooit in Bonassil geweest en de meeste mensen op deze trein ook niet. De trein vertrok een half uur na zonsondergang, buiten was er bijna niets meer te zien en binnen in een gezellige sfeer verlichting van grote kaarsen in glazen kelken. Er werd een beetje gekeuveld over van alles en nog wat. Over onze roeitocht, de vogels en de hagedissen, maar het leek alles al zo ver weg, in een ver verleden, avonturen, die door anderen beleefd waren. Natasha was stil stiller dan anders, net of ze nadacht over onze reis, over haar verleden en haar toekomst.

            Natasha dacht nog eens na wat er de laatste gebeurd was. Sinds de grote vreemde man en die priester, Mils, door het lichte gat in de bergen gekomen waren, sinds dat moment was haar hele leven verandert, was haar leven opwindend en avontuurlijk geworden. Ze hield van avontuur en ze hield van de grote man, Peter, die eigenlijk geheel geen ervaring met seks en moeilijk met zijn seksuele gevoelens kom omgaan. Dat was natuurlijk tijdens deze reis verandert maar hij beleefde seks elke keer alsof het de eerste keer was. Dat was bij de priesters wel anders geweest. Daar was seks van een meisje als haar iets vanzelfsprekends, iets van een plicht. Zij was zelf nooit zo verzot op seksuele contacten geweest maar nu was dat anders, nu kreeg ze ook regelmatig een orgasme, zonder dat ze dat voor hoefde te wenden. Peter was in sommige opzichten een onbeholpen kluns, maar hij was ook creatief en natuurlijk sterk naar Naplet begrippen. Hij had natuurlijk zijn messen, apparaten, die ze nog nooit had gezien en die zeer nuttig op deze reis waren gebleken. Ook dat vuur uit de kleine aanstekers was voor haar nieuw. Neen Peter was een verdomd aardige man, een man waarmee ze de rest van haar leven wel zou kunnen slijten. Voor seks had ze misschien nog anderen nodig, maar volgens haar had Peter daar geen bezwaar tegen.

            Nu gingen ze naar haar geboorteplaats om een restaurant te beginnen en om te gaan vissen. Ze vond het idee zeer interessant, maar om dat de rest van haar leven te doen, dat niet, maar ze moest niet zolang in de toekomst kijken. Met peter gebeurde er altijd wel wat en misschien had Mils de overval overleefd en dan zouden we nog wel van hem horen. Zo mijmerde Natasha nog even door en keek met een schuine blik naar Peter.

Ik trok mij terug om naar bed te gaan en droomde van een vissersboot en een restaurant, van wind en een beetje regen, van mooi vrouwen, die me pijpten en ik kreeg zowaar een erectie in mijn droom en toen niets meer.

 De reis verliep voorspoedig en ik had ook niet anders verwacht. Om de vijf uur stopten we en stonden een uurtje stil. Ik liep dan over het perron en was nieuwsgierig wat er op deze stations gebeurde. Het was precies als op kleine stations op de aarde. Het station was een soort centrum van het leven, met mensen die afscheid namen, met mensen die begroet werden, met venters van koffie en broodjes of in ieder geval een Naplettaner variant daarvan. Wij werden in de trein uitstekend verzorgd. Er was zelfs een kleine wascabine met een toilet, waar ik veel gebruik van maakte.

            Tegen zonsopgang naderden we een grote stad, een aan-de-rivier-lig stad. Hier was het veel drukker en het station was ook veel groter, alhoewel die nog wel een boerse indruk maakte met de vogel stallen en de kleine restaurants. We moesten uitstappen. Dit rijtuig bleef hier achter. We kwamen in een standaard cabine terecht met zitplaatsen in plaats van luie stoelen, zonder cabines met bedden. We werden behandeld als een belangrijk gezelschap, als belangrijke priesters. Die reisden immers alleen met de luxe wagons.Die hadden ook meestal mooie vrouwen in hun gezelschap met mooie kleren net zoals wij. We zagen er niet uit als priesters maar dat maakte ons alleen maar belangrijker. Priester incognito konden wel eens hele hoge priesters zijn of misschien wel belangrijke staatslieden van de Noordrand. In ieder geval werden wij met de nodige egards behandeld en werd er weinig tegen ons gezegd. Zo arriveerden we die eerste helft van de dag in Nobassil, een grote stad, de belangrijkste stad van Belgrijk met hoge gebouwen, maar met de standaard indeling als in bijna alle steden langs de grote zijrivieren. We vonden ook gemakkelijk een onderkomen, zoals ook de vorige keren. We moesten gaan beraden op de rest van onze reis naar Tan en daar zouden we ons deze dag en nacht mee bezig houden.

           

13. De reis naar en de vestiging in Tan

 

            Nobassil was de grootste stad, die ik tot nu toe gezien had. De huizen van de gorilla mensen waren hoger, de restaurants en bars groter en er waren meer herbergen en pensions om uit te kiezen. In onze elegante outfit, vooral die van de dames, en de samenstelling van ons gezelschap waren we een belangrijke verschijning hier in het straatbeeld en de pensionhouders stonden daarom ook in de rij om ons binnen hun logement binnen te krijgen. We kozen voor een tamelijk stille vrouw, die ons geen aanbieding en alleen met een bord stond, dat ze mensen kon onderbrengen. We liepen met haar mee want haar pension stond niet aan de hoofdstraat bij de haven, neen was gevestigd in een gezellig achterafstraatje met leuke eet- en drinkgelegenheden. Ik voelde me er al direct thuis, zeker toen ik de kamers zag en de gezamenlijke badkamer. Niet pompeus, maar doelgericht ingericht en gezellig, gezellig als een Belgisch cafeetje. Ik was blij, dat we deze keuze gemaakt hadden. Er stond reeds een ontbijt klaar, waar we ons stevig van bedienden en er was meer als we de behoefte hadden. Na het ontbijt zochten we een cafeetje om overleg te plegen over onze verdere reis. We konden met de boot gaan, maar ook met de trein naar het Noorden en dan weer een voettocht door de bergen. Het laatste was veel korter maar meer inspannend. De bootreis betekende naar de grote A-rivier en dan over de A-rivier richting Anter en terug naar het Zuiden met het spoor in Natasha’s land richting Tan, een omweg van wel duizend kilometer.

            Na kort overleg  besloten we toch nog één keer te lopen. Van Nobassil konden we een trein nemen naar het Noorden tot  Libas, een stad net als Tan maar dan in het Noorden van Belgrijk. Dan was er een tocht van ongeveer 500 kilometer door de bergen over de pas van Tan, die 4000 meter hoog was. Deze pas werd wel vaker gebruikt, maar was niet begaanbaar voor koetsen, tenminste niet het hoogste deel. De voettocht werd dan ongeveer 200 kilometer, peanuts voor ons ervaren gezelschap. Gerrit treuzelde bij de gedachte om verder naar Tan te gaan. Hij wilde eigenlijk weer aanmonsteren aan boord van een schip. Hij was niet iemand om zich in een plaats te vestigen en daar de vissersman, klusjesman of iets anders uit te hangen. Ik kon er vrede mee hebben, maar drong toch aan op een duidelijke uitspraak. Ik voelde aan uit zijn praten, dat hij niet mee wilde en besloot het besluit maar voor hem te nemen. Hij was ons niets schuldig en was een steunpilaar in onze groep geweest. Het was jammer maar helaas. Gerrit was duidelijk opgelucht. Terug in het pension gaf ik hem een groot aantal nikkelen en koperen munten, een aantal waarvan hij minstens een jaar kon leven en zich ook een aandeel in een schip kon kopen. Hij pakte zijn boeltje bij elkaar en vertrok bijna onmiddellijk. Geen van ons gezelschap heeft hem nog ooit teruggezien.

            Brigit was een beetje verdrietig. Ze mocht Gerrit graag, maar binnen tien minuten was ze weer helemaal bij de reis naar Tan en verheugde ze zich op een toekomst als restaurantbeheerder en nog veel meer. We hadden niet veel voor te bereiden dan na te gaan wanneer er een trein naar Libas vertrok en een wagon te reserveren. Onze pensionhoudster zou daar helemaal voor zorgen en we gingen nog een beetje in Nobassil kijken. Zo’n grote stad trok ons niet meer, maar we hadden toch nog een één en ander te kopen, wat kruiden, wat zout en misschien een paar extra schoenen. Hier was ook een markt en die was gelegen op maar vijftien minuten lopen. Het was er een drukte van belang. Alles was er te koop en Natasha en ik zochten naar de specerijen afdeling, die in een hoekje bij de grote kerk gelegen was. Ik zag direct zout in een mooie glazen fles, wat onhandig om mee te nemen. Natasha snuffelde rond en zag van alle kruiden en specerijen. Iets verderop kocht ze een rugzakje extra, die ook als heupgordel dienst kon doen. Ze zocht wel 20 verschillende kruiden en specerijen uit. Het zout werd ook gekocht, maar overgeheveld naar een houten pot met een goede dekselafsluiting. Die zou waarschijnlijk nog wel in mijn rugzak passen.

            Even verderop kwamen we Bert en Brigit tegen. Die twee konden het echt goed vinden. Brigit had een leuk hoedje gekocht en ook een kralensnoer van rode barnsteen, dat om haar nek hing. Bert had een visserspet gekocht, zo’n met een klep aan de voorkant en flappen aan de zijkant, die onder de kin vastgemaakt kon worden. Het verkoper had hem gezegd, dat die pet waterdicht was, dus bij het vissen in de morgen kreeg je geen nat hoofd. Vrolijk liepen we richting pension en we waren nog vrolijker na een bezoek aan een lokale kroeg, waar ik het wedstrijd drinken van bier duidelijk won tegen de grootste lokale zuiplap. Ik viel ook meteen in bed in slaap zonder verder ergens over na te denken.

            Onze pensiondame had de treinreis optimaal geregeld. We hadden weliswaar geen heel wagon, maar wel een halve met een uitgebreide zit van luie stoelen en een vertrek met twee stapelbedden. Als die dame geen pensionhouder was geweest, had ik haar gevraagd om met ons mee te gaan. Zo iemand konden we bij onze plannen goed gebruiken.

            De treinreis was weer aangenaam en relaxt. Bij de ondergaande zon zagen we de bergen in de verte. Een kleurenmengsel van oranje van de zon, groen en geel van het landschap en grijsblauw van de hemel bracht me in een weemoedige stemming. Nog een paar Naplet dagen en we zouden ons settelen, settelen met Natasha, Bert en Brigit en misschien nog een paar anderen. Zou ik met Natasha kunnen leven, ik kon met Natasha leven!, maar Natasha was van zichzelf, niet alleen van mij. Als andere mensen in haar leven kwamen, dan was dat zo. Ik hoopte alleen maar, dat ik ook van haar kon genieten, van haar gezelschap, van haar lichaam, van haar intelligentie en zachtheid. Ja, ik zou mijn dagen hier op Naplet in alle rust slijten, af en toe vissen met Bert, af en toe Brigit helpen in het restaurant, af en toe koken, maar ook op een terras zitten bij de ondergaande zon, praten met andere terraszitters, filosoferen over het leven en God en aanverwante zaken. Ja ons restaurant zou ook een barretje moeten hebben met een terras, een terras met uitzicht op het meer van Tan, met uitzicht op de bergen, die we straks af zouden dalen. Ik keek naar onze vrouwen, ik keek naar Bert. Wat had ik het getroffen met de mensen om mij heen, jammer van Gerrit, maar Mils was niet zo meer in mijn gedachten. Ik dacht steeds meer van de arrogante kwast, blij dat ik hem kwijt was maar ook blij dat hij me hier gebracht had.

            De nacht werd doorgebracht in ledigheid. Bij het licht van de kaarsen, schreef ik af en toe een verhaal in mijn boekje, een verhaal over wat ik tot nu toe beleefd. Ik kon me alle details al lang niet meer herinneren en af toe dacht ik verwoed na hoe het allemaal geweest was. Voor de rest sluimerde ik voor me heen, in mijn hoofd plannen makend over de toekomst, de visserij en het restaurant en ik zag die liggen aan de voet van het meer van Tan.

            Libas was een redelijk grote stad gelegen aan een meer, zoals er zo vele zijn aan de voet van de tussenbergen. Het was een combinatie van agrarische en vissersstad, maar er waren ook vele kleine bedrijven met handwerkslieden, die vele gebruiksgoederen maakten als meubels, keukengerei en dergelijke. Er was een fabriek waar postkoetsen werden gemaakt, maar de meeste industrie was voor het verwerken van de landbouwproducten en de vis. Vele typen sappen werden gemaakt en groenten en fruit ingemaakt in wekflessen, wekflessen, die ik nog kende van mijn grootmoeders tijd. Vissen werden op een zelfde wijze verwerkt, in het zout, in het zuur in grote glazen potten en houten fusten, dus een heel bedrijvige stad. Vlak bij de oevers van het meer was een boerderij, die me het meest interesseerde. Hier werden vogels gehouden, vooral grote loopvogels, die werden getraind om de treinen of de postkoetsen te trekken. Er waren tientallen misschien wel honderden vogels in opleiding. In een hoek van deze boerderij waren er ook vliegvogels, vogels, die van kleins af op de boerderij aanwezig waren geweest. Er waren kleinere vogels, niet veel groter dan postduiven, die getraind werden om boodschappen van de ene plaats naar de andere plaats te brengen in dit geval van Libas naar Nobassil en omgekeerd. Deze vogels konden een lading van wel een kilo dragen en dan die afstand nog binnen 5-6 uren overbruggen. Ik hoorde van de trainer, dat er ook in Nobassil zo’n trainingskamp voor vogels was. Bijna elke grotere plaats op Naplet was wel zo’n trainingskamp. Vogels, vooral loopvogels, namen een belangrijke plaats in bij het functioneren van de maatschappij hier op Naplet. Dat was me tot nu toe nog niet zo opgevallen, maar ik herinnerde me ineens onze eerste rit weer, toen we uit de grote bergen kwamen. Dat was ook een postkoets rit.  Ik vroeg deze trainer of er ook grote vliegvogels waren, die geschikt waren om mensen te vervoeren over grotere afstanden. Hij deed hier in eerste instantie nogal geheimzinnig over, maar toen ik verder aandrong en een muntje tevoorschijn haalde, nam hij mij stiekem mee naar een hoog gebouw helemaal op het einde van het boerenerf. Binnen aangekomen zag ik een paar grote vogels staan, die met een lang touw aan een paal waren vastgebonden. Er was een mannetje, één van het Gorilla type, die op aandringen van onze trainer, een zadel legde op één van de vogels, een zadel waarop makkelijk een mens kon zitten, misschien wel zo’n groot exemplaar als ik. Daarna liep hij achteruit en gaf een soort bevel met een harde hoge stem. De vogel zette zich in beweging en sloeg de vleugels uit. Toen de snelheid toenam trok de vogel de poten en kwam langzaam van de grond. Vol verbazing zag ik de vogel kringetjes vliegen aan zijn touw rond de paal in het midden. Dat zo’n grote vogel zulke korte bochten kon maken, was heel bijzonder. Na een paar minuten landde de vogel weer en kreeg een beloning. De trainer keek trots in mijn richting. Op mijn vraag of iemand er al mee gevlogen had, gaf hij een ontkennend antwoord, maar in de toekomst zou dat zeker gebeuren. Ze werkten er naar toe. Ik vroeg of ik die vogel kon benaderen. Hij gaf me  een stuk vis en zei dat ik het maar moest proberen. Ik liep in de richting van de vogel en het was of de vogel mij opmerkte en alsof ik geen vreemde van de vogel was. Ik dacht meteen weer aan mijn vogeljack. Ik naderde de vogel en stak mijn hand uit met de vis, die de vogel voorzichtig aanpakte. Met de andere hand krauwde ik onder zijn vleugel. De vogel maakte een laag brommend geluid en stak zijn kop in mijn richting, zodat ik die net aan kon raken. Die vogel mocht mij. Dit was al de 2de keer, dat ik merkte, dat ik goede banden met die vliegvogels had. Mijn gedachten gingen naar ons reisdoel. Ik moest ook een vogelfarm beginnen, maar dan alleen voor vliegvogels en niet in zo’n kleine gebouw, maar een groot terrein, met daarover een hoog net gespannen.

            Al mijmerend over vogels nam ik afscheid van de trainer, hem nog een muntje toeschuivend. De anderen van ons gezelschap wachten mee reeds op in de taverne van waar postkoetsen vertrokken richting de bergen. We konden ongeveer 150 kilometer met de postkoets naar het hoogstgelegen bergdorpje, vanwaar we verder moesten lopen over de pas. Er waren in dat dorpje wel gidsen aanwezig, die ons konden begeleiden tot boven op de pas maar misschien hadden we geen gidsen nodig. De koets zou over 2 uur vertrekken en tot die tijd aten we wat en rusten in de makkelijke stoelen.

            Het was midden op de dag toen we met de koets vertrokken. In de koets waren 8 zitplaatsen aanwezig en die waren allemaal bezet. Naast ons en tegenover ons zat een boerenfamilie, een boer met zijn vrouw met twee meisjes, die gezellig zaten te kletsen. De reis van 150 kilometer zou de rest van de dag duren. Het leek mij een gezinnetje, maar ik had al lang geleden van Natasha gehoord, dat kinderen naar kostscholen gingen en daarna hun ouders niet meer zagen. Ik wilde hier echter in aanwezigheid van iedereen niet over praten. Misschien hadden de boeren wel een gezinsleven zoals op aarde. Enfin ik zou hier waarschijnlijk nooit achter komen. De meisjes keken wel nieuwsgierig naar mij. Zo’n grote man met wat meer haargroei dan voor de Naplet standaard mensen gebruikelijk was, hadden ze nog nooit gezien Ik wilde wat zeggen en vroeg hun naar hun namen. Ze heten Margriet en Julia of dat maakte ik er in ieder geval van, Margriet was de bruine en Julia de blonde en de ietwat grotere. Beiden schatte is tussen de 16 en 19 jaren. Ze kwebbelden wat over hun school en de gebruikelijke dingen over jongens en kleding. Het leek wel de Aarde. Van Natasha had ik zulke dingen nooit gehoord, maar ze was ook een stuk ouder en had natuurlijk van alles meegemaakt. Ze gingen op bezoek bij hun ouders, die hun speciaal uit Libas hadden opgehaald. De meeste ouders deden dat niet, maar zij wilden nog contact met hun kinderen houden en dat was ook toegestaan. Daar hoorde ik de bevestiging van Natasha’s verhaal. De meeste ouderen deden niks meer met hun kinderen, in ieder geval de ouderen van de standaard mensen. Ze vroegen waar ik vandaan kwam. Ik kon het verhaal over parallelle werelden natuurlijk niet vertellen en ik hing een verhaal op over de grote bergen, waar ik een soort reiziger was op zoek naar nieuwe planten voor de landbouw en op zoek naar nieuwe typen vogels om als trekdier gebruikt te worden. Ze waren vol aandacht over mijn verhaal en ik zag Natasha een beetje grinniken over de fantasie waarmee ik mijn verhalen vertelde en de grootse beschrijvingen die ik gaf van de bergen. Dat laatste was niet moeilijk. We waren daar te voet doorheen getrokken. De meisjes waren behoorlijk onder de indruk van mij en de tijd ging snel voorbij. De ouders en ook Bert en Brigit zaten een beetje te dommelen in de koets totdat die plotseling stopte en wij in Halfweglibas waren aangekomen.

            In Halfweglibas werd ons een eenvoudige doch voedzame maaltijd geserveerd. Er was zelfs gekookte vis bij, maar die had weinig smaak. Er was nog heel wat te doen om met kruiden de smaak van vis op te krikken en Brigit maakte ook zo’n opmerking in die richting. Zij had gevoel voor smaak en zou zeker een goede kok worden in haar eigen restaurant. We aten samen met het boerengezin, maar die zeiden tijdens het eten bijna geen woord. Het was me opgevallen, dat er voor het eten niet gebeden werd. Zo’n  godsdienstige planeet als Naplet zou toch wel religieuze uitingen hebben tijdens de maaltijd? Dat was me tijdens de reis niet opgevallen en nu ook weer niet, dus zou dat wel niet het geval zijn.  Godsdienst was een onderdeel van het leven en dat zat in de genen, niet in de mond.

            Nadat vogels verwisseld en goederen afgeladen en opgeladen waren, ging de reis verder naar het bergdorp, Basil genaamd. In de verschillende landen leken dorps- en stadsnamen sterk op elkaar maar tussen de landen was dat niet het geval. In Basil aangekomen nodigde de boer ons uit om bij zijn gezin te logeren. Hij had gemerkt, dat ik het goed met zijn dochters kon vinden en ik dacht dat hij Brigit en Natasha ook wel aangenaam gezelschap vond. Bert nam hij dan maar op de koop toe. Een boerenknecht haalde hun van het postkoets station met een open kar, waarin we achterin konden zitten. De kar reed keurig over een bestraatte weg  naar het Noorden en na een uurtje kwamen we bij een complex van gebouwen aan. Dit was geen arme boer. Ik zag vele mensen op het land en er was zelfs een kleine wijngaard. We stapten uit en de boer wees ons een paar vertrekken in één van de gebouwen waar we konden slapen. De zon raakte alreeds de horizon, de mooiste tijd van de Naplet dag, dacht ik. Toen we ons een beetje ingericht had, kwam de boer terug en wilde als een trotse boer, ons wel een beetje rondleiden over zijn boerderij. Hij wees naar bomen in de verte tot waar zijn land reikte en dat was gauw een aantal kilometers. Achter zijn land begon de woeste grond richting bergen. Daar woonde niemand meer, misschien alleen een paar zwervers en struikrovers. Daar ging ook bijna niemand ooit heen. Je reisde alleen in de beschaafde wereld en niet daarbuiten, dat was niet Gods land, dat was niemandsland.

            Het eerste liep hij naar zijn trots, een kleine wijnmakerij. Ik zag de bakken met druiven, die geplet moesten worden, de gistkuipen, filters en de grote houten fusten, waarin de wijn gerijpt werd. Verderop stonden honderden, duizenden flessen, die nog gevuld moesten worden, achterin de wijnschuur was een trapje . De boer stak een kaars aan en daar beneden aan het trapje was een lage kelder met gemetselde rekken. Daarin lagen flessen, stapels flessen en hoe verder in de kelder hoe ouder de flessen waren. Er stonden tekentjes op de flessen, waaraan de boer kon zien wanneer die fles gebotteld was. In Aardse jaren waren er flessen bij, die wel 15-20 jaar oud waren. Hij pakte een fles en nam die mee naar boven. De flessen waren voorzien van een kurk die half uit de fles stak. Met enige kracht was die kurk zo uit de fles te trekken. In een hoekje van de schuur stond een tafeltje en een paar stoelen en nog enige lege flessen. Daar liet hij mij de wijn proeven. Ik had in België al vele wijnen geproefd ook tijdens lunches, maar deze wijn behoorde tot de beste die ik ooit gedronken had. Ik gaf de boer een groot compliment en zijn borst zwol een beetje op. We konden hier wel uren blijven zitten, maar hij had geen tijd. Hij wilde me ook de rest van de boerderij laten zien. Het was gewoon een boerderij maar dan zonder koeien. Hij had wel een ren met loopvogels, die hij opfokte en die dan naar Basil ging op te worden getraind. Loopvogels schenen een lucratieve business te zijn.  Er waren vele gebouwen waar koren, vruchten en knollen en groenten en een groot type aardappels opgeslagen werden. Er was zelfs een gebouw met daarin een groot aantal kookketels waarin knollen, groenten en ook vruchten gekookt werden en in glazen of stenen potten ingemaakt werden. Er was hier al sprake van industriële verwerking van landbouwproducten. Dit was een rijke boer met veel mensen aan het werk en met blijkbaar ook nog een heel gezin, iets dat niet veel voorkwam op Naplet.

            Ik was zonder nog meer onder de indruk, maar had de boer al genoeg complimenten gemaakt. Terug bij de anderen vertelde ik wat ik allemaal gezien had en ook zij complimenteerden de boer met zijn mooi landgoed.  De boer beantwoordde onze complimenten met een uitnodiging, dat we hier zo lang als we wilden zouden kunnen verblijven en we maakten daar gebruik van om deze nacht nog op de boerderij te blijven en dan vroeg de volgende morgen te vertrekken, de bergen in. De boer wist dat één van zijn medewerkers een groot kenner van de bergen was en bood aan, dat hij ons zou begeleiden tot de pas. Die man was er een van het gorilla type en was binnen de kortste keren maatjes met Bert. Hij vertelde ons, wat we allemaal zouden tegenkomen. Er waren wat kolonies van loopvogels en vliegvogels en er was ook een mierenkolonie, die zich langzaam verplaatste. Hij kon ons makkelijk langs die kolonie heenleiden en dit horende, waren we blij met zulk een begeleider.

            We gebruikten de nacht om goed uit te rusten en een voorraad voedsel uit te zoeken voor de reis. Er was wat gedroogde vis maar ook voorgekookte knollen en vruchten. Bert vertelde onze gids gloedvol over onze voorgaande avonturen en wat we van plan waren in Tan en hij vertelde over het vissen wat hij gedaan had en in Tan wilde doen. De gids had daar wel oren naar. In bedekte woorden vertelde hij, dat deze boer niet altijd gemakkelijk was, vooral niet voor de gorilla mensen.

            In de vroege morgen namen we afscheid van boer, boerin en zijn dochters. Ik was die nacht veel met de dochters omgegaan en had verhalen verteld over verre landen, verre reizen en exotische gebeurtenissen. Ik had de Aarde daarin ook een beetje betrokken, zonder natuurlijk te vertellen, dat ik van die parallelle wereld kwam. Ze hadden me toch niet geloofd. De dochters waren een beetje bedroefd, dat we vertrokken, maar dat was nu eenmaal het lot van reizen, aankomen en vertrekken, begroeten en afscheid nemen. Bert en zijn maatje Edward liepen al kwekkend voorop. Ze gebruikten geen gedachtenpraten, maar het taaltje van de Gorilla mensen uit de bergen, wat Edward blijkbaar ook verstond. Brigit, Natasha en ik liepen er achteraan, bepakt met onze rugzakken, in onze wandelkleren en bezakt met het nodige proviand. Dit was een makkelijk tochtje vergeleken met wat we allemaal al meegemaakt hadden. Ik verheugde me weer op de uitzichten, maar de uitzichten bij het klimmen waren wat minder dan bij het dalen en daarom keek ik af en toe achterom en zag Basil en de boerderijen achter me in de verte, in de gloed van de oranje zon en met de vele kleuren, die zo typisch waren voor Naplet. De tocht liep voorspoedig alhoewel dit toch een redelijk steile pas was en de vermoeidheid toch langzaam toesloeg. Na vier uur lopen hielden we een pauze van een uur en daarna na acht uur lopen een langere rustpauze om uitgebreid te eten en een beetje te slapen. We waren nog steeds in de morgen van Naplet en ondanks, dat we 1000 meter geklommen waren, was het nog redelijk warm. We waren nu op een hoogte van zo’n 2500 meter en we moesten nog zeker 1500 meter klimmen.  Het zou toch zeker in de vroege nacht duren voordat we op het hoogste punt van deze pas waren afgelangd.  Ik dommelde een beetje in en zag een heel mooi huis voor me aan een groot meer, een huis met een grote veranda en een uitgestrekte tuin, die uitliep in het meer waaraan een paar steigers gebouwd waren. Aan die steigers lagen een paar boten, duidelijk vissersboten en een klein plezier jacht. Ik zat in die tuin met mijn voortreffelijke wijn en zag hoe een vissersboot binnenkwam met gevulde netten en kort daarna werd ik wakker. De anderen waren al aan het eten en ik moest voortmaken om ook nog iets te eten en te drinken te krijgen. Iedereen was duidelijk van plan deze pas zo snel mogelijk te beklimmen. Gedurende de tocht kwamen we geen mens tegen. Wel een paar loopvogel gezinnen en boven op een rotswand ook een grote vliegvogel paar maar geen mensen, helemaal geen mensen. Naplettaners trokken niet graag door de bergen. Misschien was het niet de vakantietijd. Aan het einde van de 2de dagwake wees Edward in de verte. Daar was een uitloper van de mierenkolonie, waar de met een grote boog omheen liepen. Het landschap was hier duidelijk kaler, maar je zag al weer de eerste scheuten van de nieuwe begroeiing. Het land herstelde zich snel van de mieren.

            In de 2de helft van de dag kwamen we op hoogten, waar de bomen duidelijk kleiner en het gras duidelijk minder hoog was. Het verbaasde me echter, dat er nog steeds fruitbomen stonden, die vele vruchten droegen. Dat had ik ook al in de hoge bergen bemerkt op het middenrif van Naplet. Door de lange dagen en misschien de hoge concentratie zuurstof kregen die bomen ook hier op grote hoogte lang genoeg zonlicht om toch vruchten te produceren. De temperatuur was nog aangenaam, zo rond de 20 graden en was niet veel gezakt ten opzichte van de temperatuur in het dal.  We waren nu 1000 meter onder de pashoogte van ruim 4000 meter en er waren hier meer rotsblokken, waardoor de voettocht moeilijker werd, maar Bert en Edward bleven maar praten en stevig doorlopen ondanks hun korte beentjes.

            Het duurde tot 4 uur na zonsondergang totdat we de pashoogte bereikten. Iedereen was vermoeid van het laatste stuk van de klim en we besloten hier een uitgebreide rustpauze in te lassen. Lopen in het donker was toch een stuk moeilijker. We hadden een kleine 100 kilometer gelopen en de afdaling plus de tocht naar Tan waren nog wel een 200 kilometer. Bert kwam schielijk bij me en had duidelijk een vraag. Het gaat over Edward vertrouwde hij mij toe in zijn gebroken gedachtepraten. Edward wil eigenlijk niet terug naar zijn boer. Hij zou met ons willen meegaan om te helpen de visserij en het restaurant op te bouwen. Ik was aangenaam verrast. We konden wel iemand gebruiken, vooral zo’n flinke kerel als Edward en ik antwoordde Bert, dat Edward van harte welkom was om ons te helpen en te ondersteunen. Hij zou samen met Bert wel een vissersboot kunnen runnen, geheel onder eigen verantwoordelijkheid. Bert sprong een gat in de lucht en rende naar Edward om het goede nieuws te vertellen. Ik liep naar de dames met dat nieuws en zij waren eveneens verheugd. We konden vele handen gebruiken om ons plan waar te maken, om ons te settelen in Tan.

            Na een lange rustpauze vertrokken we in het donker. Het gezelschap was aanmerkelijk stiller dan bij de beklimming van de pas en ik had het gevoel, dat Natasha in gedachten verzonken was. Tsja, we zijn er bijna, dacht Natasha voor haarzelf. Dit is waarschijnlijk het einde van mijn avontuurlijke leven en zal ik gaan settelen in mijn geboorteplaats. Ik weet niet of ik dat leuk vind. De laatste 100 dagen of zo was spannend en avontuurlijk geweest en met een kerel als Peter, maar ook met Brigit en Bert was het aangenaam en afwisselend geweest. Maar misschien moest ze niet zeuren. Misschien zou ze nu echt volwassen worden en iets voor haar zelf beginnen samen met de anderen. En langzaam groeide het besef in haar hoofd van een restaurant en wat daar allemaal aan vast zat. Eerst en gebouw vinden, dan de hele zaak inrichten en dan het plannen van de menu’s en alle andere zaken, die zo bij een restaurant hoorden. Brigit had belangstelling getoond voor het koken en had ook enig verstand van kruiden en van het kruiden van het eten. Met een beetje overleg zou dat wel goed komen. En dan peter. Ze wilde graag met hem verder leven, met die vreemde grote man met zijn onrustige geest. Hij schopte maar tegen de kerk en de Godsdienst die ze preekten. Hij schopte vooral tegen de methode waarop ze dat deden en dat kon ze goed begrijpen, zij die voor de kerk gewerkt had als hoer, zij die de priesters moest dienen met al hun perverse ideeën.  Neen, misschien was het wel goed om een langere tijd op een plek te zitten met een duidelijk doel en met vrienden om je heen.

Brigit liep met de twee mannetjes op en ik sloot het gezelschap. Zo liepen we uren door in het zelfde tempo als bij de beklimming, maar het was minder vermoeiend. Toen de eerste schemering begon, waren we al duizenden meters gedaald en regende het een beetje. De bewolking hing redelijk laag maar er was geen mist zodat we een prachtig uitzicht hadden op het meer van Tan en de plaats Tan aan de overzijde van het meer. We liepen niet ver van de oever van een beek, die al bijna tot een rivier was uitgegroeid. We hadden daar die nacht niet echt op gelet, maar Naplet herhaalde zich land naar land. De uitzichten waren echter steeds verschillend en ik was nog altijd verbaasd en verwonderd over deze vergezichten. Het meer van Tan leek me  veel groter dan het meer van Libas en Tan leek me een middelgrote provincie plaats en ik herinnerde me vaag iets van 50000 inwoners. Tan was belangrijk vanwege zijn visserij en de grote snoeken, die levend vervoerd werden met de treinen naar Anter en dan verder per schip. Iedereen was in een vrolijke stemming en vol verwachting over wat ons in Tan te wachten stond. De voettocht liep daarom  bijzonder snel en het duurde nauwelijks acht uur tot aan de oever van het meer. Er stond een korte, lage golfslag, een liefelijk meer aan de voet van de bergen. We waren al door boomgaarden gelopen en iets verderop scheen een klein dorpje te zijn met een aanlegplaats voor boten. Er was hier inderdaad een concentratie van een aantal huizen net als aan de grote B-rivier toen we uit de bergen kwamen. Wat vissershuisjes aan het meer, een lokale kroeg, die ook dienstdeed als restaurant en winkel en wat kleien ambachtelijke huisjes met kleding, schoeisel, maar ook visgerei en potten en pannen voor de keuken, meestal uitgevoerd in hout of keramiek. Neen, een klein dorpje met van alles. Zoals gewoonlijk zochten we direct de kroeg op, die redelijk gevuld was met de lokale bevolking. Ik hoorde wat geroezemoes in mijn hoofd. De lokale bevolking was duidelijk nieuwsgierig naar ons. Waarschijnlijk was hier nog nooit zo’n vreemd gezelschap geweest en nog wel vanuit de bergen. Er kwam nooit iemand over de bergen, de mensen kwamen altijd uit Tan. We bestelden eten en drinken en natuurlijk was dat vis met bier, alhoewel, ik zag daar enkele vaten staan en op navraag bleek dat cider te zijn gegist van de lokale vruchten, die veel op als appels leken. Ik switchte mijn drankbestelling naar cider, een heerlijk frisse drank met een niet al te hoog percentage alcohol. Ik zou hier alcoholist worden net de als de alcoholisten in de dorpen in Spanje, Frankrijk of Portugal. De meisjes switchten ook naar cider, maar Bert en Edward hielden het bij bier. Edward had een stralende uitdrukking in zijn ogen net alsof hij in een nieuw leven was terechtgekomen en dat was ook zo.  Bert en Edward waren direct dikke vrienden geworden en dat zou een heel goede zaak kunnen zijn bij de uitvoering van de plannen. Ik had Bert leren appreciëren gedurende de reis vanwege zijn enthousiasme en initiatief en als Edward uit het zelfde hout gesneden was, dan waren vissen en een visrestaurant een fluitje van een cent.

            We vroegen de kroegbaas hoe het beste naar Tan te gaan en dat bleek met de boot te zijn. Die vertrok 4x per dag maar niet ’s nachts. De volgende vertrektijd was over ongeveer 2 aarduur en wij besloten die boot maar te nemen. De boottocht was prachtig. Aan de vertrekkende kant zagen we de bergen, waar we van afgedaald waren. Aan de overkant lag Tan. Een middelgrote stad met overwegend lage gebouwen. Alleen enkele kerktorens staken boven de stad uit. Tan leek dichtbij, maar door de verre horizon was het minimaal nog 50 kilometer. Het meer van Tan was groot, zo’n 50 bij 200 kilometer en ook heel diep. Er waren plaatsen waar het dieper was dan 100 meter, maar de precieze diepte was niet bekend. Het meer was beroemd door zijn lekkere snoeken en snoekbaarzen, die tot aan de Noordrand in levende vorm geëxporteerd werden, maar er kwamen ook talloze andere vissen voor. Het water bevatte nog weinig zouten omdat het direct van de bergen kwam. De zout concentratie nam toe in de richting naar de grote rivieren, die brakwater bevatten, iets dat we maar al te duidelijk geproefd hadden op onze tocht. De boot voer langzaam. Er was weinig wind en alles vaart moest met menskracht opgebracht worden. De roeiers op deze boot hadden een permanente baan van roeien, maar de boot was ook niet al te groot, zodat het roeien relatief gemakkelijk ging. Nogmaals, het was een heerlijke tocht in de opklarende lucht met niet al te hoge temperatuur. Bert en Edward zaten te genieten en te praten hoe ze op deze wateren vis zouden vangen. Een vissersboot met netten en hengels, niet langer dan 8 meter en rank om het roeien makkelijk te maken. Brigit en Natasha praten over een restaurant met lekkere vismaaltijden en gekruid door Natasha. Ze zou gaan experimenteren met kruiden en de lekkerste maaltijden serveren. Ik dacht aan de Aarde, aan mijn vakantie huis in het Zuiden en hoe ik op een terras zat en genoot van de zon, het water en de drank, mijmerend over het leven, God en de kerk, de kerk! Ik moest voorzichtig zijn. Op Rondu was de kerk almachtig, de maat aller dingen. Ik zou een groepje oprichten om over geloof en leven te praten. Langzaam moesten de mensen inzien dat hun geloof niet het enige was wat bestond. Er was meer tussen hemel en Aarde, pardon Naplet.

            We arriveerden na 5 uur in Tan. De aanlegplaats van de boot was in het centrum van Tan, zo leek het wel. Er was een drukte van belang en de mensen zoemden om ons heen. Het was echter een aantrekkelijke plek. Er was veel groen langs de oevers van het meer met hier en daar grote huizen met de tuin op het meer. We zochten een voorlopige verblijfplaats en een wat oudere dame vertelde ons, dat ze kamers verhuurde in zo’n huis aan het meer. Ze had 2 grote kamers en één wat kleinere voor een schappelijke prijs. Bovendien deed ze de was en zorgde voor eten. Aan de rand van het meer was een soort zwembad met douche en toi;letgelegenheid, maar ook in het huis was een badkamer en toilet. We besloten op het aanbod van de dame in te gaan en liepen met haar mee in de richting van haar huis over een met klinkers verharde weg. Na een paar minuten liepen we voorbij een prachtig huis met een aanlegsteiger en enkele bijgebouwen, maar dat huis zag er erg vervallen uit. Ik vroeg onze gastvrouw, wat er met dat huis aan de hand was. Ze vertelde in het kort een droevig verhaal over een gezin, dat daar gewoond had, maar op tragische wijze in zijn geheel in het meer verdronken was. Het huis stond al tientallen Napletdagen leeg en het was een schande, dat niemand er iets aan deed. Het werd een wildernis, die de buurt verstoorde. Ik vroeg belangstellend of er nu iemand eigenaar van dat huis was, maar ze wist het niet. Ze dacht echter dat het huis nu aan de kerk behoorde en dat die er niets mee deed. Ik moest maar de plaatselijke priester vragen, die naast de grote kerk woonde en ze wees me de kerk aan. Ik was helemaal enthousiast. Dit was de plek voor ons huis, ons restaurant en de aanlegplek was heel geschikt voor een paar vissersboten, de verse vis zo op het bord.

            Na ons ingericht te hebben bij onze gastvrouw in een groot, maar onaantrekkelijk huis wilde ik direct informatie over het lege huis aan het meer inwinnen en samen met Natasha liepen we naar de kerk en vonden al spoedig het huis van de priester. Zijn dienstmaagd deed open en meldde dat de priester niet thuis was maar zat te eten in een restaurant in de buurt en zij wees die aan. De priester zat altijd op dezelfde plek in het restaurant, die voor hem gereserveerd was. Hij was één van de belangrijkste en machtigste mannen van Tan. In het restaurant zagen we de priester direct zitten, bezig met zijn nagerecht. Ik liep op hem toe en hij keek me verbaasd aan. In mijn mooiste gedachtepraten stelde ik me voor en vroeg hem naar het lege huis aan het meer. Hij werd direct belangstellend en vroeg mij en Natasha bij hem te gaan zitten en te praten over dat huis. Hij kwam met hetzelfde verhaal als onze gastvrouw over het verdronken gezin en dat het huis aan de kerk vervallen was. De kerk zat er een beetje mee in de maag, want nog niemand had belangstelling getoond voor het huis. De kerk wilde het wel verkopen, maar in Tan waren geen mensen, die die prijs konden of wilden betalen en zo verpieterde het huis steeds. Hij mocht er geen geld aan besteden van de kerk. Ik vroeg naar de prijs en die bleek ongeveer driekwart van ons overgebleven kapitaal te zijn  en een beetje zwartgeld voor de priester voegde hij eraan toe. Niet op zo’n directe manier, maar daar kwam het wel op neer. Natasha zei de priester, dat ze het een schandelijk hoge prijs vond voor zo’n bouwval, maar ik hield mijn gedachten stil. Ik had het wel voor nog een hogere prijs willen kopen, maar ik liet haar onderhandelen met de priester en inderdaad ging de prijs behoorlijk naar beneden tot wel de helft van ons overgebleven kapitaal. Op dat moment gedachtesprak ik ineens en vertelde de priester dat we akkoord waren en nu moesten onderhandelen hoe de eigendomsoverdracht zou moeten plaatsvinden. Natasha keek boos naar mij, maar toen de priester even niet keek, glimlachte ze. Ze was het helemaal met mij eens, dat het een koopje was. De priester vertelde, dat de eigendomspapieren nog in orde gemaakt moesten worden, maar dat we al de volgende dag over het huis konden beschikken en dat we nu direct al een sleutel konden krijgen als we 10% van het afgesproken bedrag direct betaalden. Zoveel geld had ik wel bij me, maar ik deed of ik het nog moest halen. Over een uur zouden we ons bij zijn huis vervoegen met de afgesproken som geld. We liepen stilletjes het restaurant uit en 100 meter verder sprongen juichend in elkaars armen. Dit was geluk hebben zoals we de hele reis geluk hadden en we liepen snel naar ons pension om de anderen het goeie nieuws te vertellen. Iedereen was enthousiast, vooral Bert en ik vroeg ook iedereen om mee te gaan om de sleutel op te halen. Binnen een uur waren we bij het huis van de priester en we werden als belangrijke mensen in de grote kamer binnengelaten. Ik haalde het geld tevoorschijn en legde het demonstratief op tafel. De priester had al een soort papier voor hem liggen en vroeg de namen van de nieuwe eigenaren, die hij in het officiële contract zou kunnen vermelden. Ik vroeg hem het huis op drie namen te zetten, Natasha, Brigit en Bert, neen doe maar op vier namen, voeg Edward  ook maar toe. Mijn reisgezelschap keek verbaasd, maar ik wilde mijn naam niet vermeld zien. Ik had zo het gevoel, dat een officieel stuk wel eens bij de belangrijke mannen aan de Noordrand bekend zou kunnen worden en ook bij Mils, als die nog leefde. Ik was te belangrijk om dan niet door een troep kerksoldaten te worden opgehaald hier uit Tan. Edward voelde zich zeer vereerd, hij die zich nog maar net bij ons gezelschap had aangesloten, maar ik wilde geen stiefkinderen maken. Van de toekomstige eigenaren werden afdrukken van beide duimen genomen, die aan het officiële document werden toegevoegd. Ze werden in het naamregister van Tan bijgeschreven, daar zou de priester wel voor zorgen. Het was ook in zijn nopjes vanwege de verkoop van het huis en had in zijn gedachten al een gedeelte van het geld voor hemzelf gereserveerd. Hij had nog een buitenhuisje aan de overkant van het meer en dat had een opknapbeurt nodig. We kregen de sleutel overhandigt, een soort vogelbeen met bepaalde kerven, die de poort kon openen en ook de voordeur van het hoofdhuis en toen  vertrokken wij richting ons nieuwe bezit. Het grondstuk was groot, wel 10000 m2  en er stonden wel vijf gebouwen naast het hoofdhuis. Ik paste de grootte van het hoofdhuis af en dat was wel 20 bij 20 meter met een veranda met uitzicht op het meer. De veranda sloot aan op een grote pronkkamer van wel 150 m2 , een kamer, die ideaal geschikt was om als restaurant te dienen. Achter de pronkkamer was een primitieve keuken met een grote schouw met een schoorsteen op dak. Daarnaast waren er nog wel 10 kamers, alle van de grootte van ongeveer 20 m2 en geschikt voor diverse ruimtes binnen een restaurant, een paar voorraadkamers, een toiletblok, een rustkamer en misschien nog wel meer. Ik liep samen met Natasha en Brigit en zij hadden ongeveer dezelfde ideeën. Er moest nog wel heel wat verbouwd worden, ook de veranda moest uitgebouwd worden tot een buitenterras, maar in principe was dit een uitermate geschikt gebouw voor een restaurant. Opgewonden gingen we op de veranda en het was een gepraat in mijn kop met allerlei ideeën.  Bert en Edward sloten zich bij ons aan ook al enthousiast over de aanlegsteiger, geschikt voor misschien wel vier grotere boten en de mooie maar verwaarloosde tuin. Met zijn allen maakten we een rondje over het terrein en bekeken de rest van de gebouwen, variërend in grootte van 50 tot 150 m2. Meteen werden er al 3 woonhuizen gepland. Het gebouw, het dichtst bij het meer kon als schuur dienen voor opslag van boot onderdelen en verdere kleine zaken. Het grootste bijgebouw kon een gasten verblijf worden voor 6 tot acht gasten. Dat gebouw had ook kleine veranda met uitzicht op de zee. Dit was de plek waar ik de rest van mijn leven kon door brengen, hier kon ik filosoferen, schrijven, met andere mensen praten, eten en drinken en meer was niet nodig. Ik was in principe een lui persoon, die aan weinig zaken genoeg had als mijn geest maar af en toe geprikkeld werd. Maar hoe heel die verbouwing aan te pakken, hoe aan vissersboten te komen? We waren onbekend in deze stad, we moesten iemand hebben, die bekend was en zaken kon regelen. We hadden nog relatief veel geld, maar dit zou een ingrijpende operatie worden en veel geld kosten.

            De hele dag waren we bezig met plannen maken, plannen verwerpen, nieuwe plannen maken enzovoort. Ook een gedeelte van de nacht waren we bezig alhoewel veel geslapen werd en er relatief veel cider ingenomen werd. Natasha was daarbij weer het multitalent, die ook in de wieg was gelegd als architect. Zij wist wat ze wilde en moest de herbouw maar leiden en samen met Brigit zou zij de verbouwing wel in goede banen leiden. De mannetjes waren alleen bezig met het vissen en de boot die ze wilden kopen. En natuurlijk een kleine verbouwing van de aanlegsteiger. Ik sloot me een beetje bij de mannetjes aan. Vissen was gedurende de reis ook een belangstelling van mij geworden. Alleen voor mijn eigen woning, het kleinste gebouw, had ik wat specifieke wensen, zoals een mooie veranda en een goede badkamer met een wat groter toilet. Aan één slaapkamer en een zitkamer met kleine keuken had ik wel genoeg. Ik was toch niet van plan ooit zelf te koken. Neen, ik zou de beste klant van ons restaurant worden. Er was nog een ding. Aan de overkant van het meer had ik vele velden met appels maar ook met vele typen druiven gezien. De druiven waren eigenlijk niet netje in rijen van druivenstokken geordend, maar toch. Je zou er goede wijn van kunnen maken zoals de grote boer aan de overkant van de bergen dat voor elkaar had. Misschien waren er wel wijnboeren. Voor onze keuken hadden we een voorraad drank, vooral wijn nodig en ik zou daar wel voor kunnen zorgen.

            De volgende morgen gingen we met zijn allen naar het huis van de priester naast de kerk. Ik had mijn rugzak met geld meegenomen en mijn vogeljack aangetrokken om indruk te maken van een rijke, welgestelde heer. De priester had alle documenten al klaarliggen, zodat de procedure in en korte tijd geregeld was en wij officieel eigenaar van het grondstuk met huizen werden. Er was ook een gemeenteambtenaar aanwezig, die de registratie in een kadaster zou onderbrengen. Ik overhandigde het geld en de priester sloot dat haastig op in een grote houten kist, een soort schatkamer voor hem. Bij de koffie, iets andere koffie dan op de Aarde, vertelden we iets over onze plannen en de gemeente ambtenaar luisterde aandachtig toe. Hij bleek ook een aannemer te zijn van bouwwerken en hij maakte een paar zinnige opmerkingen aangaande onze plannen. Hij leek me wel geschikt om onze verbouwing aan te nemen. Hij had relaties met het bestuur en de kerk en was bovendien bouwondernemer zodat plannen aanzienlijk sneller zouden kunnen worden gerealiseerd dan bij wie dan ook. Wij besloten daarom ook naar de koop verder met hem te praten. Ik liet dat weer over aan Natasha en Brigit. Natshasa was een veel betere onderhandelaar dan ik zelf. Mij kon het geld niet zoveel schelen. Die muntjes vertegenwoordigden voor mij niet echt enige waarde alhoewel ze op onze reis enorm geholpen hadden. Na de verbouwing en de boten zouden we wel zo goed als blut zijn. Dan moesten restaurant en visserij de kosten van ons levensonderhoud dragen. Ik was meer geïnteresseerd in de visserij en de dranken, die we op voorraag zouden moeten hebben. Daarom nam de mannetjes en ik afscheid van Natasha en Brigit en de gemeente ambtenaar annex bouwondernemer en liepen we langs de oever van het meer richting een concentratie van vissersboten. Het was ondertussen het 2de deel van de tweede dagwake en de vissers waren met een vangst terug van het meer. We keken nieuwsgierig naar vooral de vangst van de kleinere meer ambachtelijke vissers en daar zat van alles bij afhankelijk van de methode van vangen, netten, kooien, lijnen met haken en hier en daar ook nog een hengelstok, maar dat was eigenlijk niet echt professioneel. Aan de vislijnen weden vooral een kleine soort tonijn en zeebaars gevangen, allemaal vissen van één tot enkele kilo’s. Ze vingen er niet erg veel, maar dat soort vissen was wel zeer in trek. Ook was er een enkele snoek van 5 kilo of meer, maar dat was meer het monopolie van de grote boten, de beroemde snoek, die veelal geëxporteerd werd. Voor het restaurant was ik eigenlijk niet zozeer op de snoek uit. De tonijn en zeebaars leken me aantrekkelijker. In de netten zaten meerdere soorten kleine vis, waarbij hoofdzakelijk een soort sardine, een vis van ¼ tot ½ kilo met een nogal sterke smaak. Die vis was in grote hoeveelheden en elk dagdeel te koop en we wilden daarom niet aan de netvangst meedoen. Het was beter om die elke dagwake vers te kopen van de lokale vissers op het marktplaatsje dichtbij deze vissers of misschien wel direct van één of andere visser, die dan een leverancier voor het restaurant werd.

            De kooien bevatten kreeften en grote garnalen en die trokken me direct aan. Die moesten we ook vangen, zulke kooien moesten we ook hebben. Bert en Edward liepen in de richting van een middenklasse boot met een kleine hut en een klein vooronder en stonden dat schip te bewonderen. De boot zag er een beetje gehavend uit en had wel een likje verf nodig. De boot leek ongebruikt en bij nadere informatie bleek, dat deze visser ermee gestopt was. Hij was oud geworden en zijn kinderen hadden geen belangstelling meer voor het vissen. Misschien weer geluk, onze reis hing van geluk aan elkaar. We vroegen of die boot te koop was en de vissers verwezen ons naar een klein huisje 100 meter verderop. Daar zou de oude visser wonen. Hij was niet thuis, maar er was een kroegje in de buurt en vroegen naar informatie omtrent die visser. Natuurlijk zat hij in die kroeg, een verweerd klein mannetje. Alhoewel hij van het standaard ras was, was hij niet groter dan Bert of Edward. Ik boot hem een bier aan wat hij maar al te graag accepteerde en vroeg naar zijn boot. Bert en Edward waren stil en hoewel ze aardig gedachten konden praten lieten ze mij het woord. Hij zei, dat het een uitstekende boot was en met een likje verf kon het zo weer het meer op. Hij wilde zelfs wel meehelpen met de eerste vangsten. Hij wist een aantal uitstekende plekjes waar de beste vis zat. Hij was altijd een lijn en een kooivisser geweest en had nog een grote voorraad lijnen en kooien. Belangstellend vroegen we of we de boot konden kopen en of hij dan bereid was ons een beetje met het vissen te helpen. Zijn gezicht begon helemaal te stralen en hij glimlachte over zijn hele gezicht. Dit was waarop hij gewacht had, amateur vissers die zijn boot wilden kopen en ook nog gebruik wilden maken van zijn diensten. Dat was een doel waarna hij voor de rest van zijn leven had verlangd en hij vroeg ook een belachelijk lage prijs voor zijn boot, een prijs die we direct accepteerden en benatten met nog een aantal glazen bier. Licht tot een beetje aangeschoten gingen we naar ons pension terug waar ik direct in een lange droomloze slaap viel.

 

14. De restaurant, de wijn en het vissen in Tan

 

            Ik werd wakker gemaakt door Natasha in het begin van de 3de dagwake. Ik had een beetje een kater en moest eerst naar het toilet en mij een beetje fatsoeneren alvorens ik aanspreekbaar was. Na een half uurtje vervoegde ik mij bij het ontbijt, een eenvoudig voedzaam ontbijt met grof brood , wat zoetigheden en veel fruit en fruitsappen. Ze wilde me op de hoogde brengen van de bouwontwikkelingen. Ze had een aantal papieren met schetsen en tekeningen bij zich, die al uitgewerkt en met de bouwondernemer doorgepraat waren. Dat noemde ik nog eens vlot werk. De verbouwing zou de volgende dag al beginnen en ze noemde me ook een prijs, die me hartstikke meeviel. Het was slechts de helft van het geld wat we nog overhadden, dus de helft van de koopprijs. Na deze verbouwing en de koop van de boot bezaten we nog zo’n 100 nikkelen munten en wat kopergeld, dus ongeveer nog 1/10de van waarmee we gestart waren. Een deel van dat geld was nodig voor inrichting van restaurant en huizen en voor de boot. Daarna was het geld zo goed als op en moesten we als ondernemers leven. Het leek me, dat dat ons wel zou lukken. We waren een goed team en Natasha was de beste kapitein, die je kon hebben. Ik keek de tekeningen en knikte goedkeurend. Dat ziet er formidabel uit zei ik haar en ze bloosde een beetje. Dit was datgene waar ze echt goed in was, organiseren, regelen, mensen ompraten en aan het werk zetten. Die meid kon alles, zo één had ik op de aarde nog niet ontmoet, ook niet een mannelijk exemplaar. Ik kon de bouw verder wel aan haar en Brigit overlaten. Ik was meer geïnteresseerd in het vissen en vooral de dranken, zoals wijn, cider of iets sterkers, die we in het restaurant konden reserveren en ook goed waren voor privé gebruik. Ik vroeg waar Bert en Edward waren, maar die schenen al een paar uren weg te zijn en ik wist wel waar naar toe. Snel besloot ik dit 3de dagwake ontbijt en liep richting de vissersplek, waar de boot van de oude vissersman lag en toen ik er aan kwam, had gelegen. De boot was er niet meer en ik bedacht, dat ze misschien naar ons nieuwe huis waren gevaren en dus liep ik snel weer terug naar die plek. Er waren al verschillende mensen actief op dat terrein. Natasha maakte er meteen werk van en ik zag haar lopen met de ambtenaar annex bouwondernemer. Ze waren in druk gesprek en ze zag me niet eens, zo was ze bezig met die man. Ik liep snel naar de aanlegsteiger en zag in de verte de boot aankomen, die binnen een half uur keurig afmeerde waarna Bert, Edward en de oude man op de kade sprongen alsof dat de gewoonste zaak van de wereld was. Die oude man kon echt iets voor ons betekenen. Misschien konden we hem in dienst nemen als deel van het vissersteam. Ik vroeg de man naar zijn naam en hij bleek Pierre te heten, in ieder geval zo klonk het in het gedachtepraten. Ik vroeg hem of hij de 20 nikkelen munten direct wilde, de prijs van de boot, of dat hij het op een andere wijze wilde. Hij wilde het geld niet zei hij onmiddellijk althans niet in één keer. Als hij elke Naplet dag maar 5 koperen munten kreeg, dan was hij zeer tevreden. Als hij het geld in één keer kreeg werd het toch maar verzopen en verbrast. Ik vond dat een zeer verstandige beslissing en zo’n verstandige man konden we gebruiken in ons restaurant annex visserij. Ik ging samen met Bert, Edward en Pierre op de steiger en keek uit over het meer. We waren een ogenblik stil van het uitzicht. Het blauwe water met hier en daar wat bootjes stak prachtig af tegen de bergen op de achtergrond, hoofdzakelijk van groene kleuren, maar ook geel, bruin en rood kwamen voor als plukjes in het groen. Ik kwam in een weemoedige maar gelukkige stemming. Pierre, gedachtesprak ik, we kunnen je goed gebruiken. Zou jij hier niet willen werken als vissersman met misschien een paar klusjes, zoals het opknappen van de steiger? We kunnen je niet veel betalen, maar een paar koperstukken per dag is zo mogelijk. Pierre kreeg tranen in zijn ogen. Dat was waarop hij gewacht had. Het vissen werd te zwaar maar een paar klusjes en af en toe meevaren op de boot leek hem het beste wat hem overkwam. Natuurlijk wil ik dat, zei hij maar al te graag en zo breidde zich onze groep opnieuw met een persoon uit.

            De rest van de dag bracht ik in ledigheid door. Ik slenterde door Tan en zag vele kleine huizen met daartussen neringdoenden van allerlei pluimage meestal in relatie met vissen of visserij. Het aantal restaurants was niet groot en de kwaliteit van het restaurant, waar ik at, liet redelijk te wensen over. Wel had het restaurant een verbazingwekkend goede, rode wijn, relatief zwaar, die me deed denken aan een Cabernet-Sauvignon uit de Bordeaux of de Saint-Emilion streek. Ik vroeg de kelner ernaar en hij verwees mij naar de eigenaar. Die liet vol trots zijn voorraad wijn zien gelagerd in een donker hok achter zijn restaurant. Er lagen wel 10 soorten wijn zes rode, drie witte en een rosé. Ik proefde van alle, de rode Carbernet-Sauvignon, een Merlot en nog een paar van die soorten, de witte liepen van Sauvignon-Blanc, relatief droog, naar Chardonnay, ietwat zoeter en er was een witte die verdomd veel op een Gewürztraminer leek, mijn lievelingswitte wijn op een donkere winteravond met een goed boek. De rosé had wel iets weg van een Mateus rosé uit Portugal.   Na van al dat lekkers genoten te hebben liep hij naar een hoekje van de schuur. Daar stond een relatief klein vat, misschien 50 liter inhoud, waar hij een beetje uittapte. Alhoewel ik al aardig aangeschoten was, proefde ik die wijn en het was of een engeltje op mijn tong pieste. Zo’n lekkere wijn had ik nog nooit gedronken. Ik wist niet waarom die zo lekker was, maar hij/zij was lekker! Ik had gehoord van de Bourgondische wijnen, de Côte de Nuits, de Nuits-St-Georges. Alhoewel ik  die wijn nog nooit had gedronken, zou deze wijn daarop misschien wel lijken. Ik was eens in Nuits-St-Georges geweest en had langs de wijnstokken gelopen  van de Vosne-Romanėe, maar het zag er niet bijzonder uit. Toch schijnt dat de beste en duurste wijn van de wereld te zijn. Het zij zo, maar ik moest te weten komen, waar hij die wijn kocht. De restauranteigenaar deed daar geheimzinnig over maar het was in ieder geval aan de overzijde van het meer. Trouwens, daar kwamen bijna al zijn wijnen vandaan.

            Terug in mijn pension moest ik eerst mijn lichte aangeschotenheid uitslapen gedurende de 1ste nachtslaap. Daarna zocht ik Natasha op om te informeren hoe het stond met de voorbereidingen tot de verbouwing. Ze zag er nog steeds mooi en enthousiast uit en zei dat ze de hele dag plannen gemaakt had en nauwelijks had geslapen. Ze was er nog steeds mee bezig en de volgende 1ste dagwake zouden de bouwers al beginnen. Ik vroeg de plannen in te kijken. Het zag er erg professioneel uit, maar ik had de wijnen in wijn kop en vroeg of ze iets van een kelder gepland had. Dat was inderdaad het geval. Het was vooral een voorraadkamer om waren wat koeler te houden. Ik keek ernaar en zag een ruimte van 5x10 meter op een diepte van 3 meter. De ruimte bestond uit een gang van een meter breed met daaraan drie kamers, waarin schappen zouden worden aangebracht. Denkende aan mijn wijn vroeg ik of het mogelijk was die ruimte zes meter te verlengen en ze keek me verbaasd aan. Ik begon over de wijn en ze begreep me direct. Zes meter met een hoogte van 2 ½ meter, zes meter schappen, gemetseld, 18 schappen van een meter lang en 60-70 centimeter hoog, daar konden wel bijna 1000 flessen liggen. Ik maakte een schets van de stenen schappen, gemetseld vanaf de grond, een 50 centimeter diep, schappen/vakken elk goed voor minimaal 50 flessen en ik keek haar bijna bedelend aan, dat ik dat zo graag zou willen. Jij bent de baas zei Natasha maar ik corrigeerde haar direct, zij was de baas en één van de eigenaren. Ik vroeg om een gunst. Zij kon me begrijpen en stemde meteen toe en ik was helemaal gerustgesteld. Als Natasha dat zei dan was het zo.

            De rest van de nacht liep ik een beetje in de weg op de bouwplaats. Er waren al mensen, die begonnen waren met het afbreken van een gedeelte van het hoofdgebouw, dus de bouwers waren nu al begonnen, ook waren er tientallen mensen, die op willekeurige gedeelten van het terrein aan het graven waren. Dat waren vooral de gorilla mensen, die bij karig licht van olielantaarns hun schoppen in de grond staken. Zoals ik het nu zag, was de verbouwing goedkoop en had Natasha zeer goed onderhandeld. Zo bracht ik de nacht door om daarna met de eerste boot naar de overkant van het meer te varen. Ik had Natasha verteld, dat ik van plan was de hele dag aan de overkant van het meer te verblijven op zoek naar wijngaarden met wijnen, die we in het restaurant zouden kunnen gebruiken en natuurlijk ook enkele voor mijzelf en ik kon niet wachten om te vertrekken.

            De eerste boot vertrok bij zonsopgang en ik stond al een half uur klaar bij de boot in een druilerige regen en een lichte grondmist. Ja, je kon er van op aan omtrent regen en zonneschijn op Naplet. De regen gedurende de laatste nachtwake en de vroege 1ste dagwake waarna de zon langzaam de wolken verdwijnt en dat was al gedurende de hele tocht zo van de hoge bergen naar hier. Het was een saai klimaat maar een vruchtbaar klimaat overal waar je kwam. In het dorpje aan de overkant, kort Tan2 genoemd, vroeg ik informatie over wijnen en wijngaarden in de lokale kroeg. Een wat oudere man achter een glaasje wijn hoorde mijn vraag en we kwamen in discussie over wijnen en het leven. Hij woonde hier al zijn hele leven, maar was niet getrouwd. Hij was visser geweest, maar had zijn boot verkocht en dat geld gebruikte hij bijna geheel voor eten en drinken, dat laatste vooral wijn. Hij had een bescheiden voorraad in zijn kleine huisje en ging af en toe naar de wijnboeren met zijn vogelkar om wijn in te slaan. Ik vroeg of hij vandaag geïnteresseerd was om mij de wijngaarden te tonen. Ik had er wel een beetje geld voor over. Natuurlijk wilde hij dat en snel vertrokken we naar zijn huisje verderop waar zijn trouwe vogel in een weilandje stond aangrenzend aan zijn huis. Die werd meteen ingespannen en we reden over een halfverhard pad langs de oevers van het meer. Tot mijn verbazing kwamen we bij een nogal brede rivier, die in het meer stroomde. Die rivier hadden we op onze tocht door de bergen, niet opgemerkt. Langs deze rivier zijn de wijngaarden gelokaliseerd en hoe verder stroomopwaarts, hoe beter de wijnen. We trokken een uurtje verder en de rivier groef zich als het ware in de bergen. Er was een vallei ontstaan en op de oevers zag ik de eerste druivenranken verrijzen. Hij wees naar een gebouw. Dat is één van de wijnboeren, waar ik wijn koop, een lekker wijntje niet al te duur. Deze boeren maken een grote voorraad, relatief goedkope wijn. Het zijn de herenboeren, want hun omzet is zodanig, dat ze het meeste geld maken. Hier wou ik eigenlijk niet naar toe, maar je kon er een hapje eten en de wijn proeven.

            De wijn was van redelijke kwaliteit, een standaard Beaujolais of een Rhône wijn, maar waarschijnlijk niet goed genoeg voor ons restaurant, tenminste dat was nu mijn mening. Je kon er echter lekker eten zoals bij moeder vroeger. Na het eten hobbelden we steeds dieper het rivierdal in. De vallei werd steeds dieper en de wanden steeds steiler, maar er stonden druiven op de wanden van de vallei, eigenlijk alleen aan deze kant van de rivier. Misschien had dat iets met de zon te maken, misschien iets met de grond, die kalkhoudend moest zijn anders had de rivier niet zo’n diepe gleuf gegraven. Na een tijdje kwamen we bij een relatief kleine wijngaard, waar kinderen buiten speelden. Dat was zeer zeldzaam want bijna alle kinderen werden al vroeg naar school gestuurd waar ze hun hele jeugd verbleven en waar het contact met de ouderen langzaam verloren ging. Hier was sprake van een gezin met kinderen. We klopten bij het woonhuis aan. Mijn metgezel was hier ook nog nooit geweest. Een wat oudere man deed open en we legden uit, dat we geïnteresseerd waren in wijn en graag kennis wilden maken met de wijn die op deze wijngaard werd geproduceerd en misschien daarvan een aantal flessen wilden kopen. De man riep naar achteren en een mooie vrouw van ongeveer mijn leeftijd kwam naar de deur. Voor Naplet was het een grote vrouw met een adellijk uiterlijk, een vrouw van standing zou men op de Aarde zeggen. Ze straalde een sterke persoonlijkheid uit en ik wist meteen dat zij de baas des huizes was. Ze stond ons vriendelijk te woord en leidde ons na ons verhaal zonder omhalen naar een dichtbijgelegen goed onderhouden schuur. Bij binnenkomst zag ik meteen de wijnmakerij met de perskuip en een drietal gistvaten. De gistvaten waren niet groot, misschien met een inhoud van 3000 liter, maar ze zagen er keurig verzorgd en schoon uit. In de volgende ruimte na de wijnmakerij lagen een aantal houten vaten, misschien wel 50 met een inhoud van 200 liter. Twee mannen waren bezig met het schoonmaken van enkele vaten, waarschijnlijk om ze weer te vullen met wijn uit één van de gistvaten. Achter deze opslagruimte voor de wijnvaten lag de flessenvulling. Dat ging op een redelijk primitieve manier met de hand. Er lagen enkele vaten op een soort plateau en beneden het plateau stonden honderden flessen. Een man was bezig op flessen via een trechter met rode wijn te vullen. De vrouw vertelde, dat de wijnfusten op het plateau gerold werden om daar enkele dagen te rusten om het bezinksel wat te laten zakken. Dan werden de flessen gevuld, ongeveer 180 flessen van een liter. De laatste 20 liter werd overgeheveld naar een klein vaatje en was voor eigen gebruik. Dat bevatte veel meer bezinksel, maar een liter of 15 daarvan was nog goed te drinken. Gemiddeld per Napletdag werden er zo’n 500 flessen gevuld en omdat er op Naplet geen seizoenen zijn, gebeurde dat elke dag. Ik rekende snel uit dat dat zo’n 40000 flessen voor een Aardjaar betekende ofwel 400 hectoliter. Ik vroeg haar hoeveel druiven oogsten ze per tijdseenheid had. Dat bleek ongeveer één oogst per 50 dagen ofwel iets meer dan een half Aardjaar, maar op Naplet is er geen seizoen waarop de druiven worden geoogst. Elke dag is hetzelfde zodat elke dag zowel druiven geplukt kunnen worden alsook velden in bloei staan voor de nieuwe generatie. Haar druiven velden, ongeveer 10 hectare, waren onderverdeeld in velden van 1 hectare, waarop eenzelfde soort druiven staan. Er is een oogst om de vijf Naplet dagen, waarbij genoeg druivensap geproduceerd wordt om één gisttank te vullen. Elke gisting produceerde aan het eind 2 tot 2 ½ duizend flessen wijn, sommige wat meer anderen wat minder. Ik had wel eens iets over wijn gelezen. Ik was altijd een wijndrinker geweest, maar een biertje was ook niet te versmaden. Ik kon me iets herinneren over de grote wijnen van de Bordeaux en die wijngaarden mochten niet meer dan 25-30 hectoliter wijn per hectare per jaar produceren. Dat leek sterk op deze productie. Deze dame, die me zeer aansprak, had dus als het ware tien kleine wijngaarden van een hectare, die om de beurt produceerden. Ik was benieuwd naar de smaak van de wijn. Ze vertelde verder dat ze 5 druivensoorten kweekte, drie rode en twee witte soorten druiven. Wat ik begreep waren de rode druiven een Cabernet Sauvignon (twee velden), een Merlot (twee velden) en een Pinot Noir (één veld), maar over de laatste deed ze en beetje geheimzinnig. De witte druiven waren hoofdzakelijk een Sauvignon Blanc, waarvan ze 3 velden bezat en een Gewürztraminer met één veld. Van de rode Merlot druif maakte ze ook af en toe rosé wijnen. Ze was een enthousiast wijnmaker en volgens mij deed ze experimenten door mengen van wijnen en opslaan van wijnen, maar daar ging ik niet op door. Ik was veel meer geïnteresseerd in de smaak van de wijnen. Achterin de schuur liep een trap naar beneden en kwamen we terecht in een kelder, die bijna onder de gehele schuur doorliep. De kelder was van gemetselde rode, roodgrijze steen, waarin grote vakken langs de muren gemetseld waren. De vakken konden wel 2000 flessen bevatten, één vak voor elke oogst. Op de vakken stonden nummers. Vooraan zag ik een nummer van over de 40000. Als ze bij nummer één begonnen waren, waren er al allemachtig veel oogsten geweest en was de wijngaard minimaal 250 Aardjaren oud. Ik had me nog niet afgevraagd hoe de geschiedenis van Naplet in mekaar zat, maar de wijngeschiedenis was in ieder geval al heel lang. De wijnvakken bevatten afwisselend rode en witte wijnen. Meer achterin de kelder stonden er wel twee, drie, vier nummers op een vak en waren verschillende oogsten bij elkaar gevoegd. Op de flessen stonden ook nummers met inkt opgeschreven plus een soort herkenningsteken. Dat was het enige waardoor de fles te onderscheiden was. Er waren geen etiketten aanwezig. Onze wijnmaakster pakte een fles uit oogst 40 331 en liep naar een tafeltje. De fles was afgesloten met een soort dop, die sterk op een kurk en ook met een type kurkentrekker werd geopend. Ze schonk een beetje in de klaarstaande glazen en we dronken er voorzichtig van. Het was een heerlijke fluweelzachte wijn van het Merlot type. Ik werd er terstond verliefd op. Dat moest onze huiswijn worden, ook al hadden we een visrestaurant. Natuurlijk had ze oudere wijnen van dit type, maar de bewaartijd was niet zo lang, misschien 1000 dagen ofwel iets meer dan 10 Aardjaar. Deze wijn was het beste na 300-400 dagen. Vervolgens dronken we de witte Sauvignon Blanc met ongeveer hetzelfde nummer. Alhoewel ik meer van rode wijn hield, was dit een zeer aangename wijn, niet al te droog, maar met de nodige body. Ook een huiswijn voor ons, mijn gezicht begon te glimmen. Ik had een kelder van ongeveer duizend flessen en als het restaurant goed liep en, had ik wel 100 flessen per dag nodig plus nog een paar voor privé gebruik. Ons restaurant zou wel bijna een kwart van haar oogst kunnen gebruiken. Ik vertelde over mijn/onze ideeën van een restaurant en de wijn die ik in de toekomst zou kunnen gebruiken en ik suggereerde, dat zij wel eens onze leverancier van de wijnen zou kunnen worden. Alhoewel deze dame me een groot liefhebber van wijn maken leek en dat ook als hobby zag, was ze niet gek. Een zo grote afnemer zou een groot stuk zekerheid in inkomen kunnen opleveren. De laatste tijd liep de verkoop van wijn niet zo best en had ze moeite de touwtjes aan elkaar te knopen. Ze had de verantwoordelijkheid van wel 40 mensen om die de kost te laten verdienen en misschien nog een beetje meer. Deze grote vreemdeling kwam met een fantastisch voorstel en misschien werd ze hierdoor ook meer bekend in Tan en wilden ook anderen van haar wijn drinken. Ik moest de grote man maar eens een topwijn voorzetten en ze liep verder de kelder in naar een nummer van ongeveer 35000. Daar waren nog maar een 50tal flessen van maar ze pakte er een en maakte die open. Voorzichtig schonk ze een beetje in een karaf en daarna in een glas en liet ons die wijn drinken. Zoiets had ik nog nooit geproefd, dit was het einde, dit was een Goddelijke drank. Ik keek de dame verliefd aan, maar de verliefdheid kwam niet alleen van de dame, die kwam ook van de wijn.

            Er waren nog een paar wijnen, maar ik geloofde wel in de kwaliteit. We liepen de schuur naar het woonhuis, waarbij mijn metgezel de laatste fles onder zijn arm klemde en voorzichtig meenam. Ook hij had nog nooit zo’n lekkere wijn gedronken, een wijn, meer dan 50 jaar oud naar Aardse maatstaven, die nog zo op dronk was. In de woonkamer kregen we een lekkere broodmaaltijd geserveerd met natuurlijk een Merlot en wat sappen en water. Ondertussen overlegde ik met haar over onze zakelijke relatie in de toekomst. Wanneer die zou ingaan wist ik niet precies, maar ik pakte mijn rugzak en legde 2 nikkelen stukken voor haar als een soort reservering op de toekomst. Dat was een hoop geld. De meeste mensen hadden nog nooit nikkelen munten gezien, alleen koperen en aluminium munten. Ik had al een beetje in mijn hoofd wat ik wilde hebben en we overlegden. Ik dacht aan elke 5 dagen 200 flessen Merlot en 200 flessen Sauvignon Blanc. Daarnaast 50 flessen Cabernet Sauvignon, 25 flessen Gewürztraminer en enkele flessen met specialiteiten, zoals we daarnet gedronken hadden. Ik kwam een richtprijs overeen 3 nikkelen stukken per levering alhoewel voor de bijzondere wijnen iets extra’s gerekend moest worden. We schudden mekaar de hand en ze stond en haalde een speciale fles uit een glazen kast en schonk ons en haarzelf een klein glaasje in. Het was een bijzondere cognac en daar moest ik ook een paar flessen van hebben. Tien flessen per vijf dagen kosten met vijf koperen munten extra, maar dat had ik er graag voor over.

            We namen hartelijk afscheid en ik reed met mijn metgezel, die de laatste fles wijn nog steeds bij zich had, nog iets verder het dal in, maar ik had er geen zin meer in. Ik had mijn wijn gevonden, ik had een dame gevonden, waaraan ik in de toekomst nog veel plezier zou kunnen beleven en niet alleen aangaande de wijn. We waren al een hel tijdje onderweg en probeerden in het rivierdal ergens wat eten en een slaapplek te vinden. Een vriendelijke wijnboer, waarschijnlijk de laatste in het dal, had nog wel een kamer over en voor een gering bedrag konden we er eten en slapen en natuurlijk wijn drinken. De wijn was goed maar kon niet tippen aan de kwaliteit die onze wijndame ons had voorgezet. We sliepen goed ook al omdat we aardig in het glaasje gekeken hadden. Mijn metgezel snurkte behoorlijk, maar dat maakte niet veel uit. Ik zou ook wel aardig snurken die nacht.

            Aan het begin van de volgende dagwake wilde ik me goed wassen, maar er was alleen rivierwater wat werd aangevoerd via een goed uitgedacht irrigatiesysteem. Het water was fris en helder en in de felle zon kon ik me wel vermaken met dat stromende water. Ik spartelde in het buikdiepe water en zwom er een beetje rond zo goed als het mogelijk was. Onze boer had ook nog een lekkere broodmaaltijd staan en opgefrist en verzadigd stapte ik weer bij mijn kameraad op de wagen, waarmee we weer richting meer voeren. Onze trekvogel was ook in een vrolijke stemming en schudde af en toe de wagen door elkaar zodat het een lieve lust was. We gingen hier en daar nog wat wijngaarden aan om duidelijk te maken, dat mijn contract met de wijndame het goede contract was geweest. Laat in de 2de dagwake kwamen we in Tan2 terug. Ik besloot niet naar de overkant te varen, maar hier te overnachten. Mijn begeleider en vriend in wording wist nog wel een goed stekje waar we konden eten en drinken en we zaten lang te genieten van het eten en het uitzicht over het meer. Wat was ik toch een bofkont. Het baantje als boekhouder op Aarde was eerzaam en saai en mijn contact met mensen op de Aarde was spaarzaam geweest. Hier op Naplet kwam ik een groot aantal aardige mensen tegen en het leek wel of ik ook opener was geworden, niet meer zo spastisch ten aanzien van vrouwen, niet meer zo krampachtig ten aanzien van mensen. Mijn vriend heette Bas of zoiets maar in mijn hoofd noemde ik hem maar Bas en daar reageerde hij op. Ik vroeg Bas waarom hij alleen was in dit eenzame dorpje. Hij reageerde nogal fel. Hij was misschien niet getrouwd maar hij was niet alleen. Het hele dorpje waren zijn vrienden, de vissers, de vrouwen en boeren en anderen. Hij deed niet veel meer om aan de kost te komen, maar hij had een aardige cent als visser verdiend en daar kon hij de rest van zijn leven wel van leven. Af en toe kwam er wel iemand zoals ik, die hij adviseerde en hem ook fêteerde.  Hij hoorde bij deze gemeenschap en deze gemeenschap zou er voor zorgen, dat hij de rest van zijn leven het goed had en gelukkig was. Maar hoe zit het met de kerk, vroeg ik hem, de kerk zo machtig in de grote steden, de kerk, die het ritme van de meeste mensenlevens bepaald. Ach zei hij en keek over het meer uit, er is hier wel een kerk, er is hier wel een priester maar onze priester hoort bij het dorp. We doen wel een beetje kerkelijk, maar we doen het relaxt en ik begreep onder relaxt zoals ze dat in de Zuidelijke landen van Europa doen, vooral zoals in Portugal, wat ik redelijk kende. Iedereen was daar katholiek maar bijna niemand ging naar de kerk. Het was een deel van het leven. Maar zei Bas, ik persoonlijk geloof niet in de kerk en in de God zoals de kerk die presenteert. God is van iedereen persoonlijk en niet van de kerk, die God dan uitdraagt aan de mensen. Ik praat daar nogal eens over  in onze kroegen en de meeste mensen knikken met hun hoofd, maar zeggen er verder niks over. Ik heb het zelfs met de priester over gehad en die zei, dat ik misschien wel gelijk had, maar dat ik dat maar niet aan andere mensen moest uitdragen. Hij vond het in ieder geval een goed idee. Onze priester is ook burgemeester van Tan2 en bovendien is hij een goede bakker, alhoewel hij twee knechten heeft, die het meeste werk voor hem doen. Dus Bas geloofde in een persoonlijke God, die voor ieder mens een beetje verschillend was, een God die je koestert in je binnenste. Ik kon daar goed inkomen alhoewel bij mijzelf het Godsbeeld niet duidelijk uitgekristalliseerd was. Voor mij was er misschien wel een God, maar daar hoorde geen godsbeeld bij. In de dorpen op Naplet was de kerk misschien wel aanwezig maar beïnvloedde de mensen niet erg. Het was een onderdeel, dat er bij hoorde, maar dat niet beïnvloedde.

            Zo praten we nog een tijdje door totdat ik gelukkig en voldaan de kroegbaas riep, die mij mijn slaapplaats wees, waar ik in een droomloze slaap viel. De laatste dagwake was maar kort voor mij en ik moest me nog redelijk haasten om de laatste boot naar Tan te halen. Ik was tevreden over mijn reis en zou Natasha informeren over wat ik bereikt had. Bij ons nieuwe huis aangekomen, viel ik bijna om van verbazing. Het leek wel een mierenhoop, zoveel mensen er aanwezig waren en hoever de verbouwing al gevorderd was. Ze wisten er hier wel raad mee, beter dan op de Aarde met allerlei papieren en vergunningen. Daar hadden ze hier waarschijnlijk nog nooit van gehoord en als er een vergunning nodig was, dan was de bouwondernemer zelf, die de vergunningen uitgaf. Het was toch dezelfde broekzak. Ik zag, dat het voorraad gebouw met de kelder voor mijn wijn al helemaal uitgegraven was en dat er al gemetseld werd. Dat gebouw was misschien wel binnen twee dagen klaar en dan kon ik mijn eerste voorraad wijn ophalen. Ik zag Natasha met de opzichter bij het hoofdgebouw lopen. Het gebouw was te dele afgebroken, maar de opbouw was ook al weer begonnen. Ze zag er een beetje moe uit, dus ik besloot alleen maar te zwaaien en verder niets over mijn wijntour te vertellen. Ik liep naar de oever en Bert, Edward en Pierre zaten daar beschut op de veranda van het gebouw wat hun eigen huis werd althans van Bert en Edward. Ze hadden een vuurtje aan, waar wat vis geroosterd werd en ze hadden er ook een fles drank bij, een brouwsel was door Pierre zelf gemaakt werd. Het was nogal hoog alcoholisch maar smaakte niet slecht en ik sloot mij aan bij dit eet- en drinkgezelschap. De vis smaakte goed alhoewel er misschien een paar kruiden aan konden worden toegevoegd. Zo bracht ik het eind van de dag door in alle ledigheid en in alle geluk.

            De verbouwing van de huizen duurde slechts vier Napletdagen. Na de verbouwing rukte Pierre met een aantal kameraden aan, die rond en om het huis tuinperken aanlegden en paden creëerden, die bestraat werden door een paar bouwers. Dat duurde ook slechts twee dagen, zodat het hele complex er met zes dagen voortreffelijk bijlag, glimmend in de zon. Ik was een keer met Bert, Edward en Pierre uit vissen geweest. Ze konden wel een paar roeiarmen gebruiken en ik moest mijn conditie, opgedaan op de Aarde niet al te veel laten verslappen. Ik kon reeds voelen, dat ik, sinds ik in Tan was, behoorlijk in conditie achteruitgegaan was. De visplek was ongeveer een uur roeien van onze steiger. Daar werden lijnen met haken uitgezet en ook kooien voor kreeften, inktvissen en grote garnalen. Dan werd er weer teruggeroeid en aan het einde van de eerste dagwake werden de lijnen en kooien ingehaald. Er werden enkele grote, tonijnachtige vissen binnengehaald en meerdere kleinere soorten vissen, baarzen en forellen en misschien nog een palingachtige vis. Bijna elke kooi was wel gevuld met een kreeft, een inktvis of een grote garnaal, zodat de vangst in totaal wel een kleine 50 kilo was, twee tonijnen samen 15 kilo, 30 kleinere vissen samen 20 kilo en 40 kreeften en dergelijke, totaal 15 tot 20 kilo.  Pierre vertelde me dat dit ongeveer een doorsnee vangst was. Ik vroeg hem waarom ze geen snoeken vingen. Daar was echter ander aas voor nodig en bovendien moest je verder het meer van Tan opvaren. Ze deden ongeveer 3 vangsten per dag, ’s nachts werd er niet gevist. Natasha en Brigit waren ook belangstellend omtrent de vangst en welk type vis er op de kaart kon worden gezet. Er moest over worden nagedacht hoe de menukaart er moest uitzien, welke gerechten gereserveerd zouden worden. Brigit ging op verkenning uit bij andere visserslui en ook op de lokale markten, waar verschillende typen knollen, groenten en fruit verkocht werden. Ook bij de lokale kweker van vogels werd een bezoek gebracht, waarbij de bouten van de slachtvogels bekeken werden. Uiteindelijk werd als vogelvlees gekozen voor een biefstuk, een soort struisvogelbiefstuk en een stoofschotel van het bovenbeen van de vogel, dus twee vogel gerechten. Daarnaast werden er vier visgerechten op de kaart gezet, vissen, die we in eigen beheer vingen. Eén visgerecht was de verrassing van de kok. Daarnaast kreeft op twee verschillende manieren klaargemaakt, gebakken of gefrituurde inktvis en grote garnalen, in totaal ongeveer 10 gerechten. Voorgerechten waren bijna uitsluitend vis- en groentesoepen en een avocado gevuld met garnalen vlees. Nagerechten waren verwant met fruit en enkele soorten zoete taartjes, waar de Naplettaners dol op waren. Brigit en Natasha maakten geen speciale nagerechten, daar lag de aandacht bij hun restaurant niet op, de aandacht lag vooral op de visgerechten en de methode van kruiden en klaarmaken. Brigit had op de lokale markt van Tan alle typen kruiden gekocht, die ze maar kon vinden, had kruidenmengsels gemaakt en uitgeprobeerd. Natasha had haar daarbij geholpen, maar Brigit bleek een bijzonder talent te hebben om bepaalde kruiden te combineren met de wat bleke smaak van de meeste vissen. Ze vond bij elk van onze vissen op de menukaart wel drie mengsels van kruiden, die varieerden van neutraal gekruid tot scherp gekruid. Dat kwam ook op de menukaart te staan en zo werd het idee van een restaurant langzaam omgezet in een werkelijk restaurant. Binnen het restaurant waren ongeveer 60 zitplaatsen en op het terras konden nog eens twintig man zitten. Het restaurant zou vier maal per dag open zijn gedurende een periode van 6 Aarduur, driemaal gedurende de dag en eenmaal gedurende de nacht. Nu heeft een Naplet dag 50 uur evenals een Naplet nacht. Het restaurant zou tienmaal per dag open zijn zowel voor de lunch als voor het diner. Nu heeft een Naplet dag 50 uur evenals een Naplet nacht. Het restaurant zou open zijn gedurende het midden en het einde van de 1ste, 2de en 3de dagwake en aan het begin en einde van de 1ste en 2de nachtwake. Dat is bij elkaar ongeveer 30 uur per dag ofwel 30% van de totale tijd van een Napletdag, die 100 Aarduur duurde. De open en dicht ritme kwam een beetje overeen met het slaapritme van de gemiddelde Naplettaan, die altijd begon met een dagwake bij de opgaande zon en overdag twee dagslapen had. ’s Nachts werd begon met de 1ste nachtslaap als de zon onder de horizon verdwenen was en ’s nachts waren er dus twee nachtwakes. De Naplettaan sliep over het algemeen wat meer dan de gemiddelde aardmens en dat had misschien ook te maken met het wat trage ritme van Naplet door de langzame omwenteling om zijn cilinder as.

            Toen we er eenmaal over eens waren omtrent menukaart en openingstijden voegde ik er mijn wijnen aan toe en bestelde de eerste wijnvoorraad door persoonlijk naar onze wijnboerin Natalie te gaan samen met Bas. Er werd een leverschema van de wijnen opgesteld en Bas zou er voor een geringe vergoeding voor zorgen, dat de wijn op de veerboot en in Tan kwam. Ik mocht Natalie graag en ging toch verschillende malen bij haar op bezoek. Ik bleef dan een nachtje slapen want zij had een bijzonder lekker lichaam, misschien wel zo lekker als Natasha. Zij was de 2de vrouw op Naplet, waar ik min of meer een seksuele relatie mee had en die twee vrouwen waren meer dan genoeg voor mij. Op de Aarde was ik helemaal geen seksuele relaties met vrouwen gewend. Ook in dat opzicht was ik blij, dat ik het besluit had genomen naar Naplet te gaan en ik dacht weer even aan Mils. Zou die door zijn, zou die nog leven en als dat het geval was, was hij dan nog naar mij op zoek voor zijn opdracht. Ik wist het niet en alleen Mils kon het weten.

            Mils vervoegde zich bij leider Nielsen met een verheugende mededeling. Die morgen van de 1ste dagwake had hij het bericht ontvangen, dat Peter, de Aardmens, nog leefde, neen niet alleen leefde maar samen met Natasha een restaurant begonnen was in Natasha’s land. Er was een lange speurtocht geweest door verschillende mensen om een spoor van Peter te traceren, maar dat was niet gelukt maar nu opeens, daar was hij in Tan, de geboortestad van Natasha. Hij grinnikte een beetje in zijn binnenste. Dit had hij moeten verwachten. Die Peter was uit taai hout gesneden en hij had altijd in zijn overleven geloofd, toen hij tijdens de overval van de rivierrovers overboord was gesprongen. Hijzelf had tijdens die overval ook geen schade geleden. De kerksoldaten hadden de overvallers in een mum teruggeslagen, maar door een toeval was de Dragon in brand geraakt. Daarom moest overgestapt worden op de boot van de rivierrovers. Dat was maar een klein bootje en er was geen plaats voor de rivierrovers zelf, die allen overboord werden gesmeten. Met enige moeite waren ze in  de plaats van bestemming aangekomen met die boot en had hij contact gezocht met leider Nielsen. Die was kwaad geweest maar er was nu niks meer aan de situatie te doen anders dan het opsporen van de Aardman. Mils had contact gezocht met een kazerne en een groot aantal kerksoldaten de opdracht gegeven voor de speurtocht. Hijzelf was verder gereisd naar de Noordrand, het landgoed van leider Nielsen in afwachting op een goed bericht omtrent Peter en dat bericht was nu gekomen, ze hadden Peter gevonden en nog wel in Tan, in Natasha’s land. Leider Nielsen was nu net de leider van dat land en Mils was de onderbaas, de man die regelmatig reizen maakte door Natasha’s land en overlegde met het lokale bestuur omtrent het reilen en zeilen van dat land. Hij grinnikte nog een keer, die slinkse Peter toch.

            Leider Nielsen kwam binnen en las meteen de gedachten van mils en glimlachte ook. Dus je hebt hem gevonden. Dat is maar goed ook anders had je weer naar de Aarde moeten reizen voor een nieuw persoon, maar nu is dat niet nodig. Het is noodzakelijk, dat de Aardman zo snel mogelijk hier komt en je gaat hem persoonlijk halen. Dat bericht had Mils al verwacht en hij had zijn eerste maatregelen al genomen en zijn assistent opdracht gegeven een boot te charteren, een luxe boot, om Peter op te halen. Hij wilde het gezicht van Peter zien als hij voor hem stond of zat. Hoe zou die reageren? Mils zou diezelfde dag nog met de trein vertrekken en de volgende dag of de dag de boot nemen naar Anter en dan met de trein naar Tan. Hij vertelde leider Nielsen zijn voornemen en die knikte instemmend. Er was ook weinig anders over te zeggen. Ze hadden bijna 100 dagen op het goede nieuws moeten wachten en de tijd drong daar de dag van de verkiezingen van een nieuwe voorzitter naderde. Deze bijeenkomst duurde dan ook vrij kort en Mils ging naar zijn chalet om zijn reisspullen bijeen te pakken en dan zo spoedig mogelijk te vertrekken.

            Het restaurant zou de volgende dag openen, het was de twaalfde dag nadat we met de verbouwing begonnen en dat was bijzonder snel. Er moest reclame gemaakt worden voor de opening en in de lokale krant kwam een hele grote advertentie omtrent ons restaurant, waarbij ook de menukaart werd vermeld met de prijzen voor de gerechten. We waren geen goedkoop restaurant, de prijzen voor hoofdgerechten varieerden van 3 tot 8 acht aluminium stukken en voor een volledige diner inclusief wijn was iemand toch snel één tot twee koperstukken kwijt. In een relatief kleine gemeenschap als Tan waren we echter al snel bekend geworden. Toen ons gezelschap Tan binnenkwam vroeg iedereen zich af welke rare snuiters wij wel waren, een grote vreemde, twee knappe jonge dames en twee gorilla mensen. Toen we het grondstuk met huizen kochten, vielen we helemaal op. Dat moesten wel zeer rijke mensen zijn en met de verbouwing viel bijna iedereen de mond open. Iedereen was nieuwsgierig wat voor een restaurant dat wel zou zijn en bij het begin van de opening stonden er al wel twintig mensen voor de deur inclusief de hoofdpriester met aanhang en onze gemeente ambtenaar annex bouwer. We hadden een paar mensen ingehuurd voor de bediening en de keuken, maar die waren nog niet erg professioneel zodat er wel iets misging, maar Natasha met haar natuurlijke charme bracht toch een goede sfeer in het restaurant teweeg. Ik zelf zorgde voor de wijn en hield hier en daar een praatje met de mensen. Gedurende de hele periode van vier uur zat het restaurant meer dan driekwart vol en in het laatste uur werd er vooral gedronken en gepraat, waarbij wat stoelen op het terras bijgeschoven werden. Toen we dichtgingen was iedereen tevreden. We hadden wel 80 gasten gehad en onze omzet was ongeveer 10 nikkelen stukken en na aftrek van alle kosten bleven er wel twee nikkelen over. Ons restaurant draaide met winst! Die eerste dag en ook de opening tijdens de nacht bleven we veel klanten houden, ook mensen die weer terugkwamen. Vooral de nacht was een succes en we moesten een reserveringslijstje invoeren door de grote drukte.

            Ik persoonlijk verdeelde mijn tijd tussen het restaurant, de wijnreisjes naar Tan2 en Natalie en het vissen, daar ik toch wel eenmaal per dag met de vissersboot meeging. Ons restaurant en onze personen waren het gesprek van de dag in Tan. Dat gold vooral voor Natasha, die met iedereen praatte, altijd vriendelijk was en straalde. Haar ouders moesten waarschijnlijk ook nog hier in Tan leven, maar Natasha kende haar ouders niet en het omgekeerde was waarschijnlijk ook het geval. Ook Brigit was geliefd en de mensen wilden graag weten hoe zij bepaalde vissen kruidde, maar daar liet ze zich niet over uit. Als het restaurant gesloten was, experimenteerde ze noch steeds met de kruiden en kruiden mengsels. Dat was haar lust en haar leven en het eten werd er steeds verfijnder door. Zo brachten de dagen door aan het meer van Tan in deze mooie omgeving en met ons goedlopend restaurant.

            Op een dag, het we al tegen de avond, kwam er een gezelschap het restaurant binnen wat ik nog nooit eerder had gezien. Het waren geen mensen uit Tan en ze zagen er nogal militaristisch uit. Ze bestelden allen nogal dure gerechten, veel kreeften en grote garnalen en ze dronken nogal stevig van onze wijn. Het was een redelijk vrolijk gezelschap met genoeg geld om er goed van te profiteren. Het maakte ons niet uit of we aan vreemden serveerden of de lokale bevolking als ze maar genoten van onze gerechten en van de sfeer van ons restaurant. Dat schenen ze ook te doen en na afloop liepen ze met z’n allen naar het terras om een afzakkertje te nemen. Ik kwam in gesprek met de leider van het groepje en dat bleek een heel ontwikkeld man te zijn, maar ook één met een uitgesproken goddelijk beeld zoals dat door de kerk van Naplet gepredikt wordt. Ik probeerde hem uitspraken te ontlokken omtrent een ander Godsbesef. Misschien is er helemaal geen God, legde ik hem voor, misschien zijn er mensen buiten Naplet, die een ander Godsbeeld hebben. Mensen buiten Naplet vond hij interessant en misschien geloofden die niet in God of hadden een ander beeld van God, maar dat was zuiver theoretisch. Je moest de mensen op Naplet, specifiek op Rondo zodanig leiden, dat ze niet twijfelden aan God en deze kerk. Dan hadden ze veel tijd om andere nuttige dingen te doen of over andere nuttige dingen na te denken. Denken over God en het Godsbeeld moesten ze aan de kerk overlaten, die hadden daar bekwame mensen voor. Weer het starre Godsbeeld, dat ik ook bij Mils had gehoord. Ik vroeg hem waar hij vandaan kwam. Hij antwoordde, dat hij een van de geleerden was, die aan de Noordrand woonde, maar tijdelijk gestationeerd was in Natasha’s land. Hij had gehoord van een nieuw excellent visrestaurant hier in Tan en omdat hij toch Tan moest bezoeken, was een maaltijd in dit nieuwe restaurant een must en hij was niet teleurgesteld, integendeel. Zelfs aan de Noordrand waren er weinig restaurants met zo’n excellente kwaliteit. Hij zou dat daar ook vertellen, zodat Noordrand bewoners, die toevallig hier in de buurt waren, ook dit restaurant bezochten. De meeste mensen aan de Noordrand waren rijk en konden zich zo’n maaltijd goed verloven en hij nipte aan mijn beste cognac, die ik bij Natalie op de kop getikt had. Hij was een echte genieter. Het was al ruim donker, toen het gezelschap al pratend en een beetje aangeschoten vertrok.

            De opening van het restaurant tijdens de 2de nachtwake was wel het grootste succes. Tijdens die nachtwake werd alle vis die de vorige avond gevangen was, tegen een schappelijke prijs verkocht en uitverkocht via een lopend buffet zodat we tijdens de opening van de 1ste dagwake weer met verse vis beginnen. Van heinde en verre kwamen er mensen en het restaurant was dan tot de laatste plaats bezet, ook het amper verlichte terras. Nu was er meer het gewone volk van Tan en ik mocht die mensen graag, niet zo kakkerig als de upper class van Tan, die ons vooral overdag bezocht. Ook Natalie kwam dan vaak naar Tan, met de enige nachtboot en ze bleef dan gedurende de 3de nachtslaap bij mij slapen. Ze was goede maatjes met Natasha en Brigit en Natasha, Nathalie en ik hadden dan vaak een nacht triootje, waarbij ze mij om de beurt  pijpten en we elkaar betasten zodat alle drie een paar orgasmen kregen.  Ik had nog nooit een dame op Naplet met mijn lid gepenetreerd en ik had ook niet het gevoel, dat dat voor seksuele belevingen nodig was. De dames maakten ook geen aanstalten om tot zo’n penetratie te komen. Ik was daar gelukkig mee en ik had het gevoel, dat zij onze groepseks ook aangenaam vonden al wist je dat nooit met de vrouwen op Naplet. Zij hadden een natuurlijke manier van seks aangeleerd via school, kerk of anders, die op een of andere manier aangenaam was en natuurlijk voelde. Zo bracht ik mijn dagen in Tan op Naplet door en ik had het gevoel, dat dat de rest van mijn leven zo mogen en kunnen duren, maar hoe anders.

15. Opnieuw Mils en de reis naar de Rand en de ontmoeting met Nielsen

 

            Deze dag was als alle andere dagen sinds we het restaurant geopend hadden. Ik was gaan vissen met Pierre, Bert en Edward en de morgen vangst van de 1ste dag was bijzonder goed, veel vissen maar ook bijzonder veel kreeften en grote garnalen. Brigit zou daar heel blij mee zijn en zou misschien een van haar nieuwe kruidenmengsels kunnen uitproberen. Vrolijk en ontspannen brachten we onze vangst aan wal en liepen met drie grote manden naar de keuken, waar Brigit al bezig was met de voorbereidingen van de maaltijden voor de 1ste dagwake. Er werden 3 typen lunches geserveerd, twee met vis en zeevruchten en één vegetarische lunch met verschillende soorten knollen, bonen en fruit. Daarbij werd een lichte witte wijn geserveerd,  een jonge Sauvignon-Blanc, een relatief droge wijn. Voor het einde wake diner wachtte ze altijd op de vangst van onze vissers en ze was ook bijzonder in haar nopjes met onze vangst. Ze hoefde eigenlijk niet naar de vismarkt voor een aanvullende sortering. Ze voegde ook een zeevruchten gerecht toe aan de lunchkaart als een soort dagmenu. Wij, als vissers trokken ons terug op het terras om de goede vangst na te genieten met wat brood, jam, honing en voor mij altijd een lekkere ochtend brandy om me in de stemming te brengen. Na de lunch zou ik me bij Brigit vervoegen voor een keuze van de wijnen bij het diner. We lieten dit niet aan de gasten over, de wijn zat bij het menu in. Meestal waren er een stuk of 6 menu’s voor het diner, vier gebaseerd op vis en zeevruchten, één op vogelbiefstuk en altijd een vegetarisch menu, waarbij het nagerecht een grote rol speelde. Neen, ons restaurant liep als een trein en met Brigit als kok, Natasha als financieel manager van inkoop en regelaar van de bediening, ik als wijndeskundige en de jongens als vissers hadden we het goed getroffen. In de keuken waren nu twee nieuwe koks in opleiding en ook nog drie andere mensen als keuken personeel. De koks in opleiding deden het zeer goed, maar het waren dan ook vrouwen. Het restaurant personeel bestond grotendeels uit vrouwen, ook de obers en kelners, omdat vrouwen op Naplet nu eenmaal beter luisteren en veel gezelliger in de bediening zijn dan mannen. Ik was de enige man, die tijdens het diner in het restaurant rondliep om te praten over de wijn en de vragen hoe het eten was. Af en toe, bij goede, gezellige gasten, kwam ik met een bijzondere fles wijn langs en ook na het eten, het natafelen, speelde ik een flinke rol. Dus mijn taak lag af en toe in het vissen, in het restaurant en de wijnen en wijninkoop, waarvoor ik eens in de twee dagen naar Natalie, onze wijnboerin, ging, niet alleen voor de wijn maar ook voor Natalie, de mooie, struise dame met haar volle borsten en haar zwoele lichaam. Natasha was mijn godin, Natalie was voor het tweedagelijks vrijen, heel intensief vrijen.

            Tijdens de lunch liet ik mij niet zien in het restaurant. Ik kreeg altijd van één van de vrouwelijke kelners een lichte maaltijd geserveerd en in dit geval zeevruchten, die we die morgen gevangen hadden. Het restaurant zat bijna vol tijdens de lunch, zoals bij elke wake, ondanks de relatief hoge prijzen van voedsel en drank. Neen, het geld, dat we allemaal geïnvesteerd hadden, was die investering dubbel en dwars waard. We draaiden positief, maar er was geen sprake van sparen. Het meeste geld werd weer geïnvesteerd in de kwaliteit van het restaurant en de verbetering van vissersboot en vistuig. We hoefden niet rijk te worden, ik wilde helemaal niet rijk worden, maar een leven leiden in samenhang met de geneugten des levens,  eten, drinken, vissen, de natuur en praten over God en van alles. Ik had al een kleine discussieclub om me heen verzameld, die eenmaal per dag, aan het einde van de 3de dagwake bijeenkwam om over van alles te praten, al was het over de visstand in het meer of over de kwaliteit van de wijn. Maar ik zorgde er wel voor om langzamerhand God en de kerk daarin te betrekken en ook de uitgebreidheid en de structuur van het heelal. Ik kwam niet voor niets van een parallelle wereld, die buiten de belangrijkste mensen van kerk en staat, verder niet bekend was. In onze discussieclub zaten een paar intelligente mensen, die geïnteresseerd waren in dat onderwerp en op die mensen wilde ik me vooral richten. Er zaten ook priesters en bestuurders in onze club, die als tegenwicht voor argumenten moesten dienen. Dan werd de discussie wat feller.

Het 2de deel van de 1ste dagwake gebruikte ik altijd om wat te denken en wat aantekeningen te maken in mijn dagboek, over het leven en mijn gedachten daarover. Ik koos een onderwerp om ook tijdens de discussie als uitgangspunt te gebruiken. Deze dag wilde ik voor het eerst discussiëren over de denkbeelden van andere intelligente wezens in het heelal. Ik was natuurlijk zelf daar een voorbeeld van.

De zon klom al hoger aan de asymmetrische horizon van Naplet. Alle wolken waren nu verdwenen en de bomen en planten bliezen hun laatste vocht uit, dat als een dauw deze morgen over de planten had gelegen. Die vocht zou pas terugkeren aan het einde van de laatste nachtslaap van deze dag. De mensen praten hier niet veel over het weer. Het weer was elke dag hetzelfde met uitzondering van de wind. Die kon af en toe sterker of zwakker zijn en soms uit een andere hoek blazen. Regen en zon hadden hun regelmaat. De 2de helft van de 1ste dagwake was het meest aangenaam wat betreft het weer. Het was nog fris, maar niet te koud. Je kon je nog inspannen bij deze aangename temperaturen en een zonnetje, zoals je dat in het voorjaar op een zonnige dag in Zuid Europa kon doen. Alles was groen en fris, hier was het altijd groen en kleurig, maar niet altijd fris. Aan het einde van de 3de dagwake was het heet als in de zomer in Andalusië en ieder verlangde naar de nacht, die weer afkoeling zou brengen. Die overgang van het einde van de dag en de overgang naar de nacht was het beste tijd voor liefde, ruzie en meditatie en dronken worden. Het was als een Indian summer  in het Midden westen van Amerika, maar dan elke dag van 100 uur een Indian summer.  Er waren geen seizoenen op Naplet maar er waren dagen, die alle seizoenen in zich droegen.

Ik ging naar mijn kleine huis, nam een douche, deed mijn behoeften en deed een dutje. Het restaurant zou over een Aarduur open gaan en meestal betrad ik het restaurant ongeveer een uur na opening voor het diner. Dan waren de eerste gasten er en werd mijn kennis op het gebied van wijnen benodigd, nou ja benodigd, ik ging de gasten langs om over het drinken een gezellig praatje te maken. En aldus geschiedde. Na een uurtje of 2 werd ik wakker, waste me een beetje, deed mijn restaurant kleren aan en in vijf minuten betrad ik het restaurant. Het was reeds voor een kwart gevuld en de meeste open plaatsen waren gereserveerd. Op de beste plek, met uitzicht op terras en het meer van Tan stond normaal een grote tafel maar nu was er een tafel voor twee personen gedekt. Ik vond het vreemd, maar schonk er verder geen aandacht aan en liep langs de reeds bezette tafels om een praatje te maken en over de wijn te praten, die ze wilden drinken. De meeste gasten waren vaste klanten en ik begroette die vriendelijk. De mensen vonden die persoonlijke aandacht zeer aangenaam vooral de vrouwen in het gezelschap, die deze grote kerel met een klein ringbaardje aantrekkelijk vonden. Baardgroei kwam op Naplet bijna niet voor en was een symbool van seksuele uitstraling.

Natasha kwam op mij toe en vertelde, dat er een belangrijke gast was, die samen met mij wilde eten, een mijnheer van de Noordrand, een invloedrijk persoon. Ze wist niet wie het was, maar hij zou over een kwartiertje komen. Dit maakte mij gespannen en de spontaniteit met de gasten werd duidelijk minder. Na een kwartier kwam een lange man, lang voor Naplet begrippen, het restaurant binnen in een kerkelijk gewaad, wat alleen door de belangrijkste kerkmensen, zeg maar kardinaals, wordt gedragen. Er ging een geroezemoes door het restaurant en iedereen keek in zijn richting. Ik ook en ik herkende hem meteen, Mils. Hij was dus mijn gast die avond, hij had een tafeltje op het mooiste plekje in het restaurant voor ons gereserveerd. Hij zag er waardig en statig uit, veel waardiger en statiger dan tijdens onze trektocht. Toen was hij niemand, die niks of weinig voor het reisgezelschap deed, soms een blok aan het been. Nu speelde hij zijn ware rol hier op Naplet, een heel belangrijk man met grote invloed. Ik liep naar hem toe, begroette hem formeel en leidde hem naar het tafeltje, waar we gingen zitten. Natasha kwam verschrikt in onze richting, maar ik wuifde haar weg. Ik wist dat mijn rol in het restaurant met Natasha en de anderen was uitgespeeld. Het orginele plan trad weer in werking. Hallo Mils, begroette ik hem nu buiten het gehoor van andere mensen, het gedachtengehoor. Ik ben niet blij om je te zien, maar dat zal je wel begrijpen. Ik ben wel blij, dat je de overval van de rivierrovers hebt overleefd want de dood gunde ik je nog niet. Mils glimlachte, maar zei voorlopig niets. Hij keek me alleen aan alsof hij mijn uiterlijk bewonderde. Ik praatte met hem over het diner wat we wilden bestellen en vooral over de voortreffelijke zeevruchten, vis en ook wijnen, die we in dit restaurant serveerden. Hij liet de keuze van het eten geheel aan mij over en ik bestelde een voorgerecht van gemengde zeevruchten met een speciaal sausje van Brigit, dan een kleine tonijn voor ons tweeën en als wijn een Chardonnay bij het voorgerecht en een oude Merlot bij het hoofdgerecht. Ik wilde niet een te zware wijn bij de vis drinken maar wel één, die een fluwelen afdronk had. Natasha kwam al direct wat brood en knoflook en kruidenboter en een voortreffelijke sherry/port als aperitief en Mils groette haar hartelijk. Tijdens het genieten van deze drank begon ik te informeren hoe het Mils tijdens de overval van de rivierrovers vergaan was. Hij deed er een beetje minzaam over alsof het een niemendalletje was geweest. Alle roeiers waren kerksoldaten geweest, een vermoeden, dat ik toen al had, en ze hadden de rivierrovers zo overwonnen. Er was echter een klein ongelukje gebeurd waardoor de Dragon zonk en het schip van de rivierrovers als vervoermiddel moest worden genomen. De rivierrovers zelf werden overboord gegooid en daar heeft niemand nooit meer van gehoord. Binnen een dag waren ze op de plaats van bestemming gearriveerd en had hij aangemonsterd naar de Noordrand om met zijn chef Nielsen te overleggen hoe mij terug te vinden. Ja Peter, waar was je gebleven? Ik vertelde mijn verhaal in het kort en tijdens mijn verhaal werd het voorgerecht geserveerd en waren we een tien minuten aan het genieten. Daarna maakte ik mijn verhaal af, hoe hier gekomen en hoe een restaurant met alles erop en eraan was opgezet. Hij verwonderde zich over hoe we zo’n voortreffelijk restaurant in zo’n korte tijd hadden kunnen organiseren en complimenteerde mij met het voortreffelijke voorgerecht en de dito sherry/port en wijn. Volgens hem was dit het beste restaurant waar hij tot nu toe gegeten had. Zelfs de beste restaurants aan de Noordrand konden daar niet aan tippen. Hij zou dit restaurant bij de hoogste bazen van Naplet aanbevelen. Niet dat ik daar behoefde aan had, maar Mils was zeer complimenteus over onze nering, zeker toen hij van het hoofdgerecht had geproefd. Brigit had haar nieuwe kruidenmengsel voor vis uitgeprobeerd en dat pakte voortreffelijk uit. Samen met de wijn was het een geweldige combinatie al zeg ik het zelf, maar ik geniet ook heel erg van vis.

Als nagerecht werd zoet vruchtencakeje geserveerd met daarbij een drank, die sterk aan koffie deed denken, een drank, die Mils altijd graag dronk. Daarbij serveerde ik mijn beste brandy, de beste die Natalie ooit gemaakt had. Het hele diner duurde ongeveer twee Aarduur en na de maaltijd gingen we naar het terras om van de warme zon te geniet. Mils begon weer als een schoolmeester te vertellen. Peter, zei hij, je hebt een voortreffelijk restaurant opgezet, maar dit was niet het doel waarvoor we hier zijn gekomen. Ik moet je meenemen naar de Noordrand en aan Nielsen uitleveren, die je dan over je definitieve taak zal vertellen. Wie is Nielsen, vroeg ik hem. Nielsen is in principe de baas van Natasha’s land. Alle bazen van alle landen wonen aan de Noordrand evenals de hoofden van de kerk. Ze hebben daar hun huizen en kerken langs de hele Noordrand. Vorig Aardjaar is de baas van alle bazen overleden en dit jaar wordt de nieuwe baas, de nieuwe voorzitter gekozen. Nielsen is één van de drie kandidaten en jouw aanwezigheid kan zijn kandidatuur sterk positief beïnvloeden, hoe vertelde hij er niet bij. Dus je moet met mij mee naar de Noordrand en naar Nielsen. Ik vroeg ten overvloede of ik me daar tegen kon verzetten, maar hij had 50 kerksoldaten achter de hand als ik me eventueel zou verzetten en ik wist dat dit mijn lot was, alleen, wanneer gingen we op reis. Nielsen zei, dat er niet zo’n haast bij was als we maar begin volgende dag in Anter waren waar een boot klaarlag speciaal voor mij om me naar de Noordrand te varen. Ondertussen kon ik mijn zaakjes regelen en zou Mils me daar volkomen vrij in laten. Hij vertrouwde erop, dat ik niet zou vluchten en ik had daar ook geen gedachten over. Ik had me tijdens de maaltijd al volledig ingesteld op weer een nieuw avontuur en misschien vond ik dat nog niet zo erg ook. Ik had hier een lekker plekje, maar als de rest van mijn leven er zo moest uitzien, dan was het misschien wat al te saai geworden. Ik was gewend geraakt aan avontuur maar door mijn luie en gemakzuchtige instelling settelde ik mij steeds weer op een makkelijke manier en moest ik gedwongen worden weer nieuwe dingen te beleven. Neen misschien kwam Mils wel juist op tijd. Alleen dat afscheid nemen van mijn vrienden, Natasha en Brigit, Bert, Edward en Pierre en ook Natalie en Bas, dat waren vervelende dingen, vooral afscheid van Natasha. Maar misschien waren er aan de Noordrand ook wel mooie, intelligente vrouwen, waar mee gevreeën en gepraat kon worden, intelligente mannen, die nog niet helemaal door de kerk gekneed waren en ik grinnikte in mijn binnenste en was nieuwsgierig wat er de komende dagen, Aardmaanden,  Aardjaren zou gebeuren.  Ik sprak met Mils af, dat we de eerste trein op de volgende dag zouden nemen naar Anter, maar dat hij me in de tussentijd niet lastig moest vallen. Ik zou mijn zaken hier bij het restaurant regelen, ik zou de wijn bevoorrading in goede banen leiden, Bas en Natalie zouden daar wel voor zorgen. Ik had een jongen in de bediening, die zeer geïnteresseerd in wijn was en die zou ik de 2de dagwake meenemen naar Tan2 en hem mijn wijnwegen laten zien. Ik geloofde direct, dat hij onder leiding van Bas snel zou leren en de kwaliteit van de wijnen zou bewaken. Bij het vissen was ik toch maar een helper voor de zware karweitjes en in het restaurant speelde ik helemaal geen rol behalve die dan van gastheer. Brigit en Natasha waren degenen, die het restaurant de kwaliteit gaven. En de discussieclub, die moesten zelf maar zien hoe ze verder gingen. Waarschijnlijk zou die club wel in mekaar storten, omdat ik duidelijk alle initiatieven had genomen.

Het restaurant gebeuren van die dag liep bijna op zijn einde en ik zat met mijn beste brandy te genieten van de zon op het terras. Tijdens de 1ste dagwake kon je nog in de zon zitten. Dat werd later op de dag anders en dan had je wel parasols nodig, die uitgebreid op het terras gemonteerd waren. Een enkele Naplettaner maakte daar al gebruik van. Natasha had zich discreet teruggehouden tijdens mijn ontmoeting met Mils, maar nu voegde zich bij mij en vroeg hoe het gesprek was gelopen. Het vertelde haar wat ze al vermoedde en ze begon zachtjes te huilen, niet in mijn hoofd maar echt met echte tranen zoals weinigen op Naplet konden. Ik troostte haar en maakte mijn rol hier in Tan nog kleiner, dan die al was. Het restaurant moest doorgaan op deze voet en zij zou wel iemand anders vinden om mee te vrijen en te praten. Zo lang waren we ook niet bij elkaar geweest en zo praatte ik nog veel onzin. Onze relatie was intensief geweest, ook op de momenten, dat we weinig met elkaar omgingen. Zij was altijd ergens in de buurt en ik was altijd ergens in de buurt en we konden elkaar opzoeken als daar behoefte aan was. Maar nu gingen we uit elkaar, duizenden kilometers uit elkaar en dat was een hele nieuwe situatie.

Ook Brigit en Bert kwamen naar het terras en ook Brigit begon te huilen en Bert trok een heel sip gezicht. Bert was degene, die door mij het meest in persoonlijkheid gegroeid was. Hij was van een onbelangrijk berggorilla mannetje een belangrijke schakel geworden in ons hele restaurant gebeuren. Maar ik vertelde, dat de situatie was zoals ze was en dat ons avontuur sinds de overval van de rivierrovers een intermezzo was geweest. Nu moest ik weer mijn eigenlijke doel achterna, zoals die al vanaf het begin van de reis gepland was al wist ik nog steeds niet wat het doel was en kon het me op dit moment ook niet veel schelen.

Die dagslaap kwam er weinig van slapen terecht. Het 1ste uur waren Natasha en ik aan het vrijen, zoals zij dat zo goed kon met pijpen en strelen om de seksuele prikkels bij mij hoog op laten lopen. Ik kan er wel meer over vertellen maar geeft niet het echte gevoel weer, zo’n gevoel had ik de hele reis nog niet gehad. Na een uurtje vervoegde Brigit zich bij ons in mijn huisje. Ze kon niet slapen en zocht Natasha en had wel een sterk vermoeden, dat ze bij mij was. Ze nam deel aan de vrijpartij en alhoewel ze lang niet de ervaring van Natasha had, was haar jeugdig enthousiasme voldoende om mij en Natasha nog een paar orgasmen te bezorgen. Al met al duurde ons spel vele uren en Brigit ontspande zienderogen en kon accepteren, dat ik de volgende dag zou vertrekken en dat ze me waarschijnlijk nooit meer zou terugzien. Uitgeput van het vrijen vielen we met zijn drieën in slaap en sliepen een gat in de volgende dagwake zodat de meisjes zich moesten haasten om de voorbereiding van de lunch voor die wake op orde te krijgen. Bert en zijn consorten was al weer terug van de vangst en stonden in de keuken ongeduldig op Brigit te wachten. De vangst was wat minder dan de vorige dagwake maar niet slecht en Brigit besloot, dat ze het er die dag maar mee moest doen. De vogel leverancier had ook een nieuwe voorraad gebracht en ze zou die dag twee vogelgerechten op het menu zetten.

Ik zocht naar Jack, mijn wijnober in opleiding en deelde hem mee, dat we die dag naar Tan2 gingen. Ik zou de volgende het restaurant verlaten voor een belangrijke missie aan de Noordrand en hij moest mijn honneurs maar waarnemen. Voor die dag nam Natasha mijn wijntaak in het restaurant over. Ze wist er inmiddels genoeg van af om de klanten deskundig te kunnen adviseren. Jack was helemaal opgewonden. Nu werd hij helemaal in de geheimen van de wijn ingewijd en hij kon niet wachten totdat we op de boot zaten naar Tan2. Daar aangekomen zocht in Bas op, die in zijn vertrouwde café zat. Ik vertelde hem de situatie en hij sprong een gat in de lucht van kwaadheid, maar hij reageerde altijd nogal vel. Ik vertelde dat hij de komende dagen Bas moest begeleiden en nodig was in het restaurant. Hij kon gebruik maken van mijn huisje. Bas werd haast letterlijk tien centimeter groter. Hij strekte zijn rug en was één en al  ernst. Dit was voor hem de belangrijkste taak, die hij de laatste tien jaar had uitgevoerd en ik zag meteen, dat hij serieus was en dat ik me daarover geen zorgen hoefde te maken. Ik vroeg hem of we naar Natalie konden om haar dit ook mee te delen en om zich in te stellen op de nieuwe situatie. Bas pakte meteen zijn vogelkar, spande de vogel in en nogal haastig reden we het rivierdal in met alle wijngaarden. Het was wel een paar uur rijden, maar toen we bij de wijngaard van Natalie waren, kwamen haar kinderen mij al tegemoet. De oudste dochter zag Jack en Jack zag de oudste dochter. Daar sprong een vonk over en ook zo wist ik, dat ik makkelijk gemist zou worden. Jack zou de contacten met deze wijngaard voortreffelijk onderhouden. Natalie kwam aangelopen en vroeg naar de reden van het onverwachtse bezoek en we liepen naar het woongedeelte van de wijngaard waar Natalie koffie ging zetten en waar ik op een rustige wijze mijn verhaal vertelde. Ze was onder de indruk maar huilde niet. Jack en Natalie’s dochter, Hilde, waren ondertussen vertrokken om de wijnboerderij en wijngaard te bekijken. De dochter had al een gedeelte van het wijnmaken overgenomen van haar moeder en Jack was dus in vertrouwde handen. Ik vertelde Natalie hoe ik de veranderde situatie wou regelen en zij kon daar mee instemmen. Ze voegde er aan toe, dat haar dochter misschien ook een rol in het hele gebeuren kon spelen en dat beaamde ik hartelijk. Die dochter was een ondernemend type en kon voor het restaurant misschien heel wat betekenen, vooral voor de wijninkoop maar misschien ook op ander gebied. Ze had talent bij verkoop van de wijn en kon mensen bepraten omtrent prijs en kwaliteit. Natasha kon dan misschien een gedeelte van haar taken overdragen aan Hilde en tijd vrij maken om mij misschien aan de Noordrand de bezoeken. Je kon nooit weten, hoe mijn geschiedenis weer zou veranderen al kende ik de volgende fase nog niet.

Ik praatte nog lange tijd met Natalie en besloot de 2de dagslaap bij haar door te brengen. Ook Bas en Jack zouden blijven en aan het begin van de 3de dagwake zouden we terugreizen naar Tan2 en Tan. Ik bracht de slaap in het bed van Natalie door en na de vrijpartij van de 1ste dagslaap kwam er nu één op de 2de dagslaap bij, alleen veel rustiger. We raakten elkaar’s lichaam aan met alle delen van het eigen lichaam inclusief handen en mond op een heel rustige manier zonder haast en onverwachtse bewegingen. We waren een twee-eenheid, die langzame bewegingen maakte. Dat duurde uren in een soort halfslaap-halfwake, niet vermoeiend en veel energie uitwisselend. Het was heel prettig voor beide partijen. Na een tweetal uren in die toestand vielen we vanzelf in slaap en werden bijna tegelijkertijd wakker. We zeiden niets maar namen samen een koud bad elkaar de rug en alle verder onderdelen wassend. Ik moest natuurlijk nog wel uitgebreid naar het toilet en ondertussen vulde Natalie opnieuw het bad met fris water en we wasten ons nog een keer. Vol energie en fris liepen we de ontbijtkamer binnen waar Jack en Hilde al uitgebreid zaten te keuvelen en te eten. Ook Bas was al aanwezig en zag zich de twee jonge mensen aan terwijl wij ons bij hen aansloten. Zo keuvelden en aten we een uitgebreid ontbijt. Na afloop nam ik formeel afscheid van Natalie en Hilde. Hilde huilde een beetje, maar Natalie was gelukkig, niet met het afscheid, maar hoe het afscheid was verlopen. Ze had zich erbij neergelegd, dat ik uit haar leven zou verdwijnen. Ik was ook maar kort in haar leven geweest, nog geen 100 Naplet dagen, nog geen Aardjaar. Bas had de vogel al weer ingespannen en Jack en ik sprongen op de kar. Natalie en Hilde keken ons na tot we uit het gezicht verdwenen waren. Na een paar uur waren we in Tan2 waar de boot al klaar lag om ons naar Tan te vervoeren. Bas spande de vogel uit, die vrij in een soort ren kon lopen. De vogel kon wel weglopen, maar dat deed hij niet. Hij was gewend geraakt aan Bas, die hem verzorgde en die vriendelijke woorden voor de vogel over had. Bas was van plan met ons mee te varen om nog wat regelingen met Natasha en om anderen te treffen voordat ik vertrok en zo voeren we over het kalme Tan meer terug naar Tan, waar we bij de ondergaande zon aankwamen. Deze dag was een dag geweest van omwenteling en afscheid. Het was nu warm en drukkend als altijd aan het einde van de dag. Het restaurant zat vol en ik haastte me om me om te kleden net als Bas deed en om samen met hem met de gasten te praten en te voorzien van wijn en andere lekkere dranken. Ik introduceerde Bas bij de gasten en vertelde hen, dat ik op reis ging en Bas voorlopig mijn honneurs waarnam. Bas glom van trots omdat hij zo’n belangrijke rol in dit belangrijkste restaurant van Tan zou krijgen en hij deed zij uiterste best om goed bij de mensen over te komen. Als oud visser wist hij veel van de vissen, die geserveerd werden en wist ook deksels goed welke wijn bij welke vis het lekkerste smaakte. Ondanks zijn 60+ in Aardjaren gerekend, was hij nog heel vitaal en enthousiast over zijn nieuwe taak. Neen ik had me niet op Bas verkeken. Die zou nog een belangrijke rol in dit restaurant kunnen spelen.

Bij de ondergaande zon zaten nog vele gasten op het terras en ik serveerde van mijn lekkerste sherry/port en brandy en ik deed dat gratis en voor niets zodat de meeste gasten lang bleven hangen en aangeschoten naar huis gingen om te slapen. Bas, Jack en ik waren de laatsten, die nog op het terras zaten. Iedereen was al naar bed, toen Jack schommelend aftaaide naar zijn slaapplaats en Bas en ik gearmd naar mijn huisje liepen. Ik had een 2de slaapkamer met een bed en dropte Bas daar alvorens half uitgekleed in mijn bed te vallen in een dromenloze slaap.

De volgende morgen had ik tekenen van een kater maar ik vond het niet erg. Dat was nu eenmaal de straf voor zo’n uitgebreide drinkavond. Ik keek in de slaapkamer van Bas, maar die was nog niet wakker dus ik nam de badkamer gedurende een langere tijd in beslag om weer geheel fris te worden, behalve mijn hoofd dan. Na afloop schudde ik Bas wakker en vertelde hem om zich ook op te frissen, maar hij had daar duidelijk geen zin in. Ik had berenhonger en dorst en liep naar het restaurant voor een ontbijt op het schaars verlichte terras. Eén van de meisjes uit de keuken stond altijd voor mij klaar en toen ik eraan kwam, kwam ze al met een groot blad met broodjes, fruit en verschillende fruitsappen. Ze was een beetje verliefd op mij en ik liet haar maar een beetje begaan. Dat was in ieder geval gemakkelijk, echter de volgende dag zou ze iemand anders moeten vinden om verliefd om te worden. Dan was ik hier niet meer, nooit meer. Verzadigd en met een klein kusje aan het meisje liep ik terug naar mijn huisje waar Bas ondertussen in de badkamer bezig was. Ik pakte mijn vertrouwde rugzak en kamde die geheel uit. Touw en dergelijke zou ik niet meer nodig hebben maar wel schoon ondergoed en goed, mijn zakje met diamanten en mijn messen, de laatste halflege aansteker en nog wat Aards gerei. Het zakje met munten liet ik uit mijn rugzak. Dat zou ik aan Natasha geven. Ik had het op de reis naar de Noordrand niet meer nodig. Twee nikkelen munten hield ik apart. Ik wilde bij de lokale kleermaker nog wat nieuw ondergoed en hemden laten maken. Daar zat al weer behoorlijk de sleet op.

Ik zocht Natasha en vond haar in haar eigen kamertje in het restaurant, waar ze altijd de administratie deed. Ik vertelde haar uitgebreid over Natalie en Hilde en dat Hilde haar misschien zou kunnen ondersteunen in het runnen van het restaurant. Ze had daar wel oren naar en ze zou Natalie en Hilde de volgende dag bezoeken om wat zaakjes in die richting te regelen. Ze was weer één en al activiteit alsof ze mijn vertrek wilde vergeten door hard te werken. Na een uurtje verliet ik haar op weg naar de kleermaker. De 1ste nachtwake had altijd een rustig karakter omdat de meeste mensen de dag uitgeluid hadden zoals de overgang op Aarde van zondag naar maandag. De kleermaker kende mij goed daar ik al vaker kleren bij hem had laten maken. De broeken, die hij gemaakt had waren van voortreffelijke kwaliteit en waren nog lang niet aan vervanging toe. Ik bestelde wat overhemden, onderbroeken en onderhemden, wat sokken en een driekwart jas. Aan de Noordrand was het altijd wat koeler dan hier en soms kil in de nachten. Daar had je wel wat warme kleren nodig. Mijn Aardschoenen waren nog lang niet versleten, maar ik ging toch naar de schoenmaker om me een extra paar schoenen aan te meten. Zowel kleren als schoenen zouden aan het einde van de 2de nachtwake klaar zijn en ik kon ze dan ophalen. Mijn twee nikkelen munten waren precies voldoende voor mijn bestellingen en ik betaalde daarom alles vooruit. Naplet mensen zijn in dat geval betrouwbaarder dan Aardmensen. Afspraken zijn veel meer afspraken dan op de Aarde.

Voldaan liep ik naar het restaurant terug  waar ondertussen de lunch van de 1ste nachtwake was begonnen. Het restaurant zat ongeveer halfvol en het zou ook niet veel drukker worden. Dit was de goedkoopste lunch van alle geserveerde lunches. Het was een soort lopend buffet, waarbij de overblijfselen van de laatste dagwake op een nette manier gerangschikt waren. Het type gasten was ook anders. Veel meer bouwvakkers de zich tegoed deden aan allerlei lekkernijen en er een stevige bier bij dronken. We hadden aan het restaurant ook een klein barretje toegevoegd, waar bier werd getapt uit houten vaten in grote houten bekers. Ik sloot me bij de bouwvakkers aan zoals altijd en at en dronk met hen mee. Dit was mijn enige lunch, die ik in het restaurant nam. Ik vond het gezellig en kon goed met die mensen overweg. Minder kak en meer recht voor zijn raap.

De 2de helft van deze 1ste  nachtwake bracht in mijmerend door en schreef een lang verhaal in mijn dagboek. De dagboeken zou ik ook in mijn rugzak meenemen. Die werd wel aardig vol. Ik kwam wel aan een kleine 15 kilo, maar de reis zou gemakkelijk zijn, nauwelijks lopen en veel met de trein en de boot. Mils zou daar wel voor zorgen. Ik maakte er ook een lange 2de nachtslaap van. Ik wilde goed uitrusten voordat ik weer op reis ging. Ik moest fit zijn, alert zijn, mijn oren spitsen om te weten te komen wat ze precies van mij wilden. Bij de start van de 2de nachtwake liep ik richting steiger om afscheid te nemen van de vissers, Bert, Pierre en Edward. Ze hadden bij geruchte vernomen, dat ik zou vertrekken, maar ik had daarover nog niet persoonlijk met hen over gepraat. Vooral Bert keek en beetje sip toen ik mij bij hen vervoegde. Hij was degenen, die de hele tocht had meegemaakt, hij was degenen, die zich van niets tot iets belangrijks had opgewerkt en ik had hem daarmee kunnen helpen. ’s Nachts werd er niet gevist, maar werd onderhoud aan de boot gepleegd en de netten en kooien gerepareerd. Daar waren ze alle drie druk mee bezig toen ik naast hun ging zitten en vertelde over mijn aanstaande vertrek. Bert wist waar het om ging, de andere twee moest ik uitleggen waarom ik zo nodig weg moest, gedwongen door de kerk en andere belangrijke heren van Naplet. Ze begrepen het nog niet, maar ze konden het wel accepteren. Ik bedankte Bert nogmaals voor de grootse tijd, die ik met hem had doorgebracht en toen kwamen de tranen. Hij omhelsde mij met een emotie zoals alleen de gorilla type mensen dat kunnen en na een paar minuten liet hij mij los en verdween in stilte naar de andere kant van de steiger. Ik praatte nog even door met Pierre en Edward en verliet toen de oever van het meer, het meer van Tan. Dit meer zou altijd in mijn herinnering blijven ook al zag ik het nooit meer en waarschijnlijk zou ik het ook nooit meer zien.

Die nachtwake deed ik mijn routinematige dingen zoals ik de laatste tijd hier gedaan had. Alleen was ik er niet zo met gedachten bij. De mensen zweefden mij voorbij alsof ze alleen in mijn dromen bestonden. Tegen het einde van die nachtwake haalde ik mijn bestelde kleren en schoenen op en pakte mijn rugzak zorgvuldig in. Ik keek nog rond in mijn huisje, nam vluchtig nogmaals afscheid van iedereen en liep naar het klooster, waar Mils op mij zou wachten. Ik was vroeger dan gepland, maar Mils kende mij als een man van het woord en zat al op mij te wachten samen met de abt. We wisselden wat beleefdheden uit en Mils vertelde hoe de reis zou verlopen. Vlak voor de opgaande zon zou de trein van Tan naar Anter vertrekken. Dat was over een Aarduur of zeven. Dan zouden we in Anter de boot nemen naar de Noordrand met één tussenstop in Fransisco stad en dan verder naar de Noordrand, waar de B-rivier splitste in allerlei kleinere ondiepe rivieren. Daar zouden we afmeren en met een soort trein nog 600 kilometer moeten rijden tot we bij het landgoed van Nielsen waren. De Noordrand was over zijn hele lengte van 15000 kilometer bewoond, maar er waren geen concentraties van mensen, er waren geen echte steden. Het was een waterrijk gebied met stroompjes en meren, dus de trein was niet altijd een rijdende trein maar ook een varende trein. De Rand werd maar over een breedte van 30 tot 50 kilometer bewoond. Zo gauw je op het platte vlak kwam werd het snel kouder en konden temperaturen van 50 tot 100 graden onder nul bereikt worden. Daar op het Noordvlak was alleen plaats voor de mijnbouw. Vlak ten zuiden van de Rand, zeg maar in een strook van 200 tot 100 kilometer werd aardolie gewonnen vooral gebruikt voor verlichting, maar door de hoge heren ook voor verwarming. De olie werd in raffinaderijen gefractioneerd, niet zoals op de Aarde maar toch in enkele lichtere en zwaardere fracties voor verschillende doeleinden. De olie werd niet op grote diepte gewonnen, neen minder dan 100 meter van het oppervlak vandaan. Die olie werd over heel Rondo verscheept, zodat de nachten verlicht konden worden met talloze oliebranders in verschillende maten en vormen. Er waren dan ook honderden van die raffinaderijen, al enkele honderden jaren lang en ze hadden nog wel voorraad voor enkele honderden jaren. We zouden door dat gebied varen, niet het aantrekkelijkste deel van Naplet, vooral door plaatselijke luchtvervuiling. Er waren daar dan ook geen steden zoals we tot nu toe aan de zijrivieren tegengekomen waren. Er waren concentraties van mensen die vlak in de buurt van de raffinaderij woonden. Geen aangename job, maar iedere mannelijke Naplettaan had de plicht daar een 100 dagen te werken. Wie langer wilde werken kreeg een goed salaris uitbetaald, maar de meeste namen toch geen contract langer dan vijf jaar vanwege het ongezonde klimaat.  Het was dus varen door de hel naar de hemel, die de Noordrand was voor de mensen, die er woonden of die ervan gehoord hadden.

Na het verhaal van Mils werd mij een slaapplaats toegewezen, waar ik rustte totdat we met de trein zouden vertrekken. Het was een vreemde plek om te slapen. Het klooster deed mij onvriendelijk en onpersoonlijk aan als ik het vergeleek met mijn eigen huisje bij het restaurant aan het meer en ik kon de slaap dan ook moeilijk vatten. De tijd vergleed echter snel en ik werd gewekt door een monnik, deed mijn behoefte en waste mij een beetje oppervlakkig. Samen met Mils liep ik naar het station, waar de trein zou vertrekken. Er waren geen andere reizigers anders dan de 50 kerksoldaten, die Mils meegebracht had om mij te begeleiden. Het was een trein voor ons alleen, voor mijn missie en die van Mils, die hij tot een goed einde wilde brengen. We hadden al eerder in een dergelijke trein gereden, maar deze was veel luxer, vooral in de wagon waar wij zaten. Er was een zithoek met vier luie stoelen en een bargedeelte met vele sappen en ook alcoholische drankjes. Er waren lekkere hapjes van vruchten, hartige hapjes met vooral vis en zoete hapjes. Dit was nog eens comfortabel reizen en ik nam het er ook van. Een vruchtenmixje met wat alcohol en een vishapje gingen er bij mij prettig in. Mils was wat bescheidener en hij leek weer in een soort trance zoals ik hem de hele reis op Naplet al had zien doen. Na een kwartier was hij weer bij zijn positieven en ik besloot nu toch maar te vragen wat hij zo deed tijdens zo’n trance periode. Hij was er nu tot mijn verbazing zeer openhartig over.  Ik wissel van gedachten met mijn baas Nielsen en dat doe ik al gedurende de hele reis en nu werd hij weer de onderwijzer. Op Naplet wordt weinig gereisd en is reizen ook langdurig en vermoeiend. Om kennis van andere streken op te doen, is lange afstand communiceren ontwikkeld. Daarvoor moeten mensen elkaar zeer goed kennen en veel met elkaar trainen om op de goede golflengte af te stellen. Leider Nielsen en ik hebben dat gedaan en ik kan nu van bijna elk punt van Naplet met hem communiceren. Ik heb hem zo goed als alles verteld, wat tijdens onze reis is gebeurd, de positieve dingen zowel als de tegenslagen. Hij was verbaasd over de flexibiliteit van jouw geest en het reageren op vreemde situaties. Hij beschouwt jouw als een bijzonder intelligent mens en wil graag met je praten. Hij zal dan ook vertellen waarom je naar Naplet bent gebracht. Ik heb zo wel mijn vermoeden maar zeker weten doe ik het niet. Nielsen heeft nog een achttal mensen waar hij mee lange-afstand kan communiceren, maar ik heb er maar één, alleen Nielsen. Hier in Natasha’s land ben ik in principe de hoogstgeplaatste persoon, maar eigenlijk ben ik slechts assistent van Nielsen als ik aan de Noordrand ben. Eigenlijk zou ik wat meer vrijheid van geest en handelen willen en daarom heb ik me beschikbaar gesteld voor deze reis. De voorbereiding van deze reis heeft bijna tien jaar geduurd, waarbij ik me zowel geestelijk als lichamelijk ingesteld heb op wat er op de Aarde kan gebeuren. Ik heb de boeken en geschriften van de Aardling, die je is voorafgegaan in een leven op Naplet en daar heb ik bijzonder veel aan gehad. Aardmensen zijn agressiever van gedachten en handelen anders dan Naplettaners. Er komen op Aarde vele oorlogen en twisten tussen mensen voor. Op Naplet is dat niet het geval, alleen wat struikrovers en rivierrovers, maar dat laten we zo begaan. Er zijn Napletttaners, die een uitlaadklep nodig hebben en die kunnen zich op die manier uitleven. Dat is een geheime politiek van de leiders van deze planeet en het helpt. Bovendien reizen de mensen dan minder en kunnen ze niet snel op andere gedachten komen, andere dan die de kerk en het onderwijs ze met de paplepel heeft ingegoten. Daarom gaan ook bijna alle kinderen op jonge leeftijd naar een kostschool en wordt het contact met de ouders losgeweekt. De mensen weten niet anders dan zich volgens de kerkse regels ter gedragen en komen niet op de gedachten om iets anders te denken. Het helpt ook, dat er geen gebrek aan voedsel op Rondo is. Op elke plaats groeien genoeg landbouwproducten en fruit en er is bijna onbeperkt alcoholische drank beschikbaar meestal in niet al te sterke vorm. Als mensen eens in een depressie zitten kunnen ze zich altijd nog met een beetje alcohol behelpen. Op Naplet worden ze daar nauwelijks agressief van maar eerder dromerig en vergeetachtig. De weinige zorgen zijn dan snel vergeten. Jij bent natuurlijk in een heel andere cultuur opgevoed, veel harder en met veel meer agressiviteit. Jij bent een nogal cynische kerel, die van alles en nog wat in twijfel trekt. Jij bent intelligent en goed van discussie ook al via het gedachtepraten. In Tan heb je je nogal met wereldse dingen als vissen en wijn beziggehouden maar je was ook van plan een discussieclub op te richten om te praten over geestelijke zaken. Dat laatste zouden we als kerk en leidinggevers op den duur niet hebben toegelaten. Het zou mogelijk zijn geweest, dat je een kiem had gelegd voor andere gedachten, die de kerkelijke opvoeding doorkruist. Nu is dat niet meer mogelijk. Op de Noordrand mag gerust over dat soort dingen praten. Het zijn daar meestal leidinggevende figuren, die af en toe wel eens een geestelijke uitdaging nodig hebben om niet te verzanden in hun kerkelijke en wereldlijke macht. Neen, er zijn al mensen, die zich verheugen op je komst, ook mijn baas, leider Nielsen. Er zijn echter ook een aantal geleerden, die met je willen praten over technische ontwikkelingen. Op de Noordrand komt zo langzamerhand wat meer metaal ijzer, nikkel , zink, chroom, zodat we eraan moeten denken daar technische voorwerpen van te maken. Ons gesprek dreunde nog een beetje door, maar ik was murw geslagen door de verhalen van Mils en dutte langzaam in.

Ik schrok wakker door en fluiten en remmen van de trein. We waren in Anter aangekomen. Mils had me maar in de stoel laten slapen en dat had nogal een aantal uurtjes geduurd want de zon was behoorlijk geklommen aan de horizon en dat ging op Naplet nogal langzaam. Ik pakte mijn rugzak en andere spulletjes, o.a. mijn messen en klom uit de trein richting Mils, die al buitenstond. Mils had niks gezegd van mijn messen en ik had dan ook het gevoel, dat ik alles mocht behouden als ik maar meeging naar de Noordrand naar Nielsen. We werden met een vogelkoets naar de kade gebracht waar ons schip al klaarlag. Dat schip was aanzienlijk groter dan de Dragon en op dek aangekomen zag ik een complex van luxe hutten op het achterdek, waarvan ik één geheel de mijne mocht noemen. Zelfs het bed was op mijn maten aangepast. Dit schip was van de kerkelijke macht. Dit schip werd gebruikt om belangrijke personen en hun aanhang te vervoeren en nu was ik die belangrijke persoon. Eenmaal aan boord verkende ik het schip. Er waren wat meer roeiers en ook kerksoldaten, maar voor de rest voer dit schip met dezelfde uitrusting als de Dragon.

We vertrokken en hetzelfde mooie beeld van de rivier en de beplanting daarachter en de bergen in de verte trok aan mijn oog voorbij. Dit had ik toch al verschillende malen gezien, maar ik kreeg er nooit genoeg van, nooit genoeg van de verre horizon en de kleurenschakering hier op Naplet. Er was ook groen in verschillende schakeringen, maar die heerste niet zoveel als op de Aarde. Rood en blauw, zeldzaam in Aardse landschappen, kwamen hier veel frequenter voor. Ik genoot van het uitzicht en van het begin van de Napletdag, die nog fris was door de vroege ochtendregen en waar de temperatuur nog een aangename 20 graden was. Later op de dag werd het droger en heter en de avonden waren verre van aantrekkelijk door de hitte, zodat iedereen weer naar de nacht verlangde. Die tijd`overgang van dag naar avond, was ook het hoogtepunt in het restaurant en werd er ook verreweg de meeste (alcoholische) dranken gedronken, zodat vele mensen dromerig naar bed gingen.

Het roeien had al weer grotendeels opgehouden en de zeilen namen de vaart over, ondersteund door nog een paar roeiers. Ik zwierf een beetje uit over het dek om te kijken of de roeiers weer in vissers waren omgeslagen en dat was ook op dit kerkelijke schip het geval. De roeiers bleken ook allemaal uit Anter en omgeving te komen en zouden bij de volgende stop terugroeien op een ander schip. Extra waren de 50 kerksoldaten, die Mils had meegebracht om mij op te halen. Die hadden een eigen verblijf in het vooronder, maar die moesten ook eten en deden dat veelal via brood en de gekochte vissen van de roeiers. Ik ging naar het vissen kijken. Deze vissers gebruiken wel riviervruchten om mee te vissen en geen vogelresten. Ze vingen ook allerlei soorten vissen in verschillende grootte tot wel 10 kilo. Neen, deze vissers hoefde ik niet veel bij te brengen. Ik wilde wel een gebraden visje kopen, maar ik had geen geld meer. Ik vervoegde me bij Mils met de vraag om geld en hij keek me verbaasd aan maar gaf me een aantal koperstukken zonder verder een opmerking te maken. Ik ging zo snel mogelijk weer naar de vissers en kocht een groot stuk vis voor een koperen munt, wat natuurlijk veel te veel geld was, maar daar bekommerde ik me niet om. Ik was de belangrijke gast aan boord. Zo kwam ik deze vaartocht door in alle ledigheid en met het kijken vissen. Af en toe nam ik een hengel over en ving net zoveel als de andere vissers en daar deed me veel plezier.

Na twee dagen varen waren we Francisco stad, de hoofdstad van Portalië. Ik heb een beetje rondgekeken in die stad maar zonder Natasha en enig doel is er niet veel aan. Die stad leek op de andere steden maar een ietsje groter. Ik was blij dat we die avond weer verder voeren en blij dat ik aan boord van het schip was. Ik had het gevoel, dat de avondtemperatuur niet meer zo hoog was dan in Tan en Mils vertelde dat we nu nog maar duizend kilometer van de Noordrand waren en het klimaat gematigder werd. In een strook 100 kilometer rond de Noordrand waren er lichtvriezende ochtenden met een beetje regen en sneeuw en de avonden werden nooit warmer, dan 20 -25 graden. Het was een aangenaam klimaat, een vruchtbaar klimaat waar van alles groeide en bloeide en ook veel vogels, hagedissen en andere dieren voorkwamen, behalve dan de zoogdieren. Die nacht begon het een beetje onaangenaam te ruiken, een beetje naar olie en zwavel en ik had het vermoeden, dat we in de raffinaderij streek terechtgekomen waren, maar ik zag in het donker daar natuurlijk niets van. Toen de zon opkwam was de geur weg en waren de raffinaderijen weg. Die strook van een paar honderd kilometer waren we verder ongemerkt voorbijgevaren. We zouden begin volgende dag aanleggen aan de Noordrand, de Noordrand met het vele water en het gebrek aan steden. Ik bracht de meeste tijd weer bij de vissers door, ook de volgende nacht en was benieuwd hoe de Noordrand eruit zou zien. Tijdens de laatste nachtwake van die dag droomde ik over vreemde mensen en ik droomde, dat ik kon zweven, weliswaar geholpen door een grote vogel, maar toch zweven. Ik werd wakker met een licht hoofd. Mils stond al naast me en vertelde ik hem over mijn lichte hoofd. Hij lachte en beetje en vroeg me op te staan en te lopen. Ik nam een stap en donderde tegen de deur. Zo’n grote stap was niet de bedoeling, maar ik had toch een normale stap gezet. Toen herinnerde ik me ineens over de zwaartekracht aan de Noordrand. Die was veel kleiner dan op het cilindervlak. Die was de laatste bootreis al een klein beetje minder geworden, maar nu, misschien nog maar de helft. Vandaar ook dat zweven in mijn dromen. Ik deed mijn behoefte en waste me in de kleine hut aangrenzend aan mijn eigen hut en liep toen een paar maal met grote stappen over het dek om aan de mindere zwaartekracht te wennen. Het sneeuwde zachtjes, een natte sneeuw. Dit was na de bergen weer de eerste sneeuw, die ik meegemaakt had. Bij de opgaande zon keek ik naar het Noorden, maar ik zag geen oneindigheid meer. Het water hield er in de verte ineens mee op. De rivier was ook veel smaller geworden. Ik kon beide oever zien, oevers waar een soort mangrovebos in het water groeide, oevers ontoegankelijk voor maar enig schip. Het schip voer op de Oostelijke oever en ineens zag ik een doorgang van een 50 meter breed, waar de roeiers op mikten. Beide oevers waren weer vol gegroeid, een moeilijke omgeving om een overval te doen of zelfs een oorlog te beginnen. De soldaten zouden verdrinken in de rivier of opgegeten worden door de vele krokodillen, slangen en zelfs grote vissen, die ik af en toe aan het wateroppervlak zag. Ineens was daar het einde van de opening met een aanlegsteiger van wel 100 meter lang, genoeg om het schip aan te meren. IJverige handen legden het schip vast en Mils en ik stapten als eersten van boord, verwelkomd door een priester in volledig gewaad. We werden naar een groot huis, een soort Zwitsers chalet geleid en naar een grote kamer gebracht waar een heel groot ontbijt klaarstond. De tafel was omringd door 6 schattige meisjes, jonge vrouwen, die op het minste commando klaarstonden om ons te bedienen. Ik zag al een vleugje van de luxe en het mooie leven, dat ik hier zou krijgen. Ik was tenslotte de belangrijkste gast in jaren aan de Noordrand. In het binnenste schaamde ik mij een beetje, dat ik zo verzorgd werd door meisjes, waarvan de “opleiding” mij al in het begin van de reis duidelijk was geworden. Ik nam mij voor wel gebruik te maken van dergelijke meisjes en vrouwen, maar ze met het hoogste respect te behandelen zo goed als ik dat kon. Na het ontbijt werden we naar een rijtuig geleid waar de grootste loopvogels waren ingespannen, die ik tot nu toe had gezien. Het rijtuig stond op een spoor, dus je kon het vergelijken met een diligence op sporen, een trein als rijtuig. Het rijtuig was net als de trein naar Anter zeer luxueus ingericht, weer voor twee personen, met een klein keukentje in een aparte ruimte met twee mensen, die voor onze inwendige mens zouden zorgen. Het rijtuig werd gevolgd door tien kerksoldaten op dezelfde grote vogels en ik vroeg mij af of ik ook zo’n vogel zou kunnen bereiden. Ik vroeg dat aan Mils en die vermeldde me dat ik ruimschoots de gelegenheid zou krijgen om van alles te doen en te leren. Het belangrijkste voor leider Nielsen was, dat ik maar gezond en in goede conditie bleef. Ik zakte achterover in mijn stoel en keek naar buiten terwijl we reden. Er waren geen vergezichten, alles was nogal dicht begroeid. Nu en dan reden we op een soort dijk tussen grote hoeveelheden water door. Opeens veranderde het mangrove en oerwoudachtige landschap in een parklandschap en Mils vertelde me, dat hier leider Johnson woonde, leider van een land waarvan me de naam direct weer ontschoot. In de verte zag ik enkele prachtige, grote chalets liggen, die als woon- en dienstgebouwen werden gebruikt voor het huishouden van leider Johnson. Het spoor verdubbelde zich hier en ik zag een twee rijtuigen om het andere spoor staan. Mils vertelde me, dat deze stations werden gebruikt om ruituigen te laten passeren en ook om van vogels te verwisselen. Het waren een soort postkoetsstations en herbergen tegelijk. Ons ruituig stopte en we gingen een herberg binnen om wat te eten en te drinken. Ik zag dat de vogels uitgespannen werden en vanuit de herberg zag ik een grote weide waar vogels stonden te grazen en waar ze gevoed werden. Er waren wel 50 vogels op dit station aanwezig. Ik vroeg hoeveel er van die stations en landgoederen waren en Mils vertelde me, dat ongeveer elke 100 km zo’n station en zo’n landgoed was, bijna langs de gehele Noordrand. Daar Naplet een diameter heeft van 5000 kilometer is de omtrek ongeveer 15000 kilometer ofwel waren er ongeveer 150 van de landgoederen en stations. Op elk landgoed zat een leider van een land en soms wel twee bij elkaar en ook de leiders van de kerk woonden op zulke landgoederen. Ik bedacht, dat landgoederen aan de andere kant van de Rand wel erg ver van de plaats lagen, waar onze boot was aangekomen, maar Mils verlelde me, dat er vier van zulke aanlegplaatsen waren. De landgoederen, die het verste van een aanlegplaats lagen, lagen op ongeveer 20 haltes en dus bijna 1 ½ dag reizen in een rijtuig. We zouden nog vijf van zulke haltes passeren voordat we bij het landgoed van leider Nielsen waren en we zouden daar bij ondergaande zon aankomen. De landgoederen lagen zeer geïsoleerd en ze waren dan ook volledig zelfverzorgend, behalve dat elke 2de dag en rijtuig kwam met lampolie en andere producten, die elders vandaan kwamen. Communicatie tussen de landgoederen vond via het lange afstand praten plaats. Op elk landgoed waren een paar mensen daar speciaal voor opgeleid en natuurlijk kende de leider die techniek ook. Eens per vijftig dagen kwamen de leiders fysiek bij elkaar om te praten over problemen en over toekomstige plannen en strategieën. Er was een leider-voorzitter, maar die was 100 dagen geleden overleden op een leeftijd van, en ik vertaalde het naar Aardjaren, 189 jaar, onvoorstelbaar oud voor Aardse begrippen. Mils vertelde me echter, dat alle leiders, die hier aan de Noordrand zaten, ouder waren dan 100 jaar en dat Nielsen één van de jongste, met 110 jaar, maar ook één van de meest ambitieuze was. Hij wilde de nieuwe leider-voorzitter worden en dat liefst zo lang mogelijk en Mils keek schielijk in mijn richting. Ik speelde dus een rol in het leven van Nielsen om voorzitter te worden en dan wel zo lang mogelijk. Zo brachten we de dag door bijna vijf uur in het ruituig en dan twee uur in een herberg om te eten of andere dingen te doen.

Er stond al een klein welkomst comité, toen we op het landgoed van leider Nielsen aankwamen. We stapten over in een kleiner ruituig,dat over een brede oprijlaan naar het hoofdgebouw van het landgoed reden. De weg was voorzien van kleine grijsgroene stenen,  die flink waren aangestampt. Hij reed dan ook vrijwel zonder schokken. De oprijlaan was de langste, die ik ooit had meegemaakt, wel 10 kilometer lang. Langs de laan stonden verschillende bomen met daarachter boomgaarden en velden met knollen en ook voedsel voor de vogels en andere beesten, die hier gehouden werden. Ik zag vele kleine huisjes in het landschap, waar mensen woonden, die het land bewerkten en de bomen en beesten onderhielden. Er waren ook verschillende grote vijvers, waarin ik vermoedde, dat vis gekweekt. Voorwaar een zelfonderhoudende gemeenschap. We arriveerden bij een soort kasteel ommuurd door wel een muur van 10 meter en binnen die muur lagen vele huizen en een kerk en een soort paleis. Dit landgoed was veel grootser dan wat ik onderweg had gezien. Ik had het vermoeden, dat die Nielsen  wat meer wilde zijn dan zijn collega leiders. Het zag er in ieder geval indrukwekkend, maar ook heel schoon, uit. We reden naar een plein, waaraan een groot huis lag en we reden daar de poort binnen en stopten voor een bordes, waar al een paar mensen stonden. Mij viel direct een lange kerel met een baard op, een baard zoals de mijne, een baard, die nauwelijks op Naplet voorkwam en ik herkende die vent direct als Nielsen. Hij zag eruit als een gezonde, blonde Scandinaviër, helemaal niet als de gemiddelde Naplettaner uit Rondo, die meer gedrongen en donkerder waren, om maar te zwijgen over de Gorilla-type mensen. Samen met Mils liep ik het bordes op en Nielsen kwam naar voren om mij een hand te geven. Het was een stevige hand, een stevige hand van iemand met een doel, een levensdoel.

 

16. Nielsen, het doel en het leven op de Noordrand

Zo zei leider Nielsen, jij bent dus de Aardmens waarop ik zo lang heb gewacht. Jij, Peter bent degene, die mij voorzitter kan maken van deze hele planeet. Ik heb al veel van je gehoord, ik heb je hele reis vanuit de verte meegemaakt en je bent me er eentje. Volgens mij ben je creatiever dan bijna iedere Naplettaan, behalve dan misschien Natasha. Van dieie meid ben ik ook ten zeerste onder de indruk, maar daar ging het voor mij niet om. Het ging om jouw en je Aardse genen. Laten we naar binnen gaan en onder het genieten van wat eten en drinken praten over het hoe en waarom je hier gekomen bent. Met forse stappen liep leider Nielsen naar binnen en ik samen met Mils erachteraan. De anderen volgden ons niet dus was het alleen om ons drie te doen. Nielsen liep naar een relatief kleine kamer met een hoog plafond, grote luie stoelen en een tafel, die rijkelijk gedekt was met vis- en vogelhapjes, knollen en vruchten en verschillende soorten dranken, waaronder ook bier en wijn. Ik besloot zo vrij te zijn om wat voor mezelf te nemen en schonk een rode wijn in met een indrukwekkend opschrift en pakte een vishapje. Nielsen nam een biertje en wat vruchten en Mils deed hetzelfde. Ik ging in een stoel en begon mijn vishapje met  riviervruchten weg te knabbelen zo nu en dan  een klein slokje wijn drinkend. Nielsen en Mils deden hetzelfde en de eerste vijf minuten waren we stil. Nu kun je natuurlijk gedachtepraten terwijl je eet, maar alle drie namen even de rust omdat niet te doen. In de buurt van Nielsen stelde Mils niet al te veel voor. Zijn gedrag was onderdanig en hij keek Nielsen ook niet rechtstreeks aan.

            Na vijf minuten nam ik het initiatief. Ik wilde nu toch wel eens weten waarom zoveel moeite gedaan was om mij hier op Naplet te krijgen. Waarom kon ik niet rustig in Tan had kunnen blijven om te genieten van het mooie leven en de mooie vrouwen daar en ik dacht aan Natasha, Natalie maar ook aan Brigit. Nielsen dacht even na over wat hij wilde zeggen en toen begon hij zijn verhaal.

            Peter je weet misschien van Mils, dat de mensen op Naplet oud kunnen worden en ik knikte. Er zijn mensen, die wel 17500 Naplet dagen (bijna 200 jaar) oud zijn geworden, maar iedereen sterft op die hoge ouderdom aan hetzelfde, vooral hier op de Noordrand. Het is een bloederziekte, waardoor geen adem gehaald kan worden en men langzaam stikt. Het is geen mooie dood, kan ik je wel vertellen. Onze geleerden hebben die ziekte al lange tijd onderzocht maar vonden geen geneesmiddel. Je weet ook, dat er een Aardse voorganger van je is geweest. Ik kon me vaag iets herinneren, dat Mils zoiets tegen me had gezegd, maar ik wist geen details. Die voorganger heeft hier en tijdje geleefd en onze geleerden alles over de Aarde verteld, wat hij wist. De geleerden hebben hem uitgebreid lichamelijk onderzocht en één van de grote verschillen met de Napletmens was het bloed. De Aardmens heeft rood bloed en de Naplet mens heeft gelig bloed. Dat komt doordat de Aardmens veel meer hemoglobine in zijn bloed heeft wat zorgt voor de zuurstofvoorziening van het hele lichaam. Met de zuurstof kunnen voedingsstoffen verbrand worden en krijgt de mens zijn energie. Bij de Naplet mens is dat anders. De zuurstof voorziening werkt via een ander biochemisch proces waarvan ik je de details wil besparen. Echter voor dat proces is ook een beetje hemoglobine nodig, die de Naplet mens bij zijn geboorte in een kleine hoeveelheid meekrijgt. Hij maakt echter nauwelijks meer hemoglobine in zijn leven aan ook door het gebrek aan ijzer en zelfs met ijzerpillen wordt er nauwelijks meer van die hemoglobine gemaakt vooral niet op hogere leeftijd. Daardoor gaat zuurstofoverdracht trager en stikt de Napletmens langzaam op hogere leeftijd. Jij hebt minstens 5 liter bloed in je lichaam. Een beetje van jouw bloed toegediend aan een Napletmens zorgt ervoor, dat hij binnen de kortste keren weer prettig kan ademen en dat jij hem wel 10 dagen een zeer aangenaam leven geeft. Echter het mensbloed moet fris zijn. Je kan niet alle vijf liter aftappen en dat gedurende langere tijd bewaren. Je bent eigenlijk een geneesmiddel dat in leven en gezond moet blijven. Als ik en nog een aantal mensen dan elke 10 dagen een druppel van je bloed krijgen, zijn we weer krachtig, vooral op hogere leeftijd en kunnen we wel dubbel zo oud worden. We kunnen dan het land veel langer en op een goede wijze dienen. Het is dus nodig, dat je elke tien dagen (ongeveer 1 ½ Aardmaand) een half litertje bloed geeft aan ons, waarmee we dan de belangrijkste mensen hier aan de Noordrand kunnen injecteren. Een halve liter bloed is ongeveer genoeg voor honderd mensen. Ze moeten dan wel hier komen om de bloeddoping te krijgen. In dat geval wordt ik de figuur, samen met jouw, die het aangename leven van de belangrijke mensen regelt en daar is natuurlijk een prijs voor als je begrijpt wat ik bedoel en ik begreep hem donders goed. Hij was dan de heerser over het leven van die mensen en hij zou de baas spelen over het leven van die mensen en van alle mensen op Rondo, het Noordelijk deel van Naplet. En ik was het geneesmiddel bij leven en gezondheid, maar ik had ook ijzer nodig om mij hemoglobine op peil te houden, dat half literje bloed was geen probleem, maar het ijzer, waar haalde ik dat vandaan. Het was net of leider Nielsen mijn gedachten kon lezen al stond ik niet open om gedachten te praten. Het was griezelig maar hij kon gedachtelezen, als je niet oppaste. Ja, ijzer was voor ons ook het probleem en een aantal geleerden hebben zich hier een tijdje mee beziggehouden, maar onze vorige Aardbezoeker had het over ijzerpillen, die makkelijk op Aarde te koop waren. Mils heeft daar een voorraad van meegenomen van de Aarde en onze geleerden hebben die onderzocht. Ze kunnen de werkzame stof, ijzerfumaraat (C4H2FeO4) namaken, dus dat is geen probleem. Neen, je mag hier alles doen, je krijgt de grootste luxe hier, maar je moet gezond blijven en hier blijven. Mijn landgoed is de plek waar je de rest van je leven zult  verblijven. Je kan de mooiste, gewilligste vrouwen hebben, je mag de meest exotische hobby’s kiezen, als je maar hier blijft in goede gezondheid. We kunnen niet voorkomen, dat je een einde aan je leven maakt en ons zo met een dood lichaam opscheept, maar ik hoop niet, dat je zoiets in gedachten hebt. We zullen er alles na doen om het je naar je zin te maken. Ik was ook niet van plan een einde aan mijn leven te maken, althans voorlopig nog niet. De uitzichten op korte termijn waren voortreffelijk en op langere termijn zou ik wel wat kunnen verzinnen om hier weg te komen. In de 1ste plaats wilde ik hier de boel verkennen en kijken hoe het reilde en zeilde. Dan zou ik mijn plannen kunnen trekken en er langzaam over kunnen nadenken of ik hier zo lang wilde blijven  of dat ik plannen moest maken om hier te vertrekken. Dit was de grootste en meest luxe gevangenis, die je je maar voor kon stellen en ik wilde die gevangenis wel leren kennen. Alleen, hoe lang blijf ik in leven. De Aardmens wordt gemiddeld 75 jaar en ik had statistisch dus nog 30 jaar te gaan. Ik vroeg dat aan leider Nielsen en hij lachte. Jij verouderd hier op Naplet nauwelijks. Volgens mij ben je sinds je op Naplet bent zelfs lichamelijk jonger geworden, misschien wel 10 Aardjaar jonger.  De zuurstofdruk is hier bijna tweemaal zo hoog als op de Aarde en nu je daaraan gewend bent heb je meer energie ter beschikking. Als je nog ooit terug zou gaan naar de Aarde zal je het de eerste paar weken moeilijk hebben maar een mens past zich zeer snel aan aan de omstandigheden. Mils had het moeilijk op de Aarde, maar rood vlees heeft hem er bovenop geholpen. Daarom was hij daarop ook zo gek op. Neen jij veroudert hier misschien wel 5 maal trager dan op de Aarde. Die 30-40 jaar worden hier dus 150-200 jaar en tegen die tijd zijn we wel weer. Ik zou dan misschien wel 300 jaar oud zijn en heel anders denken over leven en dood. Dus dit was niet zo maar een gevangenis, dit was een gevangenis, waar je heel lang bleef leven. De meeste gevangenissen op Aarde hebben een omgekeerd effect. Leider Nielsen praatte door over wat ik hier zou krijgen en na een uurtje vertoeven in deze kamer, gingen we naar buiten alwaar reeds een vogel rijtuig klaarstond om mij naar mijn verblijven te brengen. Dat was een goed uurtje rijden richting Noorden. De temperatuur werd iets lager en de zwaartekracht weer iets meer hoe verder je naar het Noorden reed, maar het was nog steeds aangenaam. We reden een hek door en daar stond een complex van gebouwen en wel 50 mensen, mannen en vrouwen, hele mooie vrouwen, om me te verwelkomen. Ik keek leider Nielsen verbaasd aan en hij beantwoorde mijn vraag met: “Dit is jouw landgoed, een landgoed in een landgoed. Het is 2000 hectare groot (5x4 kilometer) met boomgaarden en landerijen, met grote vijvers en daarin vissen zoveel als je wilt, van allerlei soorten. Er is ook een kleine wijngaard, 20 hectare, met een aantal verschillende soorten druiven en een paar mensen, die verstand hebben van. Al die mensen zijn hier om jouw te dienen en als het niet genoeg is, krijg je er meer of andere mensen. Jij bent de belangrijkste persoon hier op dit landgoed (Nielsen uitgezonderd, dacht ik in een hoekje van mijn geest) en dat moet ook blijken uit jouw omgeving. Hij leidde me naar mijn huis, een klein Zwitsers chalet. Het zag er niet heel groot uit, maar binnen was alle comfort, die je kon denken. Er was een keuken, een slaapkamer met daaraan een hele luxe badkamer. Er was een eetkamer, een zitkamer en een kamer om gasten te ontvangen. Er was een voorraad kamer met allerlei drankopslag en mogelijkheden om voedsel te bewaren. Er was een kamer met fitness toestellen om me lichamelijk op conditie te houden en dat alles gelijkvloers. Neen, dit was om te watertanden. Bovendien stonden er ook vier van de mooiste dames ook gezien, voor mij in het gelid. De meisjes/dames waren voor Naplet begrippen relatief lang en ze benaderden de lengte van Natasha. Buiten zag ik een aantal huizen, waar mijn bedienden, om het zo maar te zeggen, woonden. Verder waren er schuren voor gereedschap en vogels en er was een kleine wijnmakerij, waar een paar mannen rustig met elkaar zaten de praten. In één van de schuren stonden een aantal rijtuigen om vogels voor te spannen. De vogels zelf stonden verderop in een wei. Ik gaf elk persoon, die ik ontmoette, de hand en vertelde, dat ik Peter genoemd wilde worden en dat ik in de loop van de komende dagen een praatje kwam maken om meer van de desbetreffende persoon te weten te komen.

            Ik ging weer mijn eigen chalet binnen en leider Nielsen en Mils namen afscheid van mij. Ik moest deze dag en nacht maar verder invullen. Morgen vroeg kwam er een geleerde persoon, die mij mijn 1ste halve liter bloed zou aftappen en ook met ijzertabletten om mijn hemoglobine gehalte op peil te houden. In het begin had ik daar nog niet veel van nodig. Hier was ik dan op mijn landgoed met mijn vier jonge dames, die nog steeds in het gelid stonden en nog niets hadden gezegd. Dat moest ik eerst maar eens regelen. Ik vroeg de dames vriendelijk in mijn beste gedachtelezen of ze naar de zitkamer wilden gaan om met mij te praten maar alvorens dat te doen iets van een hapje en een drankje klaar te maken. Twee van de dames haasten zich direct naar de keuken en de twee andere dames liepen met mij de zitkamer binnen en ik verwees ze naar een stoel om te gaan zitten en ik nam een stoel bij de open haard. De dames keken me schuchter aan maar gingen toch op de stoelen zitten maar net zo alsof  ze het onaangenaam vonden. Ze waren natuurlijk nog niet op de hoogte van hoe ik deze huishouding zou willen runnen en ik wist dat zelf ook nog niet. Dames, begon ik, ik ben van een andere planeet en weet niet precies hoe ik met deze situatie moet omgaan, deze situatie met vier dames, die mij in alle vormen dienen, maar we zullen er wel uitkomen. Ten eerste heet ik Peter en ik zou ook graag jullie namen weten. De dames keken me verlegen aan maar de grootste, slechts 15 centimeter korter dan ik, nam het woord. Ik heet Ada zei ze me en dit is Bea naast een iets kortere wijzend, zij heet Cleo en zij, de kleinste is Daphne, tenminste zo klonk het in mijn hoofd en zo zal ik zo ook maar noemen. Wel dames, we moeten de situatie maar zo nemen zoals ze is. We moeten relaxed met elkaar omgaan. Ik ben niet echt jullie baas. Leider Nielsen heeft deze situatie zo geregeld. Jullie moeten jezelf zien als mijn assistenten om mij te helpen deze situatie te overleven en zo goed mogelijk te maken. Neen, jullie zijn niet mijn assistenten, jullie zijn in ieder geval  je eigen baas op het gebied waarvoor je hier bent, maar ik weet nog niet waarom jullie hier zijn en wat jullie hier kunnen betekenen. Ada nam weer het woord. Cleo en Daphne zei ze, zijn vooral voor het huis, koken, schoonmaken en dat soort dingen. Bea en ik zijn vooral voor buiten het huis, je de weg wijzen, je naar de verschillende plaatsen brengen. Wij rijden de vogel rijtuigen, maar ook kun je rechtstreeks op een vogel rijden. Dat zullen we je nog aan moeten leren. En dan zijn we er met z’n vieren voor jouw nachten. Wij zijn geheel voorbereid om je seksleven zo aangenaam mogelijk te maken. Ik stond versteld, vier dames, die mij het seksleven zo aangenaam mogelijk willen maken, maar ik hield me in. Ik zei, dat ik zeer beperkt was op het gebied van seks en ze lachten, maar zeiden er verder niets over. Goed, we zullen wel zien, zei ik, maar nu wil ik dit stukje grond wel eens verkennen. Cleo en Daphne trokken zich terug en Ada en Bea begeleiden me naar de vogelschuur, waar een paar rijtuigen en een tiental vogels ondergebracht waren. Ze spanden een tweetal vogels in en we reden met zijn drieën de schuur uit en het landschap in. Het was al behoorlijk schemerig, dus we hadden niet al te veel tijd om rond te kijken. Eerst richting de landbouwvelden en de boomgaarden. Daar ontmoette ik vele mensen en met iedereen maakte ik een praatje. De mensen schenen  tamelijk tevreden te zijn met hun situatie. Ze woonden goed en gemoedelijk en het werk was niet al te zwaar. Daarna gingen we richting wijngaard waar een aantal soorten witte en rode druiven stonden. Op Naplet zijn geen seizoenen, dus kunnen druiven groeien wanneer ze willen. Meestal worden de verschillende druiven op verschillende tijdstippen geplukt, zodat de hele tijd door wijn gemaakt kan worden net als Natalie deed. De Noordrand is echter kouder en het kan er het eind van de nacht vriezen, zodat de druiven langzamer groeien en ook beschermd moeten worden tegen de vrieskou. Ik wilde hier meer over weten, maar nu was er de tijd niet voor. De volgende dag zou ik me er wat meer mee bezighouden. De wijnmakers leken me echter enthousiaste lui, die hun vak goed beheersten. Op het Noordelijke gedeelte van het landgoed wat mij was toegewezen, was een hele grote vijver, bijna een meer van wel 500 hectare. Er was een boothuis en er waren een paar vissersbootjes aangemeerd. Ik praatte met de vissers en vroeg welke vis hier gevangen werd. Dat waren er nogal wat en heel verschillende soorten. Zelfs waren er snoeken, zoals in het meer van Tan, maar dan van een kleinere maat. Die grote snoeken zouden teveel roofbouw op het visbestand plegen. Ik sprak met hen af, dat we de volgende morgen zouden gaan vissen, zodat we een kleine voorraad hadden voor de dag. Ik had liever vis, dan vogel en bovendien vond ik vissen erg leuk, vooral om er naar te kijken.

            Het was bijna donker en we reden naar ons chalet terug. De kleine dames hadden inmiddels een grote maaltijd klaargemaakt, zelfs met vis en hadden de tafel in de eetkamer al gedekt. Voor drie personen, maar ik stond erop dat dat vijf personen werd. Ze hadden een vissoep, een vogelgerecht en een visgerecht en het toetje van zoete vruchten in een bladerdeeg stond al in de oven en zou binnen tien minuten klaar zijn. Er werden verschillende soorten wijn geserveerd, maar en beetje de verkeerde bij elke gang. Dat zullen de volgende keer iets beter doen, maar ik klaagde er nu niet over. Ik stond erop, dat de dames ook een beetje van de wijn dronken. Ze waren dat duidelijk niet gewend want binnen de kortste keren werd het gesprek tussen ons geanimeerder en waren de dames duidelijk een beetje aangeschoten, maar dat gaf niet. Ze werden ook wat intiemer en ze stonden erop, dat na het eten we gezamenlijk in bad zouden gaan. Ik dronk relatief veel en liet de dames maar begaan. De kleine dames ruimden op en de grote dames begeleiden me naar de badkamer, waar een groot bad met redelijk warm water stond. Ze kleedden me uit maar schrokken van mijn grote lid, welke langzaam stijf werd. Dat lid was veel te groot om in hun kutje te passen, maar ik maakte hen duidelijk, dat dat ook helemaal niet nodig was. Hun mond was groter en daarmee konden ze me ook een nog grotere erectie en een orgasme bezorgen. Hun enthousiasme nam duidelijk toe naarmate we langer vreeën. Ik was niet veel gewend en liet hun maar begaan. Een seksuele band zoals tussen Natasha en mij bestond niet, maar ze waren goed genoeg om mij een paar keer een orgasme te bezorgen. Dat kon ik jammer genoeg omgekeerd niet zeggen. Ik had te weinig initiatief om de dames te bevredigen. Echter de dames konden elkaar wel aan en zo was iedereen naar een uur in een afkoelend bad uitgeput maar seksueel tevreden gesteld. De kleine dames vervoegden zich bij ons en deden mijn nachtkleding aan. Het was niet koud, maar toch kon het de nachten aan Noordrand behoorlijk koeler worden en er was alleen verwarming in de twee hoofdkamers van het chalet. Daphne keek een beetje schielijk naar mij. Zij zag me wel zitten alhoewel ze niet aan de vrijpartij had meegedaan. Ik vroeg haar vriendelijk of ze het bed met mij wilde delen, niet om te vrijen, maar gewoon om niet alleen, eenzaam, hier in een bed te liggen. Zij begreep mij meteen, kleedde haar uit en ging naar me liggen. Ik raakte haar aan, haar ronde borsten, haar spitse kontje en ik was tevreden en verzadigd. Dit was een luilekkerland leven, dit kon ik jaren volhouden, kon ik dat? Ik wist het niet, maar dat maakte nu niet uit en langzaam viel ik in slaap en droomde van vrouwen en vissen, van Naplet en Nielsen en wie weet wat nog meer.

            Ik werd vriendelijk gewekt door Ada, die me vertelde, dat ik wel 15 Aarduur geslapen had. Daphne was niet meer in mijn bed, ik weet niet hoe lang ze naast me gelegen heeft, maar dat was niet belangrijk. Er stond alweer en warm bad klaar en de dames wilden me weer vergezellen in bad, maar ik maakte duidelijk, dat ik nu niet die behoefte had. Ik wilde alleen zijn met mezelf en van het bad genieten. Ik werd langzaam wakker in het bad en dacht na over dit luilekkerland. Dat was wel leuk voor even, maar lang zou ik het niet volhouden. Ik moest duidelijk een plan maken om hier op den duur weg te komen, maar hoe.

            De ganse nacht dacht ik na om iets te bedenken van een vlucht. Dat hoefde niet direct, maar er moest een doel zijn in dit leven en dat doel was om een vluchtplan te bedenken en ook uit te voeren. Ik moest ergens naar toe werken, maar ik had alle tijd daarvoor. Op Naplet zou mijn leven minimaal tweemaal zo lang zijn als op de Aarde en ik moest er niet aan denken, dat de rest van mijn leven was zoals Nielsen gepland. Nielsen had natuurlijk allerlei mensen, geleerden in dienst, die van alles wisten. Met die mensen zou ik moeten praten om een idee te vormen hoe hier weg te gaan. Het uitvoeren van zo’n plan mocht jaren duren, maar zo’n plan zou me op de been houden en zou me geestelijk fit houden, zodat ik niet zou vervallen in apathie. Er ging een gedachte door me hoofd omtrent de vogels. Ik had gehoord, dat mensen met de vogels konden vliegen. Zou dat een vluchtmogelijkheid zijn? En hoe dan verder? Nielsen en consorten hadden op Rondo alle touwtjes in handen. Al ik ergens landde, hadden de kerksoldaten me binnen de kortste keren weer te pakken. Neen, ik zou een zwart gat moeten vinden, waardoor in van deze plek ver weg kon reizen, zodat ze me niet meer konden pakken. Het moest natuurlijk wel een plek zijn, waar nog te leven was, het liefst de Aarde maar ook andere plekken zouden in aanmerking komen. Ik was een avontuurlijk leven nu gewend en een luilekkerland was wel aardig, maar niet voor je hele leven. Ik zou Mils of Nielsen eens vragen of ik met zijn geleerden en onderzoekers zou mogen praten. Die willen waarschijnlijk vast wel met iemand van een andere planeet praten. Dat moet voor hen interessant en uitdagend zijn. Zo bracht ik de hele nacht door denkend, slapend en af en toe met de dames vrijend. Ik was met hen al een hele familiare band opgebouwd, waarbij de relaties zich langzaam vastlegden. De twee langste dames waren mijn vrijpartners in het bad, de kleinste wiegde me in slaap en Cleo vond het aangenaam en samen met mij een thee de drinken en te praten over koetjes en kalfjes. Zij had het meeste behoefte aan een relatie en zij had een vriendje buiten het huis. Ik moedigde haar aan meer bij het vriendje op bezoek te gaan. Het werken in mijn huis moest ze beschouwen als werk en ze was niet verplicht hier de hele dag te blijven. Ze keek me blij aan en gaf me pardoes een kus. Dit had ze niet verwacht, ze had niet verwacht, dat ik haar een persoonlijke vrijheid gunde en ze ging direct naar de andere dames om het goede nieuws voor haar te vertellen. De dames waren niet jaloers op elkaar of iets dergelijks in relatie met mij. Ze beschouwden het als hun werk, hun plicht om mij zo goed mogelijk te verzorgen en dat was hun ingeprent ook.  Dat maakte voor mij de zaak gemakkelijker. Ik kon commanderen wat ik wilde, ze voerden het altijd uit, maar ik was zeer selectief in mijn commanderen. Ik wilde dat ieder van de dames haar vrijheid had en niet altijd op mij lette. Dat gaf mij natuurlijk ook de vrijheid om een plan te maken voor een vlucht en om af en toe op mezelf te zijn zonder dat er iemand klaarstond op de minste of geringste kick van mij.

            Ik was al wakker toen de zon langzaam boven de horizon kwam, eerst een heel klein stukje, daarna steeds meer, maar het ging natuurlijk veel langzamer dan op de Aarde. De horizon zag er brokkelig uit, niet een mooi rechte lijn maar een soort boog ten teken, dat we niet geheel meer op het cilinderoppervlak zaten, maar dat ook het Noordvlak zich in de horizon mengde. Het regende nog lichtjes hier, maar toch was de zon te zien. Ik zou een regenboog verwachten hier of daar, maar die kon ik niet ontdekken. Daphne stak haar kop om de deur van mijn slaapkamer en zag dat ik al wakker was. Ze kwam op me toe en kuste me zachtjes op mijn hoofd. Zij was een lieve meid en met haar kon ik het beste overweg. Ze vertelde me dat het ontbijt over een half uurklaar zou zijn en daarom vervoegde ik me naar de badkamer, deed mijn behoeften en waste me met koud water. Ik ging niet in bad alhoewel die gevuld was met water van een aangename temperatuur. Toen ik de eetkamer binnentrad zag ik een vreemdeling, een al wat oudere heer daar reeds zitten. Oh ja, ze wilden elke dag een beetje bloed van me hebben en ik groette de man vriendelijk. Dan man groette formeel terug, waarbij hij zijn hoed afzette en een kleine buiging maakte. We hoefden niet van gedachten te wisselen omtrent de bloedafname. Ik stroopte reeds mijn rechtermouw op en ik ging naast hem zitten. Hij pakte een glazen fles met daaraan een naald van een stekelstruik of zoiets verbonden. Hij maakte mijn arm schoon met alcohol en rubberband om mijn bovenarm om die wat af te klemmen. De man was volledig op zijn taak, belangrijke taak, voorbereid. Hij stak de naald in mijn arm en trof meteen een ader. Het bloed bloeide gestaag in de fles tot die gevuld was. Hij maakte de band los en trok de naald snel uit mijn ader. Hij demonteerde de naald,  voegde een beetje vloeistof aan mijn bloed toe en sloot de fles af met een deksel. Hij pakte de fles voorzichtig in een stuk papier en borg het geheel in een kistje alsof het iets kostbaars was, wat het ook was. Toen pakte hij een klein flesje met pillen en gaf die mij. Dit zijn ijzerhoudende pillen zei hij tegen mij. Kunt U  bij het begin van elke wake er een nemen? Dat houdt Uw bloed op kwaliteit. Ik begreep meteen, dat het ijzerpillen waren, nam er één en dronk daarbij een beetje sap. Het waren de enige woorden, die we met elkaar wisselden. Hij verdween direct met zijn kostbare schat en ik begon lekkere dingen van het ontbijt te nemen. Daphne en Cleo waren goede kokkinnen naast de andere eigenschappen, die ze hadden. Ada kwam binnen en ik vroeg haar een vogel rijtuig in te spannen. Ik had natuurlijk een afspraak met de vissers en ik wilde daar niet te laat zijn. Een kwartier later reden we weg en binnen een kwartier stond ik op de steiger met de vissers te praten. Ik had natuurlijk al ruime ervaring met vissen langs de rivieren met hengels, op de Dragon met hengels en op het meer van Tan met fuiken, netten en soms ook hengels. Zij gebruikten ook netten en fuiken en hengels, maar dit meertje was lang niet zo groot als het meer van Tan en de boot, die we gebruikten was ook van een kleiner type. Er werd alleen maar geroeid want de boot had geen zeilen. We voeren het meertje op om ten eerste in de buurt van de oever te kijken waar wat fuiken uitgezet waren. De helft van de fuiken was gevuld. We vingen een paar palingachtige vissen, een paar kreeften en zelfs enkele grote garnalen, een soort tijgergarnalen. Ik complimenteerde de vissers met die vangst en ze glommen van trots. Daarna voeren we het meer op en gooiden de netten uit. De hengels werden klaargemaakt en er waren ook twee hengels voor mij gereserveerd. Ze gebruikten tarwekorrels, kleine aardappels en wat vogelvlees als aas, maar ik wilde ook wel vis of zee (meer)vruchten als aas gebruiken. Misschien hadden ze iets van pieren maar ik zag dat niet bij het aas liggen. Ik pakte mijn mes en sneed de kleinste paling in stukken. Ze keken me verbaasd aan, verbaasd over het mes, maar daar trok ik mij niets van aan. Ik deed een stuk paling aan de doornige haak en gooide die overboord. Het duurde even tot ik een vis ving, de echte vissers hadden veel eerder beet, maar toen ik beet had, ving ik een snoek, een grote snoek. Die hadden de vissers nog nooit aan de haak gehad, wel eens in het net maar nog nooit aan de haak. Die morgen ving ik vier snoeken en trots voer ik met de vissers terug. De vissers hadden toch een soort ontzag voor me gekregen. Ik was niet die landheer, die zich maar liet verzorgen door de mooi vrouwen, die lui op zijn kont lag en alleen maar commandeerde. De vangst was goed geweest, beter dan verwacht. Ik zocht een aantal vis en meervruchten uit en liet de rest over aan de vissers. Voor die dag en nacht hadden we aan 10-15 kilo vangst meer dan genoeg met z’n vijven en ik wist niet eens of de dames van vis hielden. Opgetogen reed ik samen met Ada terug, Ada, die de hele tijd had staan wachten. Ik vertelde haar, dat ze tijdens het vissen rustig haar eigen gang kon gaan. Ik was geen mijnheer, die op zich liet wachten. Ik was een gewone jongen van een andere planeet, die toevallig hier was omdat hij van dat fijne bloed had. Ik zei het een beetje als bevel, maar ze had me begrepen. Ik wilde ook mijn vrijheid en was niet altijd gediend van damesgezelschap en van oppassende dames. Ik heb nog vele malen gevist en van toen af heeft ze mijn opmerking gevolgd en heeft nooit meer aan de pier gewacht. Sterker nog, soms moest ik wel een uur op haar wachten, nadat we uitgevist waren. Ik vond dat niet erg, want met vissers praten over vissen is altijd aangenaam en een beetje visserslatijn kan geen kwaad. Daphne was blij met onze vangst en ze zou die eerste dagwake een vismaaltijd klaarmaken. Mils vervoegde zich vlak voor het diner bij ons en sloot aan bij het diner van de eerste dagwake. Hij  complimenteerde Daphne en Cleo met de lekkere maaltijd en ik vond het ook lekker, alhoewel ze niet aan het koken en vooral het kruiden van Brigit konden tippen. Ik wist wel iets van die kruiden af, maar had me niet bemoeid met de details en ik wilde me hier ook niet met het koken bemoeien. Na het eten dronken we samen nog een lekkere brandy en ik vroeg Mils naar de zaken hier en hoe het zat met de ontwikkelingen hier. Had leider Nielsen een eigen staf om ook mijn bloed op de goede manier te bewerken en waren hier ook wetenschappers, die iets van vogels, van vissen eventueel van zwarte gaten wisten. Mils zei, dat Nielsen de beste geleerden van het land had. Daarom was het ook mogelijk geweest, dat hij, Mils, naar de Aarde reisde. Hier was de man aanwezig van de doorgangen naar parallelle werelden en Mils zou hem aan mij voorstellen. Ik zei ook dat ik belangstelling had voor grote loop-, maar vooral vliegvogels en leider Nielsen had een kenner in dienst, die vliegvogels trainde en zelfs al wat vluchten boven het landgoed had gemaakt. Ook die zou hij mij voorstellen en gelukkig rolde ik die avond in bed samen met Daphne, die mijn lichaam zo lekker verwende totdat ik in slaap viel.

            De tweede dagwake besteedde ik eerst aan de wijngaard met de wijnmakerij. William was de hoofd wijnmaker en leidde me rond over de wijngaard om de verschillende druivenstokken te bekijken. Het was geen grote wijngaard, zelfs kleiner dan die van Natalie, maar er stonden ongeveer dezelfde druivensoorten. Ook hier werd elke tien Naplet dagen een nieuwe wijn aangemaakt, zowel verschillende rode, een rosé en drie witte wijnen. De druiven werden in de perskuip nog met de voeten geperst, waarna het geperste most met schil en al in de gistkuip werd gepompt met een handpomp. Daar verbleef de most tot wel acht Naplet dagen, waarna eikenhouten met de wijn gevuld werden. De schillen en de lekwijn gaan naar de destilleerderij voor het maken van verschillende typen brandy. Ook wordt er alcohol van andere vruchten gebruikt om brandy met verschillende fruitsoort smaken te maken. William was bijzonder trots op zijn destilleerderij en toen ik er een paar proefde moest ik toegeven, dat deze brandy soorten tot de lekkerste behoren, die ik ooit gedronken had, opnieuw weer luilekkerland. Leider Nielsen wist heel goed hoe mij te paaien. Onder de wijnmakerij was een kelder waar de wijnen bewaard werden en Willam vertelde me, dat ik eigenaar was van alle wijnen, die er lagen. Ik bloosde een beetje, maar zei hem, dat het hele landgoed, dat aan mij toegewezen was, hiervan moest profiteren. Misschien was niet iedereen een wijndrinker maar toch.

            Die middag bezocht ik Mils, die me naar de vogelman bracht. Ik herkende hem direct. Hij was de 2de man, die ik ooit gezien had, die net zo’n vogeljack droeg als ik ooit  Bethesda gekocht had en deze sprak me direct aan. Het was een klein, joviale kerel, die misschien een geleerde mocht zijn, maar meer interesse had voor zijn vogels. Hij mocht Mils niet en die nam ook na 10 minuten afscheid zodat ik met de vogelman alleen was. Hij bracht me naar een prachtige vogelwagen en reed een halfuurtje totdat we bij een ontzettend grote kooi kwamen. Die kooi van gevlochten lianen en met verschillende ondersteuningen van grote palen, was wel 30 meter hoog en wel 100 bij 50 meter. Toen we binnentraden zag ik verschillende types kleurrijke vogels, allen groter dan ikzelf, dus minimaal twee meter hoog. Het waren reuzen vogels en mijn vogelman vertelde me, dat ze allemaal konden vliegen en dat hijzelf buiten de kooi gevlogen had met twee verschillende vogels. Die vogels hadden een schofthoogte hoger dan een paard en om erop te stijgen had je een opstapje nodig. Ik vroeg of het voor mij ook mogelijk was om te leren vliegen. Hij keek mij aan, mijn 1 meter 85 en haalde zijn schouders op. Misschien wel, misschien was zijn antwoord. U ben nogal groot en zwaar. Misschien wel hier op de Noordrand, waar de zwaartekracht relatief laag is maar buiten de Noordrand denk ik niet. Maar ik heb nog veel grotere vogels en hij liep wat verder. In een hoek stond een vogelpaar, zo hoog als een giraf, iets minder nek, iets meer lichaam. Deze vogels kunnen wel 100 kilo bij volle zwaartekracht dragen en waarschijnlijk over lange afstanden. Alleen het starten is moeilijk. Ik ben ze nu aan het leren om in deze kooi aan een touw te vliegen en om ze verschillende commando’s te leren. Het gaat al een beetje en misschien over twintig dagen probeer ik voor de eerste keer met hen in het vrije te vliegen. Misschien kunt u daar getuige van zijn. Ik zei dat ik dat graag zou willen en dat ik ook in het trainingsprogramma mee zou willen doen. Ik ben een grote kerel, die zulke grote vogels misschien beter kan hanteren. Hij was het van harte daar mee eens en vanaf toen was ik in ieder geval één dagwake bezig met vogels en het trainen van vogels. Dat gedeelte van de aanzet tot een ontsnapping was in ieder geregeld.

            Zo bracht in mijn dagen door op het landgoed van leider Nielsen, door in een luilekkerland met weinig geestelijke aanspraak, maar wel met allerlei dingen, die me interesseerden, dingen als vissen, wijn maken en vliegvogels. Op een dag, in de vroege morgen, vroeg de man, die mij het bloed afnam, of ik naar het landgoed van leider Nielsen wilde komen. Ik ontbeet eerst en na een half uur reed ik met hem mee. Er stonden tientallen vogel rijtuigen voor de deur van Nielsen en ook in zijn huis was het een drukte van belang. Het leek op een bijeenkomst van belangrijke mannen en ik werd naar een ruimte gebracht, die op een kleine congreszaal leek. Nielsen en nog een paar mensen zaten op het podium terwijl waarschijnlijk één van Nielsen’s geleerden een verhaal vertelde, zowaar over mij en mijn ras van Aardmensen. Toen ik binnentrad werd iedereen stil en werd in naar het podium geleid en mocht ik aan de lange tafel gaan zitten. Het verhaal ging nog even door maar toen viel er een stilte. Er werd mij gevraagd op te staan en naar de lessenaar te lopen om een paar woorden aan de goegemeente te zeggen. Ik vertelde over mijn achtergrond en reis in een kleine tien minuten en Nielsen keek de zaal in en glom. Toen kwam mijn dokter naar voren om mij bloed af te nemen en ik liet dat gewillig toe. Nielsen vertelde de aanwezigen, een kleine 200 mannen, dat ze nu direct van dat bloed toegediend kregen en dat ze daarna moesten vertellen, niet allemaal, een paar vertegenwoordigers, hoe het voelde naar de bloeddonatie. De mensen werden één voor één na een kleine kamer naast de congreszaal geleid, niet alle mensen, een paar bleven zitten. Er kwam een man op mij af, die zich voorstelde als Johnson en die mij nieuwsgierig vroeg hoe het was om door zwarte gaten te reizen. Nu had ik relatief weinig ervaring, maar één gat, maar ik vertelde zo goed mogelijk wat ik mij herinnerde. Hij zou ook een keer graag door zo’n gat willen reizen, maar ja, dat mocht niet, terwijl hij het bestaan en de locatie van vele van die gaten wist en van een aantal ook, waar die naar toe leiden. Ik spitste mijn oren en vroeg hem of het niet mogelijk was met hem daarover te praten. Ik was zeer geïnteresseerd in zijn werk en misschien konden we verder van gedachten wisselen. We maakten een afspraak voor de 2de  dagwake en die hele 1ste dagwake was ik bezig om gewiekste vragen te formuleren om te weten te komen over de locatie van de gaten en eventueel waar ze naar toe gingen. Johnson was te naïef om aan leider Nielsen te melden, dat we met elkaar zouden praten en dat was maar goed ook. Waarschijnlijk had leider Nielsen door, dat ik nog wel eens van plan kon zijn om te ontsnappen.

            Het gesprek met Johnson liep vlot en aangenaam en ik kwam alles te weten wat ik weten wilde. Ik had één van de beste flessen wijn uit onze wijnkelder meegenomen en dat bleek een gouden greep. Johnson hield van goede wijn en hij krulde zijn lippen al bij de gedachten om een glaasje te drinken, maar allereerst gingen we praten. Hij had zich goed voorbereid en hij kwam al meteen met een kaart tevoorschijn, waarop hij de gaten had getekend, die naar een parallelle wereld leiden. Het begrip parallelle wereld werd nog duisterder voor mij. Op slechts een paar honderd kilometer van deze plek was een gat van een drie misschien wel vier meter doorsnee, dat naar Hostu leidde, het Zuidelijk deel van Naplet. Waar precies op Hostu wist hij niet, maar uit wat berekeningen en redenaties wist hij voor 95% zeker dat Hostu de andere kant was. Het gat was gelegen ten Noorden van een redelijke mijnstad waar kolen en olie werd gewonnen. Binnen een afstand van 1000 kilometer van deze plek waren nog een aantal gaten van ongeveer dezelfde grootte maar van geen wist Johnson precies, waar de uitgang naar toe leidde, waarschijnlijk naar planeten, waarvan ik nog nooit gehoord had. Ik vroeg welke naar de Aarde leidden en hij wees me zonder aarzelen naar drie gaten in de omgeving van de grote bergen en wees ook het gat aan waardoor Mils was gereisd. Dat was verdomde ver weg van hier, maar ik maakte toch een schets in mijn boek over de precieze locatie van die gaten. Je kon nooit weten. Voor de rest waren de gaten niet interessant voor mij en ik vertelde over de Aarde en hoe die in mekaar zat, hoe de structuur was met veel metalen en allerlei typen zoogdieren. Johnson luisterde ademloos en stelde af en toe een vraag. Ik maakte de wijnfles open en schonk ons beiden een glaasje verder pratend over Aarde, godsdienst en cultuur. Dat van de Godsdienst begreep hij niet. Er was toch maar één God en de kerk vertelde daar van alles over. Er was toch maar één kerk, die God diende en hij schudde zijn hoofd. Ik begreep nu nog sterker hoe de mensen op Rondu geïndoctrineerd waren ten aanzien God en kerk. Zelfs geleerde mannen als Johnson konden niet nadenken over het bestaan van God en de kerk, die op Rondo eigenaar was van God. Hij dacht na over vele dingen, kon beredeneren, waar zwarte gaten naar toe gingen, maar was geblokkeerd in gedachten over religie. Ja, de kerk had hier de touwtjes helemaal in handen en ik was onder de indruk hoe goed ze de touwtjes wel in de handen hadden. Als er maar genoeg te eten en te drinken was, honger bestond niet op Naplet, en als er maar andere afleidingen waren, ik wist niet welke, dan kon je mensen totaal in een bepaald patroon houden.

            Ik vroeg wat informatie omtrent en wie daar werkten. Het waren volgens hem allen open mijnen of in ieder geval geen diepe mijnen. De meeste mijnwerkers waren vrijwilligers, die een goede boterham verdienden om een huis te bouwen in hun stad of om een nering te beginnen. Ze werkten maximaal 500 Naplet dagen in de mijnen in contracten van honderd of tweehonderd dagen. Er waren ook wat gevangenen, die hun straf door mijnwerken uitdienden. Bijna alle lichter gestraften deden mijnwerkersarbeid in de kolen en oliemijnen. Dat was makkelijker  en ze verdienden er ook nog mee. Dat gold niet voor de metaalmijnen op het Noordvlak. Dat waren meestal de boeven van de samenleving, de struikrovers, de rivierrovers en zulk gespuis. De metaalmijnen waren veel onaangenamer op het zeer koude noordelijke vlak. Toch werkten die ook maar een beperkte tijd. De zwaarste straf, die een grote boef op Naplet kon krijgen was 500 dagen in een metaalmijn en daar Naplettaners gemiddeld 15000 dagen oud werden (een 150 Aardjaar), was die toch niet zo streng. Van levenslang of zelfs de doodstraf hadden ze op Naplet nog nooit van gehoord en Johnson gruwde bij die gedachten. Iemand doodmaken vanwege een misdaad was toch niet normaal. Hij kon niet begrijpen,dat mensen in cellen zetten zonder dat ze ergens werken. Er was toch altijd werk genoeg, in de landbouw, in de nering of in de mijnen. Ieder op Naplet kon wel een baantje vinden om de vrouw te onderhouden, om een huis te kopen of om andere leuke dingen te doen. Binnen de steden en de dorpen waren sporten en spelletjes zelfs op professioneel niveau, die leken op sporten en spelletjes op de Aarde. Iets dat op voetbal of basketbal leek, iets dat op schaken of dammen leek en daar waren er tientallen van. Hijzelf deed aan een soort schaakspelletje hier op het landgoed van leider Nielsen en er waren een man of twintig en zelfs één vrouw, die hetzelfde spelletje speelden. De spelletjesavond was gepland gedurende de 2de nachtwake, waarin toch verder weinig te beleven. Hij was de sterkste speler en over 100 dagen was er een toernooi tussen de beste spelers van de landgoederen hier aan de Noordrand. Hij was niet de sterkste speler van de Noordrand, maar hoorde wel bij de toptien. Hij haalde de bord uit de kast met 144 velden, afwisselen zwarte en witte en hij zette daar stenen figuren op 24 zwarte en 24 witte, in een bepaalde structuur. Het leek inderdaad op schaken, maar er waren nog meer verschillende figuren en ik was niet van plan de regels van dit spel te leren om een potje te kunnen spelen. Ik had al genoeg aan mijn vissen, mijn vogels en mijn druiven en geestelijke training met zulk een spel had ik niet nodig, dacht ik bij mezelf. Ik hoorde echter de uitleg van Johnson omtrent de spelregels met geveinsde belangstelling aan, maar het ging het ene oor in en het andere uit.

Na deze bijeenkomst bracht ik elke dag wel een bezoekje aan Johnson. Hij was een hartelijke kerel om mee te praten en samen dronken we menig glaasje wijn en praten over de kwaliteit ervan. Hij is ook één keer mee wezen vissen, maar hij vond het vissen maar niks en werd al beroerd als hij op een boot stapte. Ik heb hem dat ook nooit meer aangedaan maar plaagde hem er af en toe wel mee. Dan begon hij weer over het Naplettaans schaken en we waren weer quitte. Neen, af en toe een glaasje en praten over vooral technische zaken en soms over mooie vrouwen en vrijen. Hij was wel een beetje jaloers op mijn vier vrouwen en daarom stuurde in Ada en Bea wel eens met een boodschapje om hem te onderhouden, naar hem toe. Ik weet niet wat ze met elkaar deden, maar daarna was die jaloersheid verdwenen en we werden hele goede vrienden.

Het trainen van de vliegvogels ging langzaam maar gestaag beter. Ik kreeg het toezicht op de twee reuzenvliegvogels met als opdracht om uiteindelijk in de vrije natuur met die vogels de vliegen. Het duurde vrij lang tot ik met de vogels, die nog jong waren, een vertrouwensband had maar daarna ging het ook snel. Onze vogelman had een tuig gemaakt voor de vogels met daarom een soort zadel met hoge kanten, waarin je jezelf kon vastgespen op de vogel. Eerst liet ik de vogels aan een lange lijn kringetjes lopen in de kooi en de 1ste vliegpogingen werden gedaan. Na tien dagen gespte ik de zadels op de vogels en het duurde twee dagen totdat ze daaraan gewend waren. De vogels waren te groot om in de kooi te vliegen, dus nam ik ze mee naar buiten. Ze bleven angstvallig bij me. De vogels waren nog niet aan de vrijheid. Op een dag pakte ik een trap en steeg op één van de vogels en verrassend genoeg stribbelde de vogel niet tegen. Ik liep een vrij groot stuk met de vogel, de andere vogel aan een lijn houdend en ze vogels vonden dat wel fijn of gezellig want ze maakten geluiden, die ik als tevreden vogels had geclassificeerd. Na enige dagen werden de tochten steeds langer, waarbij ik af en toe van vogel verwisselde. Er moest ook eens gevlogen worden en op een dag ging ik op de grootste vogel zitten en gaf een commando om de vleugels uit te slaan. De vogel had daar wel oren en wapperde met zijn vleugels. Ik vloog bijna van de vogel en verzette het zadel iets terwijl ik mij nog beter vastsnoerde op het zadel. De vogel moest natuurlijk vaart maken om van de grond te komen en ik moedigde het beest aan al wapperend met de vleugels te lopen. We liepen wel enkele honderden meters en opeens kwamen we van de grond los. Zelfs de vogel schrok er van en begon langzamer met zijn vleugels te klapperen zodat we weer daalden. Zo maakten we wel een kilometer lange vlucht/looptocht a lá  de gebroeders Wright. Het was heel opwindend voor zowel mij als de vogel. De vogel werd er moe van. De volgende dagwake probeerde ik het nog eens en de vogel had van de vorige dag geleerd. We kwamen los van de grond en scheerden op enkele tientallen meters hoogte over de velden en de bomen. De wat kleinere kwam ineens naast ons vliegen en we maakten samen wel een tocht van een half uur waarin we enkele tientallen kilometers aflegden. Beide vogels genoten van de vlucht en ik natuurlijk ook. Er moest nog meer geoefend worden, maar het vliegen ging goed. Na een half uur landen we perfect en  klom ik van de vogel. Ik aaide beide vogels zo als kon over hun vleugels en gaf hun als beloning een halve emmer met vis- en visafval wat ik uit de keuken van Daphne had meegenomen. Ik had al gemerkt, dat beide vogels graag vis lusten en dan een stapje meer deden voor mij.

De volgende dagen perfectioneerde ik het vliegen en wisselde ook van vogel. De kleinere vogel had wat meer moeite met mij vooral bij de start maar met die vogel was zelfs twee uur te vliegen zonder dat een noemenswaardige vermoeidheid zichtbaar was. Ik was ook loodrecht op de Noordrand gevlogen richting het Zuiden, richting het zwarte gat in de buurt van de mijnen. Daar was de zwaartekracht toch een stuk hoger maar ik had het gevoel, dat we makkelijk die tweehonderd kilometer konden vliegen. Ik moest me nog beter voorbereiden op een vlucht, maar ik had gevoel dat ik niet al te lang meer moest wachten. De vogelmenner had wel in de gaten, dat ik goed met de vogels kon vliegen en als leider Nielsen in gaten had van de vliegvogels en mijn contacten met Johnson kon hij wel eens doorhebben wat ik van plan was.

De volgende dag kwam mijn  dokter weer naar me toe om bloed af te nemen. Ik was al een honderd dagen op dit landgoed (ongeveer een Aardjaar) en had het wel bekeken. Ik had mijn rugzak zorgvuldig nageplozen, had mijn messen weer gescherpt en had mijn kleren zorgvuldig uitgezocht voor een eventuele vlucht. Ik had ook weer wat munten verzameld, maar ik wist niet of er enige waarde aan metalen munten werd gehecht  in Hostu. Het was er wel een stuk warmer dan hier vooral aan de Zuidrand, dus ik moest niet al te zware kleding meenemen. De dokter vroeg me of ik deze morgen mee wilde gaan om even met leider Nielsen te praten en ik had daar verder geen bezwaar tegen. Ik had de laatste tijd mijn vistochten behoorlijk verslonsd omdat ik nu het werken met de vogels belangrijker vond. Misschien wilde leider Nielsen wel over dat vliegen praten of had hij er van gehoord en wilde hij mij het doel daarvan vragen. Ik kneep hem toch wel een beetje. Na een halfuurtje zaten we in het rijtuig en een halfuurtje daarna stapten we de werkkamer van leider Nielsen binnen. Hij was heel hartelijk en vroeg mij hoe het ermee ging. Wel goed, antwoordde ik, maar daarvoor zou ik niet bij hem langskomen. Ik vroeg hem of mijn bloed nog steeds van goede kwaliteit was en hij beaamde die vraag. Ook de andere leiders gebruikten gebruik van mijn bloed en ze wilden allen in een goed blaadje staan bij Nielsen om zo aan mensenbloed te komen.  Over 20 dagen was er de verkiezing van de voorzitter van de leiders en de meeste leiders wilden Nielsen nu wel op die plaats. Daar de stemming niet geheim was, konden tegenstemmers wel eens verstoken blijven van bloed. Maar dat was niet waarvoor ik langs zou moeten komen. Neen, ik had bezoek, vrouwelijk bezoek en hij wenkte een bediende. Die ging en kwam binnen een half minuutje weer terug met mijn bezoek. Ik keek haar aan en mijn ogen werden groot en mijn hart begon te bonken. Daar was Natasha, mijn lieve Natasha en ik vloog naar haar toe en omhelsde haar.

17. Natasha, de vlucht met de vogels en het nieuwe zwarte gat

            Na een minuutje knuffelen liet ik Natasha los en keek haar met grote ogen aan. Natasha was de laatste, die ik hier bij leider Nielsen verwacht had. Misschien moest ik komen omdat ik zo met de grote vliegvogels bezig was of misschien wel iets anders, maar Natasha, neen, die was toch eigenaar en regelaar van het restaurant in Tan, dat ik, ik weet niet hoeveel dagen geleden, verlaten had. Ik had haar veel te vragen, ik wilde haar nog meer knuffelen en aanraken, maar Natasha legde haar rechterwijsvinger op mijn lippen en ik hield me stil. Ja, lachte Nielsen, dat had je niet verwacht, dat jouw liefste vriendin jouw hier zou komen opzoeken. Ik heb van haar begrepen, dat ze jouw gezelschap wil houden zolang als je maar wilt, dus ze zal hier op het landgoed blijven, zolang als jij wilt. Dan  is er nog iets. Morgen gaan we een langere reis maken langs verschillende landgoederen langs de rand. Binnenkort zijn er de verkiezingen van een nieuwe voorzitter van de leiders en ik wil de mensen ervan overtuigen, dat ze mij moeten kiezen. Actueel zijn de verkiezingen tijdens deze reis op een landgoed bijna aan de andere kant van deze Noordrand. Jij bent nodig vanwege je bloed en tijdens de reis zal je dus wel hier en daar en beetje bloed moeten geven. Als je wilt mag Natasha met je meereizen. Dan kan ze meteen kennismaken met de gebruiken en gewoontes die hier heersen. Ik ken de geschiedenis van Natasha en ze lijkt me een intelligente meid met veel initiatief. Ze zou in mijn organisatie een belangrijke rol kunnen spelen bijvoorbeeld als één van mijn persoonlijke secretaresses of zoiets. Ik heb van haar restaurant gehoord en hoe ze dat organisatorisch van de grond heeft gekregen. Daar neem ik mijn petje voor af. Dus ik zie je morgenvroeg weer. De reis kan wel een dag of tien duren (6 Aardweken), want we maken een trip langs geheel de rand. Peter, jij met je hoofdrekenen weet, dat dat ongeveer 16000 kilometer is. ’s Nachts zullen we aan één stuk reizen en overnachten in de trein. Overdag zullen we verschillende bezoeken afleggen en op de 7de dag zullen we het landgoed bezoeken, waar de verkiezingen zijn. Ik had echt geen zin in zulk een reis. De vogels moesten getraind worden, maar het zag er naar uit, dat ik weinig keuze had. Dan was Natasha natuurlijk een goed gezelschap en ik vertelde leider Nielsen, dat ik Natasha graag meenam en Natasha knikte instemmend..

            We verlieten de villa van leider Nielsen en reden terug naar mijn chalet. In de zitkamer namen we tegenover elkaar plaats en ik keek haar vragend aan. Wat was haar verhaal om hier te komen? Ze begreep me direct en begon te vertellen. Nadat jij weggegaan was, hebben  Bas, de ex-visser en wijnkenner, Jack, de jonge wijnober en Hilde, de dochter van Natalie, mijn wijnmaakster en lieve vriendin,  een gedeelte van jouw taken, maar ook mijn taken overgenomen. Hilde bleek een voortreffelijk organisator te zijn en na een tijdje met mij samengewerkt te hebben, kon ze zo mijn taken overnemen. Zij woont nu samen met Jack in jouw oorspronkelijk huisje en ze houden echt van elkaar. Bas heeft Jack het één en ander verteld over wijnen en zo, maar hij voelde zich niet zo thuis in Tan. Toen de opleiding van Jack voltooid was, is hij weer vertrokken naar Tan2, naar zijn oude huisje en heeft zijn oude levensstijl weer opgepikt. Dat is goed zo, maar af en toe komt hij even kijken om wat lekkers te eten en te drinken. Dan gaat hij ook met de vissers mee. Hij kan bijzonder goed opsteken met Pierre, maar wil zijn oude vissersberoep niet meer oppakken, zoals Pierre heeft gedaan. Brigit is de beste kokkin, die ik ooit ontmoet heb. Ze is een tovenares met kruiden en het eten smaakt steeds beter. Er komen mensen van heinde en verre om in ons restaurant te eten, zelfs uit Anter en soms ook uit Banter. Het wordt een beetje een kakrestaurant voor de gegoede lui uit heel Natasha’s land. We hebben iets opgebouwd wat eigenlijk te goed is geworden. Ik voelde er eigenlijk niet meer zo thuis en nadat jij was vertrokken ging de lol er langzaam af. Het begon saai te worden en ik miste je een beetje. Met jouw was het altijd spannend en gebeurde er wel iets. Dus ik heb besloten om mijn taken over te dragen, al mijn eigendomsrechten af te staan en naar hier te komen en dus ben ik er. Zo eenvoudig was het verhaal van Natasha, die lieve schat en ik stond op en gaf haar een kus. Ik had zin om direct samen met haar in bed te kruipen, maar dat kon altijd nog. We hadden zeeën van tijd en spannend was het hier ook niet zo of misschien? Ik vertelde mijn ervaringen van de laatste tijd en waarom ik hier was. Ze gaf een gilletje toen ze van mijn bloed hoorde, maar verder hoorde ze me rustig aan, af en toe een vraag stellend. Na mijn verhaal zuchtte ze even. Dat van dat saai hier is misschien waar en ik lachte een beetje. Ik had haar nog niet van mijn plannen om te vluchten, aan haar verteld. Daarom vervolgde ik mijn verhaal over de zwarte gaten op Naplet en de grote vliegvogels en wijdde ik haar in omtrent mijn plannen om te vluchten. Die werden nu natuurlijk doorkruist door de reis met leider Nielsen, de volgende dag, maar daarna, daarna zou ik zo snel mogelijk de vogels trainen om die aantal honderden kilometers te vliegen naar het zwarte gat in het mijngebied. Ze wilde direct met mij mee en daar ik twee vogels aan het trainen was, leek me dat geen probleem. Ik zag Natasha zich verheugen op wat zou komen. Eerst de reis, daarna de vlucht en dan? Ja, wat dan, dat was ongewis en dat was juist waarom ze zich zo verheugde. Ze was geen meid om ergens stil te zitten. Ze hield van avonturen, van het ongewisse en ze hield een beetje van mij zoals ik van haar hield. Haar lichaam, haar vrijen, maar ook haar intelligentie, haar vriendelijkheid, haar zorgzaamheid en vooral haar openhartigheid. Ik besloot om haar voor te stellen aan mijn meiden en riep om ze. Bea was er niet maar de andere drie maakten vriendelijk kennis met haar. Vooral Daphne was bijzonder vriendelijk tegen haar. Je kon zien, dat die twee elkaar goed lagen. Daarna vroeg ik Ada om een vogelwagen klaar te maken zodat ik Natasha mijn eigen landerijen kon laten zien, vooral de wijngaarden, de wijnmakerij en de grote visvijver/vismeer. Ze deed geïnteresseerd, maar was het niet echt en daarom reden we vrij snel naar de grote vogelkooi en liep ik met Natasha naar binnen. Mijn grote vliegvogels zagen me direct en kwamen al kwetterend aanlopen., kopjes geven langs mijn arm. Natasha was behoorlijk onder de indruk van de grootte van die vogels, zo groot als een giraf, maar dan met een iets kortere nek. Ik stelde de vogels aan Natasha voor en zij schenen haar interessant en leuk te vinden. Ik zag, dat het geen enkel probleem zou zijn om Natasha de vogels te laten trainen en met de vogels te vliegen. Zij raakte ook opgewonden over de vogels en wilde het vliegen wel eens zien. We liepen de kooi weer uit en ik vroeg aan de vogelman of hij de vogels op de volgende  dagwake kon prepareren voor een lange tocht samen met ons. Ik stelde hem Natasha ook meteen voor en hij was onder de indruk van die mooie meid, maar zei verder niks.

            Die dag luierden we, reden een beetje rond en praatte ik met verschillende mensen van mijn deel van het landgoed waarbij ik aan iedereen Natasha voorstelde. Natasha praatte op haar charmante manier met iedereen en ik geloof dat bijna alle mensen vertrouwen in haar stelde. Het was voor mij of de eerst tijden op Naplet weer terugkwamen, de oude tijden van de voet- en de bootreis. De volgende dagwake waren we al vroeg in de vogelkooi. De vogelman had de grote vliegvogels al gezadeld en aangelijnd zodat we ze buiten de kooi konden brengen en er op konden gaan zitten. Ik leerde Natasha hoe op de vogel te komen en hoe de vogel te commanderen en te mennen zodat de vogel de goeie kant uitliep. Ik had al vaker op de kleinere vogel een voettocht gemaakt maar ik had nog nooit op haar gevlogen. Meestal vloog ik op de grote vogel en vloog de kleinere vogel mee. Na een loopje van een kilometer of twee gaf ik mijn vogel het commando om te gaan vliegen. Misschien ging de kleinere vogel automatisch mee zoals dat normaal ook ging maar dan zonder belading. Mijn vogel versnelde, spreidde de vleugels uit en kwam na een paar honderd meter van de grond. De kleine vogel deed hetzelfde, maar kwam niet zo snel van de grond als normaal. Ik stelde Natasha aan een redelijk gevaar bloot, maar ik wist geen andere methode om het paar aan het vliegen te krijgen. Toch lukte het Natasha en de kleinere vogel van de grond te komen en naast ons te vliegen. Ik had haar niet verteld dat dit de eerste keer van die vogel met belading was en ik zou het haar ook nooit vertellen. Het lukte wonderbaarlijk zoals zovele dingen met Natasha wonderbaarlijk lukten. Ik had er zelfs niet over nagedacht dat het zou kunnen mislukken. Dat kon gewoon niet met Natasha. De beide vogels voelden zich lekker en vlogen met redelijke snelheid langs de rand over het moeras en de bossen. Ik besloot om ze iets naar het Zuiden te sturen waar de zwaartekracht wat groter werd. Dan kon ik testen of de vogels ons dan ook zo gemakkelijk konden dragen. Na een tiental kilometer naar het Zuiden voelde ik me al iets zwaarder maar de vogel vloog nog met dezelfde snelheid als voorheen en ook die van Natasha. Zelfs na 20 kilometer was er weinig verandering terwijl de zwaartekracht die van het normale cilinder oppervlak al begon te benaderen. Ik besloot om te keren en terug te vliegen naar het landgoed van leider Nielsen. We waren al een uur onderweg en hadden minimaal al vijftig kilometer gevlogen. Natasha genoot zichtbaar van het vliegen met haar wapperende haren in de vliegwind. De terugtocht verliep ook voorspoedig en we landen weer in de weide waar we opgestegen waren. We liepen met de vogels naar de kooi en stegen af. Ik had voor de tijd al een grote emmer vis klaargezet waar de vogels nu lekker van smulden. De vogels werden daarna afgetuigd en ze liepen nog een paar rondjes zonder tuig aan de lange lijn. Daarna gingen ze de kooi in en gingen we met de vogelkar voldaan terug naar ons chalet. Natasha glom nog steeds. Dit was het fijnste wat ze ooit gedaan had, nog fijner als seks met mij vertrouwde ze me toe. Natasha was altijd al direct geweest en ik kon haar begrijpen. Ik was niet bijzonder goed in seks en penetratie tussen mij en een Naplettaner zoals Natasha was bijna onmogelijk. Dat paste niet goed en de gevolgen waren ook niet duidelijk. Onze manier van seks met vooral de mond, paste beter in deze interplanetaire relatie.

            Deze dag en de volgende nacht gebeurde er niet veel. Ik dacht erover na wat we op onze vlucht mee zouden moeten nemen. Ik wist waar het gat was maar ik had geen flauw idee hoe groot het was en of het gevaarlijk was erdoor te reizen. Zouden we de vogels kunnen meenemen?, ik wist het niet. Ze waren behoorlijk groot dus bij een klein gat hadden we geen schijn van kans met de vogels. Het klimaat in Hostu was anders dan hier, waarschijnlijk veel warmer, vooral in het Zuiden, maar ik wist niet waar het gat op Hostu uitkwam en ik durfde er verder ook geen vragen over te stellen, bang dat een vermoeden van de vlucht zou opkomen. Er waren vele twijfels maar toch was ik heel zeker over de vlucht. Dat zou en moest doorgaan.

            Nadat ik de volgende dag weer bloed gegeven had en mijn ijzerpilletje trouw genomen had, kwam Mils mij en Natasha persoonlijk ophalen voor de reis langs de Noordrand, voor de verkiezingsreis van leider Nielsen om voorzitter van Rondo te worden. Ik kende de trein al maar dit was een hele luxe en alleen voor ons kleine gezelschap bedoeld , voor Nielsen en Mils en twee secretaresses en voor Natasha en mij. We hadden een eigen kamer in één van de drie rijtuigen van de trein. In ons rijtuig zat ook de keuken zodat we altijd wel een beetje de geur van de volgende maaltijd roken, maar dat was niet erg. Er was verder een kok aan boord, twee machinisten (vogelmenners) en nog twee vrouwen bedienend personeel Achter het rijtuig liep een peloton kerksoldaten op grote loopvogels als een  lijfwacht van leider Nielsen en dus ook van ons. Zij liepen met de trein mee langs het spoor en bij elk station, zeg maar landgoed van een leider, werden frisse vogels zowel voor de trein als voor de soldaten gekregen. Dat was ongeveer elke honderd kilometer of een uur of 5 á 6 rijden. Tijdens de dagen werd er zo een 500 kilometer gereden in 50 uur terwijl ’s nachts wel de dubbele afstand werd afgelegd. Er was dus ongeveer 25 uur per hele dag (dagdeel + nachtdeel) voor het afleggen van bezoeken en per dag werden er drie leiders bezocht. Ik wist niet waarom bepaalde leiders wel en andere leiders niet, maar daar zal wel een politieke keuze achter gezeten hebben. De huizen van de leiders leken sterk op die van leider Nielsen en ook de organisatie leek me hetzelfde, veel vrouwelijk personeel en elke leider had wel zijn geleerden en wijze mannen in dienst. Ik werd bij elk nieuw bezoek weer ondervraagd over mijn afkomst en moest elke keer mijn verhaal doen over de Aarde en hoe het daar eruitzag en hoe het daar reilde en zeilde. Ik was er verbaasd over, dat bij alle leiders het fenomeen van reizen door zwarte gaten bekend was en bovendien kenden velen de locaties van die gaten. Mils was echter de enige geweest, die het aangedurfd had om naar de Aarde te reizen  en daarvoor waardeerde ik hem nog steeds, vooral vanwege Natasha. Mils was slimmer en had meer moed dan wat ik op het eerste  gezicht gedacht had. Neen, die man had zo zijn nukken maar en ook bijzonder sterke punten en dat was waarschijnlijk ook één van de redenen dat leider Nielsen kon gaan voor het voorzitterschap. Het reizen was aangenaam vooral door het gezelschap van Natasha maar ook door de ontmoetingen met vele interessante en vooral intelligente mensen. Er was ook veel vrouwelijk schoon maar dat had ik door Natasha weinig behoefte aan al kreeg ik vele aanbiedingen. Een grote man met een baard uit een vreemde wereld heeft toch veel aantrekkingskracht. Ik wist echter, dat ik met vrouwen van Naplet geen direct seks kon hebben. De constructie van een geslachtsdelen was zodanig, dat mijn lul daar niet goed bij paste. Natasha was misschien de enige waar het bij zou kunnen lukken, maar ik had dat niet echt geprobeerd. Ik wilde haar geen pijn doen en misschien was het voor mij ook een pijnlijke operatie. Haar mond was voldoende om mij een orgasme te bezorgen en dat was goed genoeg voor mij.

            Leider Nielsen werd steeds optimistischer aangaande zijn verkiezing tot voorzitter en naarmate de verkiezingsdag naderde had hij er steeds meer vertrouwen in om verkozen te worden. Tijdens de nachten en de eindeloze treinreizen discussieerde ik met Natasha over hoe we een onze vlucht zouden aanpakken  en wat we allemaal zouden meenemen. In de nachten kwam Mils ook dikwijls langs en zaten we gezellig met z’n drieën wat te keuvelen, wijn te drinken en haalden we onze herinneringen op van een onze voet- en bootreis. Mils vond het jammer, dat hij tijdens die reis zo vaak contact had moeten zoeken met leider Nielsen. Daardoor had hij niet zo kunnen genieten van die reis. De tijd op Aarde, behalve de eerste drie maanden, was wel zeer aangenaam geweest en hij smakte nog bij de gedachten van lekker vlees en de fijne Belgische bieren, maar ja, daar kon Natasha niet over meepraten. Hij vroeg Natasha op zij ook wel naar de Aarde zou willen en zij antwoordde positief, maar wel samen met Peter. Ja, zei Mils, dat zit er gewoon niet in, Peter is te belangrijk voor leider Nielsen om nog terug te gaan naar de Aarde. Ik vroeg zo tussen neus en lippen door welk gat Mils dan wel gebruikt had om naar de Aarde te komen. Hij antwoordde daar vrijelijk over en nam een stuk papier en tekende daarop het gat waardoor wij van de Aarde naar Naplet gekomen waren.. Hij tekende het begin van onze reis naar Bethesda en het dorpje daarvoor aan de grote B-rivier. Aan de overkant van die rivier recht tegenover het dorpje liep ook een rivier de bergen in. We hadden dat niet gezien vanwege de breedte van de B-rivier en de beperktheid van de horizon in die richting van het cilinder oppervlak. Die rivier liep ook de bergen in en aan de bron van die rivier, de hoofdbron lag het zwarte gat richting de Aarde, het gat dat uitkwam in de Belgische Eifel, in de Hautes Fagnes. Ik knoopte die uitleg zeer goed in mijn oren. Misschien konden we daar gebruik van maken, misschien, ja heel misschien. Toen Mils wegwas pakte ik mijn zakboekje en schreef zo goed mogelijk de locatie van dat gat in mijn boekje, met een schets en al zoals Mils ook gedaan had. Daarna deed ik het boekje weer in mijn rugzak en keek Natasha aan. We vrijden minstens nog een uur uur en ik viel in slaap in haar armen.

            Deze dag was zeer belangrijk voor leider Nielsen. Nadat hij bij verschillende leiders gelobbyd had en mij als argument gebruikt had, waren vandaag de verkiezingen van een voorzitter. We kwamen bij een landgoed aan waar al verschillende  vogeltreinen stonden. Mils vertelde, dat die morgen nog meer treinen vanuit beide richtingen zouden arriveren en dat alle, bijna 200 leiders voor zover mogelijk, aanwezig zouden zijn. Ook waren er de leiders van de kerk aanwezig alhoewel hun aantal een stuk geringer zou zijn. De vergadering zou aan het einde van de 1ste dagwake beginnen en de verkiezingen zouden tijdens de 3de dagwake zijn. Ik speelde ook een rol tijdens de vergaderingen. Tijdens de 2de dagwake zou ik een speech van een klein half uur houden, waar ik mijn achtergrond zou vertellen, iets over mijn bloed als geneesmiddel en ik leider Nielsen zou aanprijzen als de meest geschikte nieuwe voorzitter. Gedurende deze reis had ik mijn speech voorbereid en ik zou gebruik maken van wat grote vellen papier, die op het podium aanwezig waren. Ik was al een klein beetje zenuwachtig om die speech te houden. Het zou wel loslopen en een beetje gespannenheid hield er de concentratie in.  Nadat we bij het hoofdgebouw waren gearriveerd, werd ons een slaapgebouw aangewezen en Natasha en ik kregen een grote eigen slaapkamer met daaraan gekoppeld een badkamer en een eigen dienstmeisje, die verlegen naar ons keek. Ik stelde Natasha en mijzelf aan haar voor en vroeg haar ons te tutoyeren en ze leek al een beetje meer op haar gemak. Ik vroeg haar om een ontbijt en binnen een half uur stonden daar verschillende soorten broodjes met zoet en hartig beleg en een aantal lekkere fruitsappen, waar ik ruim van gebruik maakte. Ook Natasha had behoorlijk honger en we aten een groot deel van de broodjes op. Ik vroeg ons meisje of we niet een gedeelte van het landgoed konden bezoeken en was direct vertrokken. Binnen een kwartier had ze een mooi vogelrijtuig gecharterd met een jonge kerel als koetsier. Dat bleek haar vriend te zijn. Het scheen nogal moeilijk te zijn een rijtuig te charteren omdat er gedurende deze dag zoveel bezoekers waren. Elke leider had wel 5 tot 10 mensen bij zich plus een peloton bewakers, wat al gauw een kleine 5000 mensen vertegenwoordigde. Zoveel personen waren er aan de Noordrand niet bij elkaar geweest sedert de vorige verkiezing van een nieuwe voorzitter. De meeste mensen sliepen dan ook in grote zalen met een gezamenlijke wasruimte maar wij kregen een bijzondere behandeling, bijna dezelfde behandeling als de  staats- en kerkleiders. Zelfs Mils moest zijn slaapruimte delen met de andere leden van de staf van leider Nielsen.

            Het landgoed van deze leider, leider Olsen, één van de concurrenten van Nielsen voor het nieuwe voorzitterschap, leek sterk op dat van Nielsen, maar er was niet zoveel water op het landgoed aanwezig. Er waren wel de landbouwvelden, de boomgaarden, de wijngaarden en er was ook een trainingscentrum voor loopvogels. Grote vliegvogels waren er echter niet of nauwelijks, in ieder geval zag ik niet zo’n grote kooi als op het landgoed van Nielsen. Dit landgoed was echter wel tweemaal zo groot als dat van Nielsen en er woonden duidelijk ook meer mensen, gezien aan het aantal boerderijen en woningen, die her en der in het landschap aanwezig waren, soms als dorpen, soms als alleenstaande gebouwen. We zwierven de hele 1ste dagwake rond en aten een lekkere vegetarische maaltijd in één van de dorpen. Hier werd weinig vis gegeten en ik was blij, dat we op het landgoed van Nielsen woonden. Daar leek mij het eten veel afwisselender. Moe maar voldaan kwamen we op onze slaapplaats terug. Ons meisje bracht nog een klein diner en daarna oefende ik mijn lezing nog een paar keer en ging naast Natasha liggen, die ondertussen al lag te slapen. Die 1ste dagslaap kwam ik weinig aan echte slaap toe. Ik lag een beetje te woelen met mijn lezing in mijn kop. Toch slaagde ik erin nog een paar uur te dommelen alvorens ons meisje ons wakker maakte. Ik waste me en kleedde me in mijn mooie pak. Het vogeljack trok ik toch maar niet aan. Natasha lag nog te soezen. Ze was niet uitgenodigd voor de vergadering van die dagwake. Ik stond al klaar toen Mils mij haalde. Ik was al vroeg aan de beurt en daarna zou ik nog worden ondervraagd door verschillende assistenten van de leiders. Mils bracht me de vergaderzaal binnen en het leek wel een congreszaal voor een stel geleerden. Er waren misschien wel 600 zitplaatsen in een opbouw als een amfitheater.  Ik werd naar voren gebracht en nam plaats op de voorste rij. Na een kwartier kwamen de grote heren binnen inclusief de leiders Nielsen en Olsen, altijd vijf minuten te laat. Olsen ging achter de tafel zitten en nam het woord. Het is wel vreemd dat gedachtpraten tegen zoveel mensen. Ik verstond daarom ook maar flarden van zijn opening. Ik kon begrijpen, dat ik niet voor de vorige plenaire vergaderingen uitgenodigd was. Mijn kunst van het gedachtepraten, maar vooral het verstaan van het gedachtepraten in een grote groep was nog te primitief. Ik begreep wel dat ik op een bepaald moment uitgenodigd werd op het podium te komen en achter de tafel plaats te nemen op mijn lezing te beginnen. Nu kon ik niet zittende een voordracht houden, dus ik legde mijn aantekeningen op de hoek van de tafel en liep eerst een beetje over het podium heen en weer alvorens ik met mijn inleiding begon. Ik probeerde zo duidelijk mogelijk gedachte te spreken, maar ik heb waarschijnlijk geklonken als een geleerde Japanner, die probeert zijn beste Engels neer te zetten. Voorop het podium stond een groot bord en ik onderbrak mijn verhaal zo nu en dan met een schets, een grote primitieve schets van bijvoorbeeld een koe of een olifant en ook van het oppervlak van de Aarde als bol met het vele water en de onregelmatige rivieren. Mijn lezing mocht maar een half uur duren, maar na driekwartier hoorde ik de voorzitter in mijn hoofd en breidde ik er een einde aan.  Ik hoorde een stormachtig applaus in mijn hoofd en zelfs werd hier en daar letterlijk geklapt. Mijn lezing scheen een groot succes te zijn. Ik verliet de zaal en enkele tientallen mensen volgden mij. Dat waren mijn ondervragers. Ik werd naar een kleine zaal geleid, een soort klaslokaal met een vijftig zitplaatsen. Daar nam ik bij het bord plaats, een ouderwets leien bord, zwart van kleur, met een stoffer en krijtjes. Ik had niet veel onderwijs van mijn leven gegeven, maar had naar elke accountant opdracht altijd uitleg gegeven wat ik had gedaan en ook wel als een soort onderwijzer. Elk van de aanwezige mensen had wel enige vragen en na een uur had in nog maar 10 man afgewerkt. Ik vroeg om wat te drinken en het bediende meisje vroeg wat ik wilde drinken. Ik vroeg om een bier en geef de heren in de zaal ook maar wat. Dat lokte een hilarisch applaus en een pauze uit. Iedereen kreeg zijn drankje en we zaten een half uurtje lekker te keuvelen. Deze groep kon ik met gedachte praten wel behappen en ik leerde ook snel in een grotere groep praten. Na deze pauze werden minder vragen gesteld en na een anderhalf uur werd de zitting opgeheven. Een ieder was wat relaxter door de alcohol en met een klein clubje, waar Mils ook bij was, gingen we naar een soort café-restaurant waar hapjes  stonden en drankjes geschonken werden. De rest van de geleerden en aanhang was er al en ik maakte een praatje met wel de meeste van de aanwezige mensen. Zo moest het ook toegaan op congressen na afloop van de lezingen. De meeste gedachten werden in de wandelgangen en in dit soort gelegenheden gewisseld. Ik vroeg of Natasha ook zou mogen komen en iedereen stemde daarmee in, zelfs Mils.  Natasha werd gehaald en zij was de enige aanwezige vrouw, die niet in de bediening zat. Een grote groep mannen klitten om haar heen. Zij had de reis op Naplet meegemaakt en kon veel vertellen. Ik had in mijn lezing ook nadrukkelijk haar rol in het geheel verteld. Zo aten, dronken en keuvelden wij maar voort totdat een paar leiders om de hoek kwamen kijken wat hier toch wel aan de hand was. We waren al een paar uur in de periode van de 2de dagslaap en veel van de geleerden en assistenten van de leiders waren nog aanwezig. Abrupt kwam een einde aan deze bijeenkomst en ik liep met Natasha een beetje aangeschoten naar onze slaapplaats waar we nog een half uurtje vrijden alvorens we in slaap vielen.

            De 3de dagwake was essentieel voor leider Nielsen. Nu zou het er op aan komen of hij tot voorzitter gekozen werd. Deze bijeenkomst was besloten en alleen toegankelijk voor de leiders en de hoogste kerkbazen. Geen assistent mocht deze zitting bijwonen en er werden gedurende de vergadering ook geen aantekeningen gemaakt zodat de meningsverschillen later geen rol meer speelden en langzaam vergeten werden. Alleen was er aan het einde een korte mededeling, wie de nieuwe voorzitter was. De voorzitter werd voor zijn leven gekozen of voor zolang hij prefereerde om voorzitter te zijn. De meeste voorzitter-leiders overleden als voorzitter-leider. In de geschiedenis van Naplet waren er maar twee gevallen bekend waarbij de voorzitter voor zijn dood afgetreden was. Voor ons als gewone burgers was dit maar een saaie dag en Natasha en ik besloten om nog maar eens een tripje te maken over het landgoed met ons meisje en haar vriend. We waren ondertussen redelijk familiair met hen en we maakten er een gezellig dagdeel van. Ik keek wat nauwkeuriger naar het type gewassen wat hier verbouwd werden en het bleken er meer te zijn, dan dat ik verwacht had. Het klimaat was gematigd aan de Noordrand dus vooral de normale knolgewassen als aardappels en bieten deden het goed. Ook verschillende granen werden verbouwd zoals gerst, tarwe en rogge. Rogge had in de lage landen al lang plaatsgemaakt voor voedermaïs, maar hier was het een belangrijk product voor de bereiding van verschillende broodsoorten.  Het graan werd om de 20 tot 30 dagen geoogst, waarna hetzelfde veld gebruikt werd voor een knolgewas en ook omgekeerd. Voedsel was hier rijkelijk aanwezig en ik had op Naplet dan ook geen mensen met honger of dorst gezien. De basisvoorzieningen waren hier heel gelijkmatig over de hele bevolking verdeeld en niet zoals op de aarde heel onregelmatig. Als je je hier maar aan de kerkregels hield en als de vrouwen maar in hun rolpatroon bleven, was er niks aan de hand. De weinige rebellen, maar ook struik- en rivierrovers waren uitgestoten mensen, die vervolgd werden, maar niet gedood of in een gevangenis gezet werden. Neen zij werden voor een redelijke tijd, zeg 3 tot 5 Aardjaren tewerk gesteld in de kolen- en oliemijnen ten Zuiden van de Noordrand of in de metaalmijnen op het Noordvlak. Dat laatste was de ergste straf en er was geen ontkomen aan, maar de meeste uitgestotenen overleefden ook het werken in de metaalmijnen en werden gedurende die tijd ook gehersenspoeld, zodat ze naar 3 of 5 jaar weer normaal in de maatschappij losgelaten werden. Toch bleef er een groep uitgestotenen, de dieven en de rovers en ook de mensen, die niets meer met de kerk te maken wilden hebben. Deze laatste groepering, vrije mensen, zoals ze zich noemden, leefden vooral in de bergen tussen de landen en in het hoge gebergte in het Zuiden. Echter geen van deze mensen leed honger of dorst. Voor die mensen was Naplet ook een royale en loyale planeet.

            Bij de landbouwgebieden was altijd een klein dorpje met alle ambachten om het voedsel te verwerken en ook om gereedschappen en bouwmaterialen te maken. Men was altijd zelfvoorzienend en het geld speelde hier op de grote landgoederen geen rol. Alleen olieproducten en sommige natuurlijke vetten werden aangevoerd, maar daar werd op deze landgoederen automatisch voor gezorgd. Dat was wat anders in de steden, die we tot nu toe bezocht hadden. Daar hadden de mensen wat meer eigenverantwoordelijkheid, maar ook natuurlijk een beetje meer vrijheid. Daar werd geld wel als maatstaf gebruikt, omdat goederen vanuit de omgeving aangevoerd en gedistribueerd moesten worden. Daar speelden de markten tussen de gorilla mensen en de standaard mens een heel grote rol. Daar waren ook fabrieken, waar op grotere schaal producten als bouwmaterialen, zowel steenachtig, glas als hout, werden gemaakt. Daar was een landbouwproducten verwerkende industrie, daar werd gespind en geweven, daar werden kleren in grotere partijen gemaakt, daar werd bier gemaakt en andere dranken en verder allerlei voorwerpen, die in huis en tuin werden gebruikt. Dat alles ging door mij heen toen in de landbouwgebieden en de dorpen op dit landgoed bezocht. Naplet was  paradijselijke planeet zonder honger en dorst, alleen de geestelijke vrijheid was er niet of nauwelijks. Het leek op een socialistisch land wat op weg was naar de communistische heilstaat, maar met hetzelfde gebrek, het gebrek aan geestelijke vrijheid. Het maakte niet uit Aarde of Naplet, Aardmensen of Napletmensen, voor geestelijke vrijheid moest je offers brengen. Zou dat een universele wet zijn? Ik wist het niet, maar het had er alle schijn van. Ook hier was macht een belangrijk thema, zie maar deze verkiezingen tot voorzitter van de leiders en hoe leider daar na streefde. Was er toch één schepper, die dit gebrek automatisch bij de mensen inbouwde of was machtstreven een must om het eigen ras te laten overleven en inherent aan het vermogen tot vrijelijk denken en niet alleen handelen door erfelijke factoren. Ik werd een beetje beroerd als ik de consequenties van mijn eigen gedachtegang overzag. Macht en machtstreven hoorde bij het leven. Mensen laten lijden onder jouw macht hoorde bij het leven en er waren maar weinig personen, die daar onderweg wilden komen, die volkomen geestelijke vrijheid wilden hebben, die de moeite namen om geestelijke vrijheid te hebben. Die paar mensen waren dan ook nog in twee groepen verdeeld, de boeven en de zuiver intellectuelen en beiden waren eigenlijk het uitschot van de mensheid, ook hier op Naplet.

            Ik liep nog zo’n beetje als een zombie rond toen Natasha mij een kus gaf en ik uit mijn gedachten wakkerschrok. We waren in een bakkerij annex broodjeszaak, waar de lekkerste dingen te koop waren. Ik had al een paar broodjes naar binnen geschrokt zonder die te proeven maar nu zat er weer smaak aan. Ik schudde mijn hoofd om de sombere gedachten over de mensheid van mij af te schudden, om te kijken naar de kleine dingen en de mooie mensen en de mooiste zat naast mij, Natasha. Na de broodjeszaak wilde ik nog de dorpskroeg bezoeken, om een paar bieren te drinken en mijn hoofd vrij te maken van de nare gedachten. Alcohol hielp daar altijd bij, zowel bier, wijn als brandy en Naplet was zeer goed in al deze zaken en nog meer gedestilleerde producten. Ik snapte niet, dat Mils het Belgisch bier zo bijzonder vond. Naplet bier kon daar beslist wel aan tippen. Deze dorpskroeg op dit grote landgoed was erg gezellig en ik had veel aanspraak aan de lokale mensen, die nieuwsgierig waren naar die grote man met een baard en die graag zijn verhaal wilden horen. Ik praatte daarom maar volop over vreemde werelden, andere mensen en andere gewoonten en de mensen hingen aan mijn lippen, maar die uitdrukking is op Naplet niet goed. Alles gaat immers via gedachte praten. Natasha zat gelukkig naar mij te kijken terwijl ze aan haar biertje sipte. We waren een gelukkig paar ondanks dat we geen seks konden hebben in de zin van echt neuken. Neen onze seks was veel intensiever en over het hele lichaam. Ik zou haar volgen waarheen ze ook ging en volgens mij gold het omgekeerde ook. De zon ging bijna onder, maar dat is een beetje merkwaardig hier aan de rand. Een paar kilometer naar het Noorden en je ziet de hele dag geen zon alleen maar een schemer van licht dat over de rand komt. We zagen nog net een stukje zon boven de horizon in het Westen en die zon kondigde het einde van het 3de  dagdeel, van de hele dag aan. We moesten terug naar het centrum van het landgoed, daar waar de verkiezingen van een nieuwe voorzitter waren gehouden. Ik was benieuwd of leider Nielsen die voorzitter was geworden alhoewel ik dat in principe niet zo belangrijk vond. Echter als hij de nieuwe voorzitter was, dan was hij en zijn gevolg in een goede stemming en zou hij minder tijd hebben op mij te letten, minder tijd om er misschien aan te denken, dat ik wel een zou kunnen vluchten. Mijn meisje en haar jongen reden ons terug naar het centrum en de stemming was daar wat bedrukt. Waarschijnlijk was leider Olsen geen nieuwe voorzitter geworden en dan was de kans groot, dat leider Nielsen dat was geworden. Opeens zag ik Mils op ons afrennen en toen wist ik het meteen. Hij schreeuwde het in ons hoofd: Leider Nielsen is de nieuwe voorzitter geworden! Hij leidde ons naar een gebouw wat een beetje apart stond. Daarbinnen zag ik voorzitter Nielsen een grote bier drinken, ik wist niet dat hij bier dronk, temidden van zijn gevolg en de naaste vrienden/leiders. Toen hij mij zag, kwam hij met grote stappen op mij toe en zei luid: We hebben het gehaald, jij hebt het gehaald voor mij. Ik keek verbaasd. Ik vroeg: Heb ik het gehaald voor U? Ja, jij hebt het gehaald voor mij maar toen ik naar nadere details vroeg antwoordde hij niet. De verkiezingen van de nieuwe voorzitter zijn strikt geheim. Er worden zelfs geen notulen gemaakt, net zoiets als de verkiezing van een nieuwe paus. Tijdens de vergadering kan er van alles gezegd en geruzied worden. Als de beslissing eenmaal gevallen is, dan zijn er geen discussies meer en staan alle neuzen weer dezelfde kant uit. Iedereen volgt dan de nieuwe voorzitter die dat tot zijn dood kan blijven. Voorzitter Nielsen was heel vriendelijk tegenover mij en Natasha en stelde ons voor aan een paar leiders, die mij met hoogachting behandelden. Behalve tijdens mijn lezing moest ik ook gedurende de verkiezing een rol hebben gespeeld. Ik had geen zin meer in bier, maar er waren ook enkele van de beste wijnen opengetrokken en ik dronk een paar glaasjes. Natasha was op de sap overgegaan, die lekkere meid.

            We werden uitgenodigd in de naast gelegen zaal waar ook leider Olsen aanwezig was met nog enkele andere leiders. In een hoek van de zaal stond een groot buffet opgesteld. Alvorens dat aan te vallen, hield leider Olsen nog een korte toespraak, waarin hij voorzitter Nielsen feliciteerde, maar ook expliciet mijn naam nog noemde en een beetje roemde. Ik moest inderdaad wel een belangrijke rol gespeeld hebben, maar dat was nu niet meer belangrijk. We aten en we dronken tot ik nog  maar een waas van Natasha zag. Ik was duidelijk dronken en kon niet meer goed rechtuit lopen. Zij nam mij in haar armen en samen liepen we naar ons appartement alwaar ik in het bed viel. Ik kan me weinig meer herinneren, ik weet niet of we gevreeën hebben en hoe ik de kleren heb uitgekregen. De volgende morgen, eigenlijk het begin van de 1ste nachtwake vond ik mij terug in haar armen in het bed. Ik had nog een hard hoofd maar een half uurtje samen in bad en een goed ontbijt hielpen veel om mij weer op de been te brengen. Mils kwam langs en vertelde dat we over twee uur zouden vertrekken en dat we onze spullen maar bij elkaar moesten zoeken. Tussen neus en lippen door vertelde hij mij ook, dat er een dokter langskwam, die mij nog een kwart litertje bloed zou aftappen. Dat was vreemd, want dat gebeurde eigenlijk normaal alleen aan het begin van de dag. Ik dacht dat dat wel een afspraak was geweest om de verkiezing van Nielsen tot voorzitter te doen slagen. Ik had natuurlijk nog genoeg bloed en dat kwart litertje deerde me niet zeer.

            Onze trein stond nog steeds op het plekje dat we aan het begin van de dag hadden verlaten. De soldaat/begeleiders zaten ook weer op hun vogels alhoewel ze tamelijk onverzorgd en slaperig uitzagen. Die hadden natuurlijk gisteravond ook flink zitten pimpelen. Iedereen was in een buitengewoon goede stemming maar niet helemaal fris, wat helemaal niet erg was. We zouden de hele nacht doorrijden, met natuurlijk nu en dan een pauze, maar het volgende bezoek zou niet eerder dan aan het begin van de volgende dag zijn. Tijdens die nachtreis samen met Natasha was ik erg lui en dacht alleen maar aan onze ontsnapping, aan de vogels, aan het gat en waar het uit zou komen. Ik maakte wat aantekeningen in mijn dagboek echter zonder schetsjes. Mijn woorden konden anderen niet lezen en zo had ik eigenlijk een geheim dagboek voor iedereen.

            Aan het begin van het volgende bezoek moest ik weer een beetje bloed afstaan en dat gebeurde vrij frequent gedurende de hele verdere treinreis terug naar het landgoed van leider Nielsen. Ik nam wat extra ijzerpilletjes en klaagde bij Mils daarover, die contact zocht met voorzitter Nielsen. Dit scheen allemaal de consequentie te zijn van de verkiezing, maar als we op het landgoed terugwaren zou hij mij een ieder geval een extra dag met rust laten om de kwaliteit van mijn bloed weer op peil te brengen. Ik voelde me nu in ieder geval duizelig en nam wat extra zout om die duizeligheid voor te komen. Waarschijnlijk had ik tijdelijk bloedarmoede, een laag hemoglobine getal, maar mijn lichaam was kerngezond en binnen een dag zonder bloedafname was ik er weer bovenop.

            Eindelijk waren we weer terug op het landgoed van voorzitter Nielsen en ik voelde het als een thuiskomst. Na tien lange dagen eindelijk weer terug. Ik was er ook voor die tijd minstens honderd dagen geweest en ik verlangde weer naar mijn meisjes en mijn huisje. Alles was nog zoals het was achtergebleven en de meisjes, Ada, Bea, Cleo en Daphne waren ook blij mij weer te zien, vooral Daphne. Die omarmde mij met haar grote warmte, zoals zij dat kon en ik kuste had vol in het gezicht. Ook de anderen omarmden mij en vroegen naar onze reis en het bijbehorende verhaal. Daphne ging naar de keuken en maakte een lekkere broodmaaltijd klaar met de bijbehorende sappen. Toen begon ik te vertellen, waarbij Natasha mij zo nu en dan aanvulde en bij het horen van het feit, dat Nielsen voorzitter was geworden, gaven ze alleen een gilletje. Dat zou het leven hier op het landgoed aanzienlijk interessanter maken door de vele bezoeken, die in de toekomst te verwachten zouden zijn. Dit was mijn huishouden en huisgezelschap van het afgelopen Aardjaar, misschien wel twee en dit zou het enige zijn, dat ik zou missen als we vluchten. Ik mocht de meisjes/dames graag en we hadden een goede band opgebouwd, ook een seksuele. We waren echt een familie geworden. De rest van de dag bracht ik door met reizen op mijn landgoed om iedereen weer gedag te zeggen, vooral de vissers en mijn wijnmaker.

Na dit 1ste dagdeel en de volgende dagrust ging ik weer naar mijn vogelman en bezocht de grote vliegvogels, die kwetterden en zich afvroegen waar ik zo lang gebleven was. Ze waren dol op vliegen en dat hadden ze nu tien lange dagen niet gedaan. Ik klom op de rug van de grootste vogel en aaide zijn kop voor zover ik erbij kon. Daarna steeg ik af en leidde de vogels aan een lange lijn naar buiten zodat ze weer van het buiten zijn konden genieten. Volgens mij had mijn vogelman verder weinig aandacht aan de vogels besteed, ze alleen te vreten en te drinken gegeven. Daar zou nu weer een einde aan komen. Ik was van plan de volgende dag zeer vroeg te vertrekken maar deze dag wilde ik nog wel een vliegtochtje samen met Natasha maken in de richting van ons gat. Dan konden we ons een beetje oriënteren op het landschap en de richting waar we naartoe vlogen. Het zou nog een probleem zijn om het gat te herkennen en om na te gaan of onze vogels meekonden. Ik zocht Natasha op, die geanimeerd met Daphne en Cleo zat te praten en wenkte haar en vertelde haar, dat we dit dagdeel nog een tochtje op de vogels moesten maken. Natasha was dol op vliegen, was dol op haar vrijheid en de vrijheid in de natuur en zij maakte vlot een einde aan het gesprek met de dames en ging met me mee naar de vogels. We leidden elk onze eigen vogel naar buiten, zadelden de vogels, stegen op en liepen naar het vliegveldje wat een eindje uit de buurt was, uit het zicht van de vogelkooi en andere mensen, die nieuwsgierig zouden kunnen worden. De vogels stonden te trappelen om op te stijgen en ik viel bijna van mijn vogel door dat onrustige gedrag. We gingen vlot de lucht in en vlogen on de richting van het Zuidwesten, de richting, die volgens mij naar het zwarte gat en de doorgang naar Hostu moest leiden. We vlogen een half uur en zagen de eerste olievelden opdagen. Het waren niet echt olievelden, neen, het waren  kruisingen tussen olievelden en kolenmijnen. De olie hier moest zwaar zijn, maar de mensen wisten de olie te fractioneren. Ik zag namelijk in de buurt van de mijnen een destillatie kolom met alles erop en eraan staan. De mensen mochten dan bijna geen metaal hebben, destillatie kan je natuurlijk ook in ander materiaal doen zoals glas, wat normaal in chemische laboratoria gebruikt en brandstof hadden ze hier genoeg want die dolven ze zelf. De destillatiekolommen waren wel 20 meter hoog en het stonk er net zo als bij raffinaderijen overal op de Aarde. De lucht was ook een beetje dik en smerig en wij meden de mijn en de destillatie zoveel mogelijk. Hier en daar waren dorpen en zelfs steden, waar het tamelijk druk was. Na anderhalf uur vliegen  besloten we om te keren. Het gat moest nog  ongeveer twee uur verder vliegen liggen, maar we wilden de vogels niet over vermoeien in deze streek waar ze zwaartekracht al bijna de normale waarde van het cilinder oppervlak had. We vlogen terug zoals we gekomen waren en dat ging nog steeds vlot. Toen we in het zicht van het landgoed van leider Nielsen waren, begonnen de vogels te kwetteren en we maakten een voortreffelijke landing op ons vliegveldje. Ik had van te voren een mand vis meegenomen en voerde de vogels nu met die lekkernij. Aan de rand van het veldje was een drinkpoel en de vogels maakten daar uitgebreid gebruik van. Ik voelde ook vermoeidheid, honger en dorst en we brachten de vogels snel terug en gingen naar ons stekje op het grote landgoed. Daphne was al uitgebreid aan het koken en ik nam al een brok van het voorgerecht evenals Natasha. Ik dronk wel een liter fruitsap een dook toen met Natasha in de badkuip en we wasten en vreeën een beetje. Opgefrist namen we plaats aan de eettafel samen met onze vier meiden. Ik liep nog even naar de voorraadkast om één van de beste flessen wijn te pakken en te openen en tijdens die maaltijd bleef het niet bij één. De dames deelden in onze vrolijkheid en dronken flink mee ook al om de verkiezing van leider Nielsen tot voorzitter te vieren. Na het eten koffie met brandy en iedereen raakte zo’n beetje aangeschoten en de meisjes begonnen met elkaar en mij te vrijen. Ik was behoorlijk dronken en liet het initiatief maar aan de vrouwen over. Ze slaagden erin mij binnen de kortste keren een orgasme te bezorgen ondanks mijn dronkenschap. Hoe ik in bed gekomen ben weet ik niet maar het was wel een hele fijne bijeenkomst.

De laatste wake van die dag had ik een behoorlijke kater, maar Daphne hielp me er overeen met één van haar toverdrankjes en ik beloonde haar met een diepe kus. Die dag zouden we nog één keer een proefvlucht maken met de vogels en daarna zouden we ons voorbereiden op de echte vlucht naar Hostu. De proefvlucht met de vogels verliep net als de vorige voorspoedig en na enkele uren landen we weer veilig op het landgoed. Nu moesten we erover nadenken wat mee te nemen. Naast mijn rugzak met de nodige kleren en de messen en wat ander gerei zouden we misschien nog andere zaken kunnen gebruiken op Hostu. Misschien een opklapbare hengel, wat touw, haken  en misschien wat gereedschap. De vissers hadden me een prachtige opklapbare hengel gemaakt en die was opgeborgen in een mooi foedraal van een soort jute. Ik pakte ook een paar zijden doeken in een tas, die ik aan het tuig van de vogels kon vastmaken. Natasha had ook zo haar eigen spulletjes, waaronder een paar gevlochten tasje met vakjes voor de kruiden, die ze mee wou nemen en wat natuurlijke maar geneeskrachtige medicijnen, onder andere die voor mierenbeten en een paar antigifstoffen voor slangenbeten en dergelijke. Aan zulke dingen had ik nooit gedacht, maar vrouwen zijn toch beter in die zaken. Verder een tas met gedroogd voedsel en een geneeskrachtige drank en twee houten kruikjes met water. We wisten niet hoe de watersituatie op Hostu zou zijn en waar op Hostu we zouden uitkomen. Water was in ieder geval schaarser dan in Rondu maar hoe schaars en hoe drinkbaar wisten we niet. Er was nauwelijks iemand van Rondu in Hostu geweest en in ieder geval kende men hier niemand die ooit van Hostu gekomen was. Zo hielden we ons die nacht met de goederen bezig totdat ieder een rugzak van rond de 15 Aardse kilo bij zich had plus nog een tas van ongeveer hetzelfde gewicht. Ik had nog mijn hengel met een lang stuk snoer wat ook als touw kon dienen en een doosje met metalen haken, die ik tijdens mijn verblijf hier gemaakt had van het zeldzame metaal wat ik in handen kon krijgen. Het meeste metaal bevatte dezelfde componenten als de munten met als voornaamste elementen aluminium, koper en nikkel, maar we hadden ook een beetje zink. Ik had wat experimenten gedaan met verschillende verhoudingen van die metalen en was erin geslaagd messing te maken, maar ook andere legeringen, die me wel geschikt leken om haakjes en kleine voorwerpen van te maken, zoals lepels en messen, niet de mooie die ik zelf van de Aarde had meegenomen, maar ik was vooral trots op mijn hamer met een houten steel, die ik in de afgelopen periode gemaakt had. Het voordeel van een beetje aluminium in de legering is, dat het aluminium snel oxideert en een dicht oxide huidje aan de buitenkant van het metalen voorwerp vormt. Op Naplet is het zuurstofgehalte in de lucht hoog en oxideert metaal nog sneller dan op de Aarde. Hier aan de Noordrand was het metaal niet zo zeldzaam als in de rest van Rondo en één van de geleerden vond mijn experimenten wel interessant en had me wel van 5 kilo van verschillende metalen voorzien. Hij kwam regelmatig kijken wat ik nu weer voor elkaar gebrouwen had en onder genot van een glas wijn discussieerden we mijn experimentele resultaten en hij deed er ook fysische experimenten mee zoals bepalen van smeltpunt, hardheid en vervormbaarheid. Deze metalen zouden toch hier op het landgoed en onze geleerde had niet gedacht, dat ik zou kunnen vluchten en een deel van de metalen zou kunnen meenemen.

Kort voor het begin van de nieuwe dag stonden we in alle stilte op, wasten ons en aten en dronken wat. Ik had Ada gevraagd om een  vogelrijtuig klaar te zetten zodat we bij de opgaande zon een ritje konden maken. We slopen naar het ruituig en spanden de vogel in, die nog rustig in de schuur stond te eten. Het regende zachtjes en er was nog niemand buiten in het donkere schemer van de opgaande zon. Natasha bestuurde het rijtuig wat ze al een aantal keren had gedaan en we reden richting kooi waar onze vogels stonden. Het vliegvogeltuig had ik de vorige dag uit voorzorg meegenomen en het optuigen van de vogels buiten de kooi was routine geworden. We bevestigen de extra tassen en mijn foedraal aan het tuig en liepen stilletjes, voor zover dat mogelijk was, naar het vogel vliegveldje. De vogels waren nu gewend aan deze procedure en begonnen ongeduldig met hun vleugels te klapperen. Het duurde daarom ook maar even voordat we de lucht in waren richting een nieuw onbekend avontuur. We zagen de zon in het Oosten al een beetje boven de horizon komen want het had opgehouden met regen en de late nacht en ochtendbewolking brak, zodat een buitengewoon mooie hemel als schouwspel voor ons lag. De kleuren zachtrood, oranje en blauw waren in grijstinten gehuld. Het was nog een beetje fris, maar ik had mijn vogeljack aan zoals altijd bij het vliegen en Natasha had een jack gemaakt van slangen en krokodillenleer afgemaakt met katoenen mouwen en kraag.

Het vliegen was weer zeer aangenaam en je voelde je vrij als een vogeltje in de lucht. We schoten flink op en waren al snel boven het gebied van de olie winning en raffinaderijen. Hier werd bijna dag en nacht gewerkt en er waren dus wel overal mensen aanwezig. Die letten echter niet op de vogels en als ze naar boven keken,zagen ze wel de grote vogels vliegen, maar zagen niet de passagiers op de vogels,althans dat geloofde ik niet. Ik ging mijn geheugen na zoals ik de laatste twee dagen steeds gedaan had om de richting van ons vliegen te bepalen. Onze geleerde was wel precies geweest omtrent de plaats van het gat maar niet zo precies. Na nog een uurtje vliegen zouden we in de buurt moeten zijn, maar hoe herken je zo’n gat. Er groeit niets in de buurt, er staat een hek omheen of misschien iets anders. We vlogen over een dorp met aan de rand een soort kamp met een hoog hek. Het leek wel een gevangenis en misschien was dit complex dat ook wel. In het midden was een rond gebied afgebakend met een nog hoger hek en bij de poort in het hek stonden een paar mannen met slagwapens. Ik wees Natasha het complex en we vlogen nog een rondje over dat complex. Het middelste terrein was verder geheel verlaten en geheel zwart in het midden. Dat kon ons gat zijn maar dan moesten we wel binnen het binnenste hek landen. En als dit niet het gat was, dan zaten we met een probleem. Op di kleine plek konden onze vogels onmogelijk weer opstijgen. Ze hadden wel een aanloop nodig van 100 meter met ons op de rug en die aanloop was binnen het hek niet beschikbaar. Ik vroeg Natasha luid wat we zouden doen en ze zei natuurlijk: Probeer het maar. We cirkelden over het terrein en daalden steeds verder totdat een bewaker ons zag en met grote ogen naar de vogels en de mensen erop keken. Het wees naar boven en de andere bewaker keek ook. We maar toen al bijna aan de grond maar de bewakers bleven als versteend staan. We maakten bijna een prima landing en kwamen tot stilstand zo’n twintig meter van de rand van het gat. Ik keek Natasha aan en zij nam de vogel aan de teugel en liep naar het gat. Ik deed hetzelfde en voelde de aantrekkingskracht van het gat zoals ik eenmaal eerder had gevoeld. We konden niet meer terug en ineens zag ik Natasha samen met de vogel verdwijnen en binnen een seconde werd alles zwart en voelde ik niets meer. Het einde, een nieuw begin? En toen niets meer.

 

SLOT DEEL 1: Naplet, Rondo