Gedichten

 

 BEDENKSELS VAN NU EN VROEGER

 

 

 

 

 

 

Zon

 

Geel staat de zon boven de grauwe zee

Te schijnen van ver uit het westen.

De horizon golft schemerig alsof

Ze wil zeggen. Kom, zon, kom zachtjes

In mijn schoot. Het is tijd om te

Rusten. Het is tijd voor jouw en

Je mensen, die rare dingen, die

Krioelen onder jouw zonder te weten

Waar ze mee bezig zijn. Zonder

Te weten, slechts drinken en vreten.

 

 

Het pad

 

Sinds het ontstaan van het leven

Is er een weg, een pad geplaveid

Met verdriet, tranen en liefde.

Een pad rechtdoor met kronkels

En doodlopende steegjes links,

Rechts, naar boven, naar beneden.

Wij bewegen op dit pad, wij

Schrijden voort, maar er zijn

Geen tekens, geen tekens om

Het juiste pad te volgen. Geen

Tekens om ons te wijzen op

De doodlopende steegjes, die

Met hun mond open staan te

Wachten om ons te verslinden,

Te verpletteren tegen het einde,

Dat we nog niet verwachten,

Waar is het pad, dat we moeten nemen?

 

 

Zeggen

 

Het moet mooi zijn te zeggen,

Wat je denkt, als een intelligente

Gek tegen zijn maatschappelijk helper.

Jij denkt het en ik zeg het, dat

Niet ik gek ben, neen , de maatschappij,

De wereld, dat zijn de grote gekken.

Ik zeg, jij denkt, dat de IQ-uitvinders,

De macht verheerlijkers, de oorlogs-

Waanzinnigen, de proleten aan de top,

De Reagans, de Leonids, de Driessen,

Dat dat de gekken zijn, die geholpen

Moeten worden, of is het God, de wereld zelf?

 

 

De wind en ik

 

De wind waait om mij te vertellen

Dat ik niet alleen ben. Om me

Te vertellen, dat het leven waard is

Om voor te knokken, om mee door

Te gaan. Soms is de wind stil

Geen gerucht te horen, de rotsen

Zijn stil, de zee is stil, het

Einde van het leven? Kom wind

Doe je best, blaas, waai, zet

Je geest ver open, zodat je me

Kan horen. Kom wind, luister naar mij

Want ik hou zo van het leven.

 

 

Geluiden

 

Geluiden dringen tot me door.

Het gras praat vrolijk om

Me heen, de krekels zingen

Alsof zingen en leven hetzelfde zijn.

De circusmuziek glijdt over

De heuvels naar me toe, vrolijk

Omdat het vrolijk moet zijn.

De zee ruist in de verte en

Knuffelt met de rotsen.

Dan weer zijn er zachte klapjes,

Die schuimend breken in een kus.

Een leven van geluiden niet onder-

Broken door stilte. Een leven als

Van mensen, dat altijd doorgaat, altijd?

 

Argelès sur Mer

Zomer 1980

 

 

Lyon

 

Diep onder mij in het dal rust

Een stad in de verzengende zon

Van de middag. De bakker heeft

De deur gesloten, de slager is

Naar huis gegaan om te vluchten

Voor de warmte, om de stad

Voorzichtig alleen te laten, haar

Uren om te mijmeren zonder mensen.

 

De mensen wachten thuis en in koele

Cafés, totdat de stad weer het

Teken geeft om te gaan leven, totdat

De stad weer met nieuwe krachten

De mensen aankan, de bakker

Z’n winkel weer opent en de slager

Zijn vlees weer snijdt. De stad barst

Weer van het geluid, ach arme stad.

 

 

Verjaardag

 

Riet is jarig en geeft een feestje,

Gezellig met z’n allen vieren.

Vrienden, kennissen zijn er al.

Nu nog ik om te feliciteren,

Te kussen op beide wangen

En mond, een bloemetje,

Waarom niet, van harte Riet

En een lang en gelukkig leven.

 

 

Titelloos

 

Alleen vergeten in het veld

Van de oneindigheid van het heden

Leef ik stom voor me heen

In de kaarsen van het eeuwige licht

Waarom zou ik hier zitten op deze

Kruk, krakend in de dranklucht

Van mijzelf en de ogen van de

Stalen dingen van bevrijde

Machines, die mensen imiteren,

Die soms mensen zijn als

Druppels gelijken op regen.

Mensen, machines in de nacht

Door de regen van dranken.

Zegen van degene die zich

God noemt en God is.

 

 

Tobbe

 

Laat het leven leven in het sop

Van de grote tobbe, die de

Wereld is, dobberend in het Al.

Wazig kijken we over de rand

Van die tobbe, blij, wachtend

Op dat wat komen gaat van

Begin tot eind. Ik voel het van

Binnen, het gaat goed, ik

Heb de moed om haar te vragen om

Met mij te leven. Niet te moeilijk,

Maar gewoon fijn, het gevoel

Van handen, ogen, lippen op je

Mond. Een huid, die tintelt en

Te strelen is met je vingers.

Zou ze met me in de tobbe willen?

 

 

Schoenmakertje

 

Als jongen van zeven kwam

Ik bij hem, het schoenmakertje aan

Het pleintje om de hoek Een oud,

Gebogen mannetje met eeltige vingers

Op een kruk aan de machine, een

Schoen in de hand. Hij zei:”Zeg

Het maar jongen, wat wil je van mij?”

Verlegen haalde ik een paar schoenen

Tevoorschijn, de hak afgetrapt, de

Neus kaal. Ziet U, de hak is er af

En mijn moeder zei:”Vraag het schoen-

Makertje  om een nieuwe hak, maar niet

Te duur, je bent het niet waard.

Tuurlijk jongen, dat doe ik voor jouw.

Kom Dinsdag maar weer. Dan zul je

Zien, wat voor goede schoenen je hebt.

Nu dertig jaar later, ik zit in

Een stoel en zie mijn schoenmakertje

 

The truth is in the eye

Free

1-3-1981

 

De vrouw

 

Wat een wonder is de vrouw,

Die mij tot leven doet wekken

Met een gedachte, een wenk van

Stralende ogen. Een neus, die

Veroverd moet worden door

Tanden en mond. Haren, waar

De vingers door glijden tot

Aan de punten op de rug. Vast

Wil ik haar houden, uren, dagen lang,

Dromend met de ogen open, kijk

Ik haar aan. Een blik, die

Via de ogen tot in het hart

Reikt. Warmte zie ik, warmte

Als in de hemel, niet om

Te branden, maar om te koesteren

En bij te hunkeren naar liefde.

 

 

Dromende vlieg

 

Wat niet is, kan nog komen,

Het lijken mij de dromen

Van genot en gelukzaligheid,

Die het denken van de mensen

Vernietigd tot op de bot van een

Dode vlieg, verpletterd op het

Glas door een God van een mens.

 

Trillend voel ik dit aan, dit

Dromen van mijzelf, dit

Vernietigende verlangen meer

Te zijn dan ik ben, meer

Te weten, dan ik weet, maar

Ik weet het niet meer, de droom

Is af. Ik ben weer helder.

Ik ben weer, die ik ben.

 

 

Gij en ik, ik en Gij

 

Gij, die dit leest, hoort niet,

Voelt niet, wat ik voel,

Kan niet begrijpen, wat ik bedoel.

Dit vechten tegen en met

Het leven, dit steeds weer

Van angst beven, dat het niet meer

Gaat, dat de moed je verlaat

Om verder te gaan tot aan

Het eind. Wat is het eind,

Het eind van het leven, het

Einde van de angst? Het?

Beseft gij, gelooft gij, dat

Het bestaat? Zonder angst te leven?

 

 

Auto

 

Vrij als een vogeltje, rij

Ik door dit land, zie

Het landschap voorbijschieten

Als in een vlucht van kleuren,

Vormen en geuren. De muziek

Keihard het motorgeluid overstemmend

Van Enschede naar ver en weer terug

Eén op acht, één op tien, één op

Veertien. Smakkend zuipt mijn

Grommend ros zijn voedsel en

Ik, ik geniet mee, de ogen op

Oneindig, het stuur in de hand.

Ik voel me als een vogel boven

Mij. Ik kan gaan, waar ik wil,

Heen en terug, heen en terug, geen

Rust en toch rustig als Klaas

 

Freedom is the only word, Bad Company

 

 

Thuis

 

Het thuis is binnen in mij,

Het thuis van mijn vader,

Moeder, zusters en broer.

Het thuis, waarnaar ik verlang

Heeft zich daar verborgen.

Ik heb het gevonden, maar

Kan er niet bij om het

Aan anderen te tonen. De

Vrede, die ik thuis gevonden

Heb in mij, maar ik

Zou die zo graag willen delen.

Elke vrouw is bereid mijn

Thuis te zoeken in mijn lichaam

En te delen samen met mij?

 

 

Niets

 

De totale afzondering kan een

Groot geluk zijn voor hen, die

Kunnen vinden. De tijdloze

Momenten van het leven zonder

Geluid, zonder denken en

Bewegen, zonder naar je

Tenen te staren. Niets, veel

Minder dan iets, leeg als

Het heelal, geen atoom

In de weg, geen seconde,

Die tikt, en dan boem is

Het er weer, geluiden.

 

 

Wegen

 

Ze gaan je weg op, die

Is gebaand met de sporen

Van nalatigheid en verdriet

Van degenen, die elkaar

Liefhebben en haten, die

Elkaar meemaken in de

Eenzaamheid van zichzelf.

Van  de eenzaamheid, die

Drukt op de ledematen

Van het leven. Gij die

Dit voelt, die dit meemaken,

Die hierop afgaan als dromen

In de woestijn van de gedachten,

Zijn open, zijn gelijk aan degenen,

Die ik vertrouw, die ik moet hebben,

Waarbij ik mezelf voel en ben.

 

 

Haar

 

Op de sporen, die gelopen

Zijn in de verte van de weg,

Die we gaan, die we over-

Hevelen naar de waarschijn-

Lijkheden, die we zijn.

Mensen over het algemeen

Mensen, die zijn, die de

IJstijden overleefden, mensen,

Die kruipen in de grotten

Van zichzelf en haar zelf.

Ach de waarheid ligt samen

Met mij, samen met haar en mij.

 

 

Dromen en wolken

 

Ze fluisterde in mijn oor:

Je bent lief, zacht van gedachten,

Zacht van huid, vingers en mond.

Ze vertelde me, wat ze droomde

En ik droomde met haar mee.

Stemmen van ons in de dromen,

Van eenvoud en verlangen naar het

Land om samen te wonen. Het

Land van de wolken, die spelen

Met onze voeten, die ons

Knuffelen en bedekken als

Een tweepersoonsdeken, samen.

 

 

Weer en weer en weer

 

Met grote ogen kijk ik naar

De vrouw, die knippert op

Het scherm van de gokkast,

Kijk ik naar de man aan

Deze verleidelijke kast van

Kwartjes en guldens in de gleuf.

Zenuwachtig pakt de man

Weer een gulden en daar draaien

De schijven weer, twee appels

En een peer, verdomme nou toch

Weer en weer en weer en weer

Verleidt door de knipperende vrouw.

 

Met dank aan de Nederlandse Vereniging

van Gokautomaat Fabrikanten

 

 

 

Vredige regen

 

De regen gutst in mijn gezicht.

Het kan me niet schelen, mijn

Gedachten zijn blij, mijn

Gedachten neuriën het lied

Van vrede en openheid van

Hart en lichaam. Ze zien

De schoenen soppen in het

Regenwater, dat afglijdt in

De goot en mij schoon-

Spoelt van de somberheid,

Van de sleur van altijd. Ik

Hoop, dat het morgen ook regent.

 

 

Nieuw leven

 

De tijd is rijp om een

Nieuw leven te beginnen,

De lasten af te schudden,

Die mij schouders dragen,

Vrij van alles, zelfs geen kleed.

Naakt wil ik de wereld

Tegemoet treden en zeggen:

Hier ben ik, de nieuwe mens,

De mens met de open geest,

Ontsnapt uit de juk, welke

De maatschappij voorstelt, vrij.

 

 

Geluk

 

Oh gij, die dit aanhoren

En onderweg zijn, zoals ik.

Wat ik te vertellen heb, is niet mis.

Maar er zijn geen woorden, geen

Woorden, die kunnen uitdrukken,

Wat ik voel. Het zit binnen in

Je als een lintworm en een fee,

Die vreet aan je en het geeft

Geluk. Geen geluk in liefde

Of spel, neen, geluk in jezelf,

Geluk, dat speelt met je vingers,

Dat fluit in je haren, tranen

Worden niet geweerd. Het eeuwige

Geluk, maar ik hoef niet zoveel

Geluk. Ik zou het zo graag

Willen delen, maar wie zegt mij, hoe?

 

Ik

 

Bijgestaan door mijn pen

Schrijf ik op, wie ik ben.

Een simpel man in gedrag,

Die te denken vermag

Over de wereld en hemzelf.

In de wereld van vandaag.

Snapt niet, wat hij fout doet.

Past misschien niet in de rij.

 

Gedrag, leeftijd, je moet

Getrouwd zijn als je vijf-

Endertig bent, je moet je

Aanpassen aan de maatschappij.

Niet meer houden van Ten Years

After of Moby Grape. Verstandig

Spreken op zijn tijd, een

Spijkerbroek past daar niet bij.

 

Wat baal ik van die praat.

Ik wil kind zijn en

Dingen zeggen zonder te denken

En dingen doen zonder te plannen,

Om mijn vingers bijten in

Gezelschap of aan mijn kont krabben

Wanneer ik zin heb of het kriebelt.

Boeren na het eten lucht ook op.

 

Ik wil mooie dingen bedenken,

Mij verheugen over een worm, die

Over de grond kruipt naar zijn geliefde.

Ik wil Klaas zijn, kleine klaas,

Zoals Andersen die zich voorstelde.

Een lach, een traan, een emotie

Tonen zonder te schamen, zonder

Eraan te denken, dat ik een man ben.

 

Zachtjes praten met een vrouw,

Neen, niet over trouw, wel over

Liefde en vriendschap en dromen,

Zachtjes vrijen met een vrouw,

Niet direct neuken, vlug en gauw.

Neen, aaien, lachen, kussen en

Spelen met vingers en borsten.

Ik wil, maar doe zo weinig.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Profeet

 

Lenin zij tot Marx; Karel

Zou je het wel doen? Zou

Je de mensheid dit openbaren?,

Dit Communistisch Manifest?

Ze zijn er niet rijp voor. Je krijgt

Alleen maar ruzie en zijn wil geschiedde

 

 

 

Licht noch donker

(Een parabel van een worm)

 

Op een dag dacht de worm:

Wat is het hier donker en

Bracht deze gedachten over

Bij buurvrouw worm. Nu

Begreep buurvrouw deze gedachte

Niet. Voor haar was er geen

Donker, want er was geen licht.

Daarom nam de worm een wijs

Besluit. Hij verliet zijn omgeving

En trok erop uit. Eerst

Naar onder, want boven en onder

Was bekend bij menig worm

En ook bij hem. Na tien lengten

Vond hij het vocht en verdronk

Bijna. Dat is niet goed, dacht

De worm, ik moet naar boven.

En ja, naar vijftien lengten

Zag hij het licht maar

Na één seconde niet meer,

Want de kip zag de worm.

 

De moraal van de parabel*

Van de worm: Zoek niet

Naar licht als u het donker

Niet kent, want het is als

Het zoeken naar goed

Als U het kwaad niet kent.

 

*Zinnebeeldig verhaal om een zedelijke waarheid

Aanschouwelijk te maken

Dunne van Dale

 

 

Uitspraken van een dwaas doch wijs man

 

1.                 Het geweer is als het achtereind van een varken. Er komt alleen maar stront van.

 

2.                 Raak nooit een geweer aan, want het laat je nooit meer los.

 

3.                 Geweren zijn het slijk der aarde, maar zelfs met slijk is geld te verdienen.

 

4.                 En bom heeft niets te zeggen behalve BOM.

 

5.                 Geld maken is het breken van mensen.

 

6.                 Spreken is zilver, zwijgen is ook niet alles.

 

7.                 Wie zwijgt, heeft niets te zeggen.

 

8.                 Idealisme is praten over zaken, waar men geen verstand van heeft.

 

9.                 Realisme is het accepteren van goed en kwaad, van meer en minder, ik goed en meer, de ander kwaad en minder

 

10.             Een pacifist praat over het afschaffen van geweren, een mens weet niet wat geweren zijn.

 

11.             Materialisme is het accepteren van de menselijke zwakte of misschien het accepteren van de mens.

 

12.             Het verschil tussen dromen en waken is als het verschil tussen waken en dromen. Is er verschil?

 

13.             Man en vrouw zijn één. Het is jammer, dat zoveel mannen en vrouwen dat niet weten.

 

14.             Het leven is een periode tussen twee dromen. Neen, het leven is een periode tussen één droom.

 

15.             Het licht van jezelf schijnt ook naar buiten. Hoe dunner het vel, hoe meer licht anderen kunnen zien.

 

16.             Als je jezelf niet verraadt, zal een ander dat ook niet doen.

 

17.             Bloemen spreken tot mensen, maar weinig mensen willen luisteren.

 

18.             God is voor ons allen, niet alleen voor de kerk.

 

19.             Een kerk is een tempel om God op te sluiten.

 

20.             Eén liefde is genoeg om twee levens te vullen.

 

21.             Liefde is als de wind; soms fluistert ze in je oren, dan knalt ze tegen je kop.

 

 

 

Emensipatie

 

Meedogenloos sleepte hij

Haar achter de bosjes

Zo begint of eindigt een

Verhaal over de verhouding

Tussen man en vrouw

Luister goed, ik weet

Dat het niet zo hoort,

Maar is de oermens niet

Zo begonnen? Heeft Eva

Adam geen goede reden

Gegeven? Duizenden jaren

Geschiedenis vertelt ervan.

 

Nu is dit geen schuld

En boete. Geen rubriek

Over haat en wraak. Het

Zou toch ook kunnen van

Mannen en vrouwen van alle

Landen, verenig in elkander.

Geen mannen en vrouwenclubs,

Geen emancipatie, want het

Woord zelf is al vies. Neen,

Laten we emensiperen.

Laten we met z’n allen

Gaan samenwonen in het

Grote huis, dat aarde heet.

 

 

Vakantie

 

De zandkorrels stromen door

De holten tussen je tenen en

Je tanden, want je ligt op het strand.

Vrouw, heb ik je nog gezegd, dit

Keer de bossen in het Noorden,

Dit keer gezond trimmen tijdens

De vakantie,  het lopen, de frisse lucht,

Maar toen het weer zo ver was,

De vakantie stond voor de deur,

Verdomde weer naar Spanje

Te bakken voor een kleur om

De buurvrouw te tonen tot  diep

In de winter. Te braden tot

Je gaar wordt. Nou dan maar

Aan de drank, nog twee weken.

 

 

Ziek

 

Moe sleep ik mijn lichaam de trap op

Richting bed. Mijn keel doet zo zeer,

Mijn kop staakt en mijn benen willen

Niet meer. Ik stap in mijn bed met

Rillend lichaam tot in de tenen.

Laat de slaap komen, laat de

Slaap het gevoel en de gedachten

Aan dit lichaam uitwissen, slaap.

 

Zes uur later, reeds vijftig maal

Gedraaid van het ene op het andere oor,

Zwetend in mijn onderbroek, mijn

Pyjama is nat, mijn hoofd wordt

Steeds zwaarder, laat de slaap komen,

Laat de slaap komen, eeuwig.

 

Acht uur sta ik rillend op.

Ik moet nog bellen, ziek melden.

Ik heb geen zin om mij te bewegen.

Het heeft geen zin, ik heb geen zin,

Ga weer naar bed, hoop te slapen,

Zeverend, huiver ik, hunkerend naar slaap

Maart 1981

 

Vlek

 

De grijsgroene vlek dartelt

In mijn hoofd. Ik zie het bewegen,

Links, rechts, links, rechts. Ik heb

Moeite de vlek in het zicht te houden.

Ik zie een gezicht in de vlek,

Maar de flits van het gezicht duurt

Te kort om haar te herkennen.

Meerdere gezichten en face, op z’n kop,

Van achteren zie ik, maar ik kan

Ze niet vasthouden. Het is als

In het leven, vaag en in een flits

Zie ik haar, maar kan haar niet, neen.

 

 

Overeenkomst

 

Meningsverschillen bestaan niet,

Alleen maar verschillende mensen,

Zo zei zij en keek me aan

En toen zijn we samen naar bed gegaan.

Er valt niet te twisten tussen

Man en vrouw. Er zijn geen

Verschillen van geestelijke aard,

Alleen samen, samen leven en doen

 

 

Zonderling

 

Somber spoeden de gedachten

Zich voort , eenzame gedachten in

Het hoofd van de zonderling.

De man zonder doel, zonder

Gevoel voor relaties met

Anderen, o zichzelf, zichzelf

Bevredigend met gedachten aan

Zichzelf, maar ook aan anderen.

Zonder talent de gedachten te

Vertalen in handelen, in handelen

Met partners, vrienden, lief

Te hebben, de liefde, die brandt.

 

 

Vuur

 

Dromen zien elkaar in het

Voorbijgaan van mensenparen

In de nacht zo koud, te koud

Om je te warmen aan het vuur

Van de hartstocht, die in je leeft.

Die brandt, maar het vuur is

Niet te blussen, niet te

Doven met jezelf en anderen.

Met dat wat je beleeft en

Gelooft, met dat wat je

Ziet in de verte en zo

Dichtbij, zo als altijd.

 

 

Verdriet

 

Verdriet huist in mij als

Een vlieg, een muis in de

Val van de onmogelijkheid

Om kaas te pakken.

Laat dit afgelopen zijn als

Het mogelijk is, laat de ogen

Van mij het waarmaken.

Ik zie de mensen om mij

Verlangen naar anderen dan

Zichzelf, maar ik kan niet

Ingrijpen in dit proces van

Verlangen, ik kan niet, waarom niet?

 

 

Waarnemer

 

Ik zie mensen op me heen

Praten tegen elkaar en zichzelf,

Praten met een intensiteit, die

Uitgaat boven het bevattings-

Vermogen van henzelf. Het

Lijkt wel een orkest in verschil-

Lende maten, een niet volmaakte

Aanslag op de ogen van

Een waarnemer, een buitenstaander,

Die niet begrijpt en niet mee hoort

Met de anderen, die kijkt in

De verte en zich verbaast.

 

 

Anke

 

Ik zie een vrouw, een moeder,

Een meisje van gedachten, die

Leeft om te leven, die geeft om

Te geven. Ik ken haar naam,

Haar omgeving, haar werk

Maar ik ken haar niet en

Toch haar gezicht, haar lach,

Haar inzet bij het dansen,

Haar totaal overgeven aan

Zichzelf en de muziek, die klinkt.

Dat moet een vrouw zijn

Om van te houden, Anke.

 

 

Angst

 

Angst om contact op te nemen,

Angst mensen te benaderen,

Te vragen om een dienst.

Het zweet parelt op mijn

Voorhoofd  bij het bellen

Van diegene, die ik liefheb.

Ik durf niet te vragen,

Niet te zeggen, ik hou van jou,

Durf niet te kijken naar het gezicht

Met de vragende ogen, de open mond.

Ik faal liever, berust liever

En wacht totdat ik alleen doodga.

 

 

Beleven

 

Het leven heeft niet veel gebracht.

Ik heb er niet veel mee gedaan.

Mijn jeugd is vervaagd in het

Niets en de oneindigheid van het

Geheugen. Ik zit hier en denk

Na, maar voel niet, weet niet

Hoe het leven voort te zetten,

Hoe ermee om te gaan. De

Relaties bestaan niet, leven niet

In mijn leven. Ik ken mensen,

Maar geen partners, geen

Vrienden om mee te leven.

Of toch, ik ken een enkele, die

Misschien zou willen, zou

Kunnen, maar ik heb het

Verknoeid, verwaarloosd, verslapen.

Slaap verder, Klaas, slaap verder.

Er is geen hoop op echt leven.

Verdwijn, Klaas, verdwijn uit

Gods ogen, de ogen van de mens.

 

Huilen

 

De tranen rolden over mijn

Wangen. Ik huilde in mijn

Bed, omdat ik niet kon uiten,

Kon vertellen, wat ik voelde.

Ik zou mijn hoofd op je

Schouders willen leggen en willen

Uithuilen, willen huilen tot

Het einde der dagen, alle

Spanningen eruit gooien, alle

Opgekropte emoties, die drukken

Op mijn hart. Mijn benen worden

Zwaar van het leven. Riet,

Ik weet niet meer, hoe te

Leven, hoe mij te bewegen

Tussen de mensen in de groepen.

Groepen voor iedereen, behalve voor mij.

 

 

Twee mensen

 

Opgesloten in mijn huid moet

Ik leven, leven zonder doel.

Het gevoel niet buiten jezelf

Te kunnen treden zonder

Lichaam te leven, wat toch

Niet functioneert, toch niet

Beantwoordt aan het doel, waarvoor

Het geschapen is. Ik ben een

Kind van buiten, maar binnen

In mij leeft de oude man,

Die beschouwd, wat geweest is,

Die bereid is te sterven, omdat

Het leven geen zin voor hem

Meer heeft. Het geloof is

Verloren gegaan in de

Gedachten aan haar, Haar

 

 

Vluchten

 

Het is tijd om naar bed

Te gaan en te slapen,

Voor eeuwig te slapen en

Te verzinken in dromen,

Die naar maat gemaakt

Kunnen worden, die kunnen

Worden ingevuld in een vorm

Zoals het leven niet kan

Geven. Vluchten uit het

Leven zijn het, Vluchten voor

De angst te falen in het

Creëren van een plaats in het leven.

 

 

Groepen

 

Mensen zijn gemaakt om

In groepen te leven en te

Functioneren. Groepen,

Waarin je thuishoort, waarin

Je kan geloven en liefhebben,

Waarin je je  kan uiten en

Vrienden kan maken, waarin

Je kan praten tot in de

Vroege ochtend. Groepen

Beschermen de mensen, laten

Ze niet verloren gaan in de

Oneindigheid. Waar is mijn groep?

 

 

Moe

 

Moe staar ik voor mij heen.

Het is zondagavond en ik

Zit alleen. Ik denk aan

Morgen, maar het werk spreekt me

Niet aan, niets spreekt me

Meer aan. Te moe om

Nog in het leven te geloven.

Geen mens kan me meer

Bekoren. Zelfs het geluid

Van stemmen schrikt me

Af. Ik zou op een rots

Willen zitten midden in zee en

Kijken en luisteren naar de golven.

Of misschien is Dante’s hel

Geschikt voor mij. Het voor-

Portaal van de hel, de hel

Zelf. Ach zelfs daarvoor

Ben ik te moe en niet geschapen.

 

 

Muziek

 

Klanken klinken in het oor

Van de dove, weinig gehoor

Voor de eenzame muzikant.

Ach, vrolijk moeten we zijn.

We moeten het leven inzien

Als een gein, welk overleefd

Moet worden zonder gevaar

Zich bloot te geven, niet

Te beven bij de gedachte

Geheel en al onder te gaan

In het genot. Wij zijn mensen,

Maar te zot om te zien

Wat er gebeurt. Langzaam

Sleurt de muziek zich voort

Van akkoord tot akkoord

Zoals het leven hoort, niet verstoort.

 

 

Amsterdam

 

Een huisvol mensen in Amsterdam.

Muziek dreunt, klinkt in je oren.

Mensen lopen voorbij, horen niet

De klanken, zien niet de gezichten.

Vrolijke, blijde mensen, droevige,

Arme mensen lezen een boek,

Kijken om de hoek van het leven,

Niets te beleven, zoeven, niet te

Verstoren, blijven zoals ze zijn,

Eenzaam en zonder moed,

Zich te buiten te gaan, zich te

Uiten op het balkon van het

Leven, niet weten te geven

Op het moment, dat het moet.

 

 

Theo

 

Een man op de hoek van de straat

Kan vele kanten uit, heeft vele

Mogelijkheden om te zien, om zich

Te oriënteren in het leven.

Ik ken zo’n man, met talent,

Intelligent, met alle titels,

Die bestaan, een vrouw om van te

Houden. En toch een man met

Twijfel over zichzelf,een man, bang

Iets verkeerd te doen, zichzelf

Verbergend achter air en

Dogma, soms agressief als hij

Denkt aangevallen te worden. Dat

Is niet nodig, Theo, waarvoor

Dit spel? Mensen houden van je,

Zoals ik van je hou, zonder scherm.

 

 

Debbie

 

Springend, juichend  kwam ze naar

Me toe, roepend met een stem,

Die mijnver draagt. Schalks

Kijkt ze mij aan en terwijl

Ze mij omarmt, zegt ze zacht:

Je bent lief. Ik til haar

Van de grond, de armen onder

Haar bips en kus haar zacht.

Een ogenblik van geluk want

Ze is te druk mij alle aandacht

Te schenken. Trippelt weg, speelt

Met een ander en nog één en nog één.

’s Middags wandelen we in het

Bos, langs een sloot, hand in

Hand. Ik kijk haar aan en

Verzucht heel zacht, waarom ik

Vijfendertig en zij nog geen zes.

 

 

 

 

Het nieuwe begin

 

Een klein teer mannetje

Zoals hij daar ligt, een

Sterke wil in een langzaam

Smeltend lichaam. Soms is

De wil te zien, straalt uit

De ogen, maar het lichaam,

De organische rest is verteerd

Door het leven, is afgemat

Door het mannetje. Het werk,

De kracht, die het heeft moeten

Opbrengen, is gesloopt. Dag

Lichaam zegt het mannetje.

April 1982

 

 

De vrouw op de fiets

 

Ooit gezien in Nederland?

De vrouw op de fiets langs

De stoeprand van de straat

Wachtend voor het stoplicht

Met de benen aan elke  kant

Van de fiets, wachtend op

Het teken van gaan, wachtend

Op het groen, zoals de mooiste

Lente niet kan wachten. Een

Beeld om niet te vergeten, een

Beeld in Nederland, een beeld

Van Nederland, de vrouw op de fiets

April 1982

 

Protest

 

Hand in hand zingen ze luid,

Samen gebonden door het doel

Van dit protest. Duizenden, honderd-

Duizenden lopen voor de vrede,

De vrede in de mens en tussen

De mens. Geen wapens meer,

Nooit meer vechten om te vechten.

Geen vernietiging van ons en onze

Kinderen. Ze zijn broeders en

Zusters tijdens dit protest, maar

’s Avonds thuis bij de TV.

Goddomme, de vrede weer in twee.

 

 

Gedachten

 

Gedachten spelen door mijn hoofd,

Druipen van mijn schouders,

Druppelen als kleine flonkerende

Kristallen op de grond, waarop ik sta,

Spelen met mijn voeten alsof ze weten,

Denken, pas geboren zijn, ontloken

Uit de brandende gevoelens van mij.

Ik schaap ze, maar dan als een

God, die de mensen schiep,

Raak je ze kwijt, zijn ze

Niet meer dan gedachten.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ogen

 

Mijn ogen gesloten lig ik te wachten

Op de droom, die moet komen om

Mijn leven op te fleuren met gedachten

Groter dan het heelal, zelfs alle

Heelallen. Zulke gedachten bestaan, die

Je meenemen naar werelden, droom-

Werelden, buiten jezelf. Je vliegt zonder

Vleugels, drijft op je gedachten.

 

Mijn ogen open, lig ik te wachten

Op de droom, die zal komen om

Mijn leven op te fleuren met lichaam en

Ziel, met geborgenheid en liefde.

Zo gewoon, zo alledaags maar zo bijzonder

Mijn meid, mij alles, mijn droom, waarmee

Je komt vliegen, waarop je kunt drijven.

Mijn ogen zijn zo moe van het wachten.

 

 

Rand

 

Vroeger, geen minuut geleden, heb ik

Gedacht, da mensen zoals ik leven

Op de rand van een put, met één

Been in de diepte, de armen

Geklemd aan de stenen, gemetseld in

Mozaïeken, de rand vormende.

 

Het leven op de rand, de kleuter,

De jeugd, de jaren, de grijsaard,

Dood, vallend van de rand, plons,

De diepte, het einde, verfrissend?

Het oneindig  diepe water, waarin

Je leven na het leven verbrengt?

 

Het leven alleen een rand en een

Put? Dat is toch niet mogelijk, dat

Is toch niet alles, wat ik,we hebben?

Er moet toch meer zijn, maar wat?

Lichaam? Denken, dat je iemand bent,

Macht, geest, scheppende kracht, liefde?

Misschien, vroeger, geen minuut geleden.

 

 

Moleculen

 

De moleculen knarsen in mijn lijf,

Ze krioelen rond mijn leven te

Onderhouden en mijn lichaam te voeden.

Ze krioelen rond om mijn wil te

Stimuleren, mijn zenuwen te activeren.

Kleine moleculen, waarom doen jullie dat

Voor mij? Is dit leven waard om voor

Te werken? Het niet in te perken

Tot een minimum van bestaan. Bestaat

De vrijheid om te kiezen om

Het leven te verliezen zonder dood?

Mijn lieve moleculen, kunnen

Jullie de dood niet bewegen het

Eeuwige niet-leven te creëren?

Het eeuwige niet-leven, waarin ik

Samen met jullie gelukkig kan zijn?

 

 

 

God

 

Ik ben God, misschien ben

Ik God, die kijkt naar de wereld

En Lacht, glimlacht om de

Mensen, die krioelen met miljoenen,

Met miljarden over de bol, die

Aarde heet, met water en land,

Warm en koud, goed en kwaad.

 

Verdomme, waarom ben ik God, met

Een hand tekort om deze mensen

Te raken, wel geschapen maar

Verloren, hoor er niet bij, alleen,

Alleen om te vereren, niet gewoon,

Uitzondering. Ik zou ze willen

Raken en schreeuwen, dat ik

Ook maar een gewoon iemand ben,

Die liefde nodig heeft, die wil

Leven, niet alleen, verdomme God.

 

 

Macht

 

Ik huiver, als ik eraan denk,

Welk een macht is samengebald

In een mens, die zichzelf kent,

Die zichzelf heeft verkend op

De mogelijkheden, die er zijn.

Geen so-called God of heilige

Uit India of Tibet kan tegen hem

Opboksen, tegen Hij, Hemzelf, Ik.

 

 

Liefde

 

Liefde is een geschenk, dat niet geweigerd kan worden.

Liefde is er om iemand zalig te voelen en te

Pijnigen tegelijk. Liefde is alles of niets

Liefde kan niet in kleine mootjes gehakt worden.

Liefde is niet uit te poepen als een drol.

Liefde kan je niet verliezen als een straal urine,

Die langzaam je lul verlaat en je broek bevochtigt.

Liefde, waarom ben je zo groots, waarom kun je

Niet heel voorzichtig mij verlaten zonder dat

Ik mijzelf verlies en verdrink in jouw, liefde?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Warmte

 

Liefste, ik zou me willen warmen met

Jou, jouw lichaam, zo onvergetelijk

 Zacht, met jouw borsten, de tepels,

Nietig, maar teer, wachtend op mijn

Handen, mijn tong, langzaam vochtig

Groter wordend, hard maar lief, parmantig

In de wind in mij en mijn lichaam

 

Je glooiende buik, met dons bedekt

Als eeuwige graan op de velden van de

 Eeuwigheid. Je kut lonkend als een

Grot, spelonk voor een beer,

Verlangend naar geborgenheid in de winter.

 

Maar de echte warmte zit in je gezicht,

Je stralende ogen, je vurige mond, met de

Vochtige, rode lippen en de rustige

Tong, die me betasten en warmen, liefste.

 

 

Weten

 

Weten, dat je lief hebt,

Welke wegen moet een geest gaan,

Een geest van een mens, een man,

Om dit te weten en te vergeten,

Omdat liefhebben niet genoeg is

Om van te leven, te beleven,

Een ogenblik, een moment,

Dan is het weg, niet de liefde,

Wel het leven om lief te hebben.

 

Zij, die niet weten, niet voelen

Wat liefde is, kunnen niet weten,

Dat liefde in bomen vertoeft,

Te hoog om te beklimmen,

Te fragiel van tak en twijg,

Met ontloken Knoppen, de

Vrucht groeiend in het groen.

Alleen om naar te kijken, ik

Kan het niet bereiken, maar

Weten, niet vergeten, niet vergeten.

 

 

Harnas

 

Het gele harnas van de dood

Staart je aan met een blik,

Die het leven niet kan geven,

Zo onthutsend, dat ik stik en

Stil sta bij het verlangen dit

Te ontwijken om niet te bezwijken,

Niet dubbel te vouwen onder de last

Van het levensharnas, dat niet past.

 

 

Uit

 

Zitten, bier, bar, genieten, kijken,

Waarom drinken, waarom uit

In de nachtelijke uren, turen naar

Genot, kapot, laat op de avond

Bezig, mensen, mannen, vrouwen

Om me heen, misschien kinderen,

Die verlangen maar hangen aan

Het geloof van het moeten.

Mensen? Ontstellend, dat

Ik hier ben, waarom? Dom!

Waar gaat het om, UIT!

 

 


Levende dood

 

Hoe voel je je als de dood

Je bestuurt, je leven stuurt door

Een dal van scheppende kracht alsof

Je niet kan wachten op het leven

Na het leven. Wat heb je ermee

Gedaan? Afgewacht? Nacht voor Nacht?

De tijd een kans geven? Waarom

Dit leven? Door wie gegeven? Wat

Heb je eraan, wat moet je ermee,

Alleen. De zeven dagen zijn lang

Geleden. Misschien is het beter ze te

Vergeten en het leven te laten, dood.

 

Ilse

 

Er zijn vrouwen, die je niet kan benaderen.

Deze vrouwen, leuk, misschien lief zijn voor

Anderen, zijn om achter aan te fietsen, te

Be wonderen op afstand, over te dromen.

 

Ik ken zo’n vrouw, Ilse, ik ken zo’n vrouw.

Ik weet niet hoe te handelen, ik krijg geen

Contact. Je praat langs me heen, alsof ik

Meer lucht ben dan die we inademen.

 

Ik kan je adem horen, je borst op en neer

Zien gaan. Je lach, je tranen heb ik

Gehoord, gevoeld. Ben ik alleen maar een wolk?

Ik probeer, maar er zijn vrouwen, teveel.

 

 

Simpele man

 

Een eenvoudige man keek door het raam.

Hij zag de eenvoudige vrouw alleen staan.

Kom, dacht hij zonder te denken,

Aan die vrouw moet ik meer aandacht schenken.

Hij stond op uit zijn stoel en liep naar de deur.

Hij ging naar buiten en rook haar geur.

Hallo vrouwtje, hoe gaat het er mee.

Ik zag je door het raam zo heel alleen.

Waarom kom je niet binnen en kijk eens naar mij.

Ben ik geen kerel, misschien hou je van mij.

Zo begint de liefde, maar hij merkt alras,

Dat dit zijn waarheid is en het raam een spiegel.

 

 

 

 

Geluiden

 

Geluiden dringen tot me door.

Het gras praat vrolijk om me

Heen. De krekels zingen alsof

Zingen en leven hetzelfde zijn.

De circusmuziek glijdt over

De heuvels naar me toe, vrolijk,

Omdat het vrolijk moet zijn.

De zee ruist in de verte en

Knuffelt de rotsen aan de

Kust. Soms aait ze de rotsen,

Dan zijn er zachte klapjes,

Die schuimend breken in een kus.

Een leven van geluiden niet onder-

Broken door stilte. Een leven als

Van mensen, dat altijd doorgaat, altijd?

 

 

Woorden

 

Woorden, zacht gesproken, zelfs gefluisterd,

Waaien om me heen, met een kracht, die

Zelfs Wodan niet kan opbrengen, met een

Weemoed en toch woede, die niet te

Sturen is door wie dan ook, niet door

God, de mens de wereld, de

Wil van mij, woorden, zielen van

Woorden, de oerenergie van de mens.

 

 

Het idee

 

Zittend in mijn stoel denk ik na

En luister naar J.J.Cale om me

Te laten inspireren tot een goddelijke

Ingeving, die me afzet tegen de mensen,

Waarvan ik zou moeten houden, Waarmee

Ik zou moeten leven. Deze mensen, die

Even ver van mij afstaan als het leven

Van de dood, als bergen van de zee.

 

Laat mij een kluizenaar zijn, die als

Robinson Crusoë op zijn eiland zit te

Mediteren en te leven van zichzelf.

Laat alsjeblieft geen Vrijdag komen

Om mij te storen. Het verkennen van

Mijzelf is essentieel om die ingeving

Te creëren. Eens zal de vonk er zijn

En dan, ja dan? Wat heb ik aan een

Goddelijk idee zonder mensen.